Navigatie overslaan

Categorie Archieven: Boek

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

pijnackerplein 1982

Oud en Nieuw 1982

Wat hieraan vooraf ging lees je hier

Scherf stond intussen als een bezetene aan het beltouw te trekken in de hoop dat de bewoners hem zouden horen.  Ik wilde hem waarschuwen dat we beter als de sodemieter weg konden wezen voordat het vuur verder ging oplaaien. We stonden nu nog in de schaduw, maar dat ging niet lang meer duren; naarmate er meer bomen op het vuur geworpen werden zag je het licht verder in onze richting opkruipen. Toen gebeurden er vlak achter elkaar drie dingen: op hetzelfde moment dat ik Scherf bereikt had, met het idee hem de dichtstbijzijnde zijstraat in te sleuren, hoorde ik een meisje in het pand krijsen. Er werd een barricade voor het raam op de eerste verdieping weggetrokken, het raam werd geopend waarin een hysterisch gillende kraakster verscheen. ‘Laat ons met rust, kankerlijers’, brulde ze naar buiten. ‘Genoeg!!!’ Heel even leek het alsof alle geluid op het plein verstomde. De atmosfeer leek te verdikken en ik zag alle beweging tot een slow-motion vertragen. Het licht dat door het vreugdevuur werd verspreid laaide op. Het werd zo helder dat de gevel van het kraakpand net zo goed door een krachtige schijnwerper bestraald had kunnen worden. Scherf en ik stonden in het volle licht in het portiek van het pand; als ratten in de val. De silhouetten van de Pijnackerbende staken af tegen de gloed van het vuur. Het waren er echt geen stuk of dertig meer. De meute was aangegroeid tot wel honderd man en ze keken allemaal in onze richting. Omdat die hysterische trut, door het bijna even hysterische aanbellen van Scherf, zo nodig in een flip moest raken waren we nu de pineut. Er was maar één weg hieruit en dat was naar binnen. Maar de bewoners van het kraakpand zouden ons nooit binnenlaten zolang ze niet hadden gezien dat wij het waren. Ik zag de horden langzaam onze richting uit komen; het was nu of nooit. Scherf en ik dachten blijkbaar precies hetzelfde en we sprongen het portiek uit. Net op tijd, want de hysterica werd al door een medebewoner uit het raamgat naar binnen getrokken terwijl een ander het raam begon te sluiten. ‘Laat ons erin’, schreeuwde Scherf en ik keek dat de kraker aan het raam nog net in zijn gezicht voordat het raam sloot en de barricades er weer voor werden geplaatst. Alle vluchtwegen waren intussen door de groep pleiners versperd. Scherf bleef schreeuwen dat ze open moesten doen, totdat ik hem richting de deur duwde. Voor de eerste keer beleefde ik een moment waarin je je leven aan je voorbij ziet trekken en dat moment duurde veel te kort. Ik was godverdomme pas achttien jaar en ik had een paar maanden geleden nog voor de dienstplicht bedankt om uiteindelijk toch nog in een zinloze oorlog te sneuvelen. Scherf bleef de krakers aanroepen en smeken om open te doen. Nu in het gat waar eens de bel in bevestigd gezeten. Er lag niets in het portiek dat ook maar enigszins als verdedigingswapen gebruikt kon worden. Ik merkte op dat moment ook pas dat ik de ketting, die ik altijd als broekriem gebruikte, thuis had achtergelaten. Wapens; je sjouwt er maandenlang nodeloos mee rond en op het moment dat je ze echt nodig hebt heb je ze niet bij je. De pleiners waren ons tot op een meter of vijf genaderd en ik stond op het punt in de laatste seconden van mijn leven me alsnog aan Jezus over te leveren toen de meute de opmars stopte. Een milliseconde verkeerde ik in de hoop dat ze het met ons uit gingen praten, maar dat was niet de reden dat er gestopt werd. Ik zag de steekvlammetjes van tientallen strijkers oplichten en toen begreep ik wat de bedoeling was. Ik draaide me om, dook zover mogelijk de hoek in en trok mijn jas over mijn hoofd. Toen het losbarstte leek het een langgerekte knal, als een twintigponder uit een Stuka in het portiek detoneerde. Toen ik weer bij zinnen kwam lag ik in de gang van het pand naar adem te snakken. Ik zag vaag iemand de deur weer barricaderen met twee grote balken. Ik keek verdwaasd om me hen en zag Scherf naast me liggen. Zijn mond bewoog; waarschijnlijk was hij nog steeds aan het gillen dat ze ons naar binnen moesten laten, maar er drong even geen geluid meer door tot mijn wereld.

Een paar minuten later trok mijn gezichtsveld een beetje bij en zag ik weer tamelijk scherp. Op een zwarte vlek in het beeld van mijn linkeroog na dan. Dat irriteerde me vreselijk. De contactlens die ik droeg had me voor oogletsel behoed. Ik haalde hem eruit en zag dat er een stukje ingebrande zwarte materie in zat. Kruit uit een strijker. Terwijl ik er toch zeker van was dat ik met mijn jas om mijn hoofd en mijn ogen dicht had gehad op het moment dat die strijkers afgingen. Nu kon ik alleen met mijn rechteroog nog scherp zien. Dat was ook irritant, maar in ieder geval beter dan die vlek.

De enorme ruis in mijn oren maakte plaats voor de bekende piep, die ik na optredens ook altijd in mijn oren had. Ik kon in ieder geval, door de piep heen, weer een beetje horen. Iets minder leuk was dat Scherf vlak naast me zat en niet op kon houden met gillen dat hij die hufters buiten wilde vermoorden. Het had op dat moment wellicht verstandiger geweest als hij een de-escalerend geluid had voortgebracht; ik had alleen geen idee hoe dat dan had moeten klinken. Toen volgde een doffe klap en nog een. Het leek erop dat de buitendeur van het pand met een stormram werd bewerkt. Dreun volgde op dreun en elke keer zag ik de voordeur, en de balken ervoor, een beetje verder meegeven. Het was overduidelijk dat het een kwestie van een paar minuten zou worden voordat de deur het zou begeven. Behalve Scherf en ik stonden er twee andere krakers in de gang en we keken allemaal gebiologeerd naar de deur. Alsof we niet meer konden doen dan mindpower in te zetten om de aanval af te weren. Het voelde alsof we konijnen in een hol dat door een stel hondsdolle vossen word uitgegraven waren. Ik schoot uit mijn lethargie en stormde de trap van het pand op. Iemand moest iets doen voordat die deur het begaf en ernaar kijken ging niet helpen. Prioriteit nummer één: wapens. Ik rende de woonkamer op de eerste verdieping in. De ruimte werd slechts door een peertje aan het plafond verlicht. Het meisje die uit het raam had gehangen lag op een kussen in de hoek die het verst van de ramen was verwijderd onbedaarlijk te bibberen. Verder was er niemand. Ik had toch minimaal die vier punkies hier binnen verwacht, maar noppes. Er was ook nergens iets als een honkbal knuppel of ook maar een lange lat te vinden. Ik zocht alle overige kamers af en het beste wat ik kon vinden was een stuk openhaard hout dat veel te dik en te kort was om effectief als wapen ingezet te worden. Scherf kwam intussen ook boven en was ook zichtbaar geschrokken van de afwezigheid van hulp en wapens. ‘We zijn de lul’, mompelde hij ‘we zijn de lul’. Koortsachtig dacht ik over manieren om ons te verdedigen. De ramen waren gebarricadeerd met matrasveren. Voorlopig werd er alleen met vuurwerk naar de ruiten gegooid en zelfs als eens strijker vlak voor de ruit zou ontploffen en de ruit zou breken, waren we redelijk goed beschermd tegen rondvliegend glas. Maar we konden daardoor de aanvallers ook niet vanuit de ramen bekogelen. Nu hadden we ook weinig om ze mee te bekogelen, op die houtblokken en de huisraad na. Ik herinnerde me opeens een opmerking van Schizo toen ik hem bij mij thuis een keer had opgebiecht dat ik geen idee had hoe me te verdedigen mocht mijn huis aangevallen worden. Hij had geopperd dat je in zo’n geval toch gewoon de koelkast voor het trapgat kon zetten en die naar beneden kon kankeren op het moment dat er mensen de trap op komen. Iets beters was er in dit geval ook niet te verzinnen dus ik zocht Scherf en na een korte uitleg begonnen we de koelkast uit de keuken naar het trapgat te slepen. Het was jammer dat er geen wasmachine aanwezig was; die zijn een stuk zwaarder en dodelijker dan koelkasten. Maar de hier aanwezige exemplaar was een behoorlijk oude, en een stuk zwaarder dan die moderne koelers. Scherf schreeuwde naar de krakers in de hal dat ze naar boven moesten komen en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Daarna zat er niets anders op dan te wachten op het onvermijdelijke moment dat de deur het zou begeven en de barbaren de trap zouden bestormen. Dat gaf me tijd om de krakers eindelijk eens goed te bekijken. Ik herkende er een; die had ik al eens in een ander pand gezien. Hij heette Carel, met een c, en na even denken wist ik ook uit welk pand hij kwam; het pand vlak om de hoek bij mijn ouderlijk huis op de Heemraadssingel. Het eerste kraakpand waar ik ooit een voet binnen had gezet. Hij knikte even naar me terwijl ik hem aanstaarde; hij herkende me wel, maar was blijkbaar, en begrijpelijkerwijs,  niet in de stemming voor begroetingsrituelen. Carel was gekleed en gekapt als een typische kraker; gemillimeterd haar, blauwe overall en zware schoenen. Als je hem op een steiger zou zetten zou hij niet opvallen; hij had alleen geen matje en hij zou waarschijnlijk weigeren meisjes na te fluiten.  De andere kraker was zo’n kunstenaarstype met een dikke bril en zwart geverfd haar waar je de schaar die de lange lokken had weggeknipt nog bijna in kon zien. Prototype kunstenaarshippie. Het meisje lag nog altijd in de kamer te bibberen.  Op haar hoefden we niet te rekenen. Ik vroeg waar die vier punks gebleven waren en Carel vertelde dat die vorige week naar een nieuw pand aan de Hooghlandstraat waren verhuisd. Aangezien de reden dat ik hier was gekomen vier, inmiddels verhuisde, punkkameraden was, voelde ik me opeens behoorlijk lullig. Ik zette hier mijn leven op het spel voor een paar gasten die ik nauwelijks kende en die zo dom waren geweest om een pand te kraken dat middenin het territorium van een van de grootste jeugdbendes van de stad lag. Het was dat Scherf keek alsof hij hier ook liever niet wilde zijn, anders had ik hem op dat moment waarschijnlijk een hengst gegeven. En het gevoel dat ik op het totaal verkeerde moment, op de verkeerde plaats aanwezig was, moest natuurlijk, op uitgerekend datzelfde ogenblik, nog even honderdduizendmaal versterkt worden. Want opeens stond dat meisje in de gang. Haar ogen stonden verwilderd en ik merkte nu pas dat ze een tuinpak aanhad. De manier waarop ze me aankeek voorspelde niet veel goeds; ze keek alsof ze me wilde aanvallen.  Er kwam meteen nadat ik haar blik gevangen had een vloedgolf woorden uit haar mond omhoog borrelen waar de ratten geen kaas van hadden gelust. ‘Het was godverdomme net weer rustig toen jullie zo nodig buiten moesten gaan lopen schreeuwen, stelletje kutpunks!’ schreeuwde ze me toe. ‘Het was net voorbij, die gasten buiten hadden hun lolletje gehad en waren weggegaan van het plein en toen moesten jullie ze zo nodig gaan provoceren!’Jullie zijn net zulk gespuis als die klootzakken die hier woonden; we waren net zo blij dat die opgepleurd waren.’ Dat wijf had een stem die dwars door je heen sneed. Dit was wel het laatste wat ik verwacht had, al had ik voor de deur al begrepen dat die muts niet helemaal spoorde. Scherf begon sputterend uit te leggen dat we hier alleen waren gekomen om te helpen, maar bij mij sloeg de vlam opeens in de pan. Mijn rode vriend trok weer eens voor mijn ogen langs, ik moest me inhouden om haar niet op haar bek te timmeren. Ik sprong op en begon tegen haar uit te varen. ‘Houd je bek feministische kutmongool met je grote hysterische kankerbek, we kwamen hier om je uit de rats te helpen maar wat mij betreft kan je de kutschurft krijgen vuile vieze stoephoer’!! Ik had altijd al een harde stem, geoefend door twee jaar brullen in bandjes, maar nu ging ik echt helemaal los en bulderde door de gang. Hysterica kon er echter, zoals al gezegd, ook wat van en liet zich niet door mijn kanonnade uit het veld slaan. Ze schold net zo hard terug: ‘debiele kutpunks met jullie kankergeintjes altijd, zwakzinnige hufters met jullie grote muilen en groen uitgeslagen kankerkapsels, vieze kankerzwerver tyft op uit me huis!! En toen ik weer: ‘Krijg de kanker met je vuile grafhuis, de fucking fik d’r in, ouwe kankertemeier die je bent, krijg de ziekte’. Hysterica riposteerde met: ‘hoerenjong, kanker op met die mietjes van een kankervriendjes van je, jullie verpesten altijd alles, grafmongolen.’ Na deze uitval was het een milliseconde stil, ik nam de tijd om zoveel mogelijk lucht in mijn longen te persen en nam tegelijk de kans waar om wat inspiratie op te doen voor mijn volgende scheldkanonnade. Maar voordat ik uit kon barsten voelde ik een hand van Carel op mijn schouder en nog een op mijn borst. Ik ademde dus maar weer uit en zag dat Carel zijn linkerwijsvinger omhoog hield. Toen drong tot me door wat hij duidelijk probeerde te maken; het geluid van de  oprukkende buurtbewoners was verstomd. Er klonken in de verte nog knallen van vuurwerk maar dat kwam niet van het plein, daar leek het stil. Het was zo’n moment dat eeuwig lijkt te duren. Niemand had een idee wat er precies aan de hand was. We konden niet zien wat er buiten gebeurd en we durfden geen van allen te bewegen uit angst de magie te doorbreken en teruggeworpen te worden in een realiteit waaraan we dolgraag uit wilden ontsnappen. Ik keek hysterica recht in haar gezicht en zag haar woede omslaan in ongeloof. Dagen later wilde ik pas aan mezelf toegeven dat het best en lekker ding was.  De stilte werd uiteindelijk doorbroken door een blauw zwaailicht dat nadat het precies zeven keer de kamer had verlicht versterkt werd door een politiesirene die opeens keihard losbarste. Zoals gewoonlijk kwam de cavalerie te laat en op een vervelend moment. De hippe kunstenaar rende naar het raam en werd onmiddellijk in een zoeklicht gevangen. De sirene maakte plaats voor een mobilofoon. ‘Zouden jullie de deur even open willen maken?’ knetterde het uit de luidspreker. Het magische moment was verbroken. De kunstenaar stond een beetje verdwaasd in het volle licht naar de kit te zwaaien, Scherf slaakte duidelijk hoorbaar een diepe zucht in de wetenschap dat hij ook deze verzoeking had overleefd en Carel schoof de koelkast uit het trapgat en maakte aanstalten om naar beneden te gaan om de deur van de barricades te ontdoen. Ik stond nog altijd tegenover hysterica en pas op dat moment wisten we onze ogen van elkaar af te wenden en draaide ik me half om. Carel keek ons beiden aan met een geheimzinnige glimlach voordat hij de trap af liep. Ik draaide weer terug maar ze was intussen al op weg naar het raam waar ze samen met de hippie voor ging staan. Niemand van ons is er ooit nog over begonnen, maar het leek er sterk op dat mijn ruzie met hysterica de aanvallers van  het pand zo verbaasd had dat ze even waren vergeten waar ze mee bezig waren. Meer voor de hand liggend was natuurlijk dat ze de politie veel eerder dan wij aan hadden zien komen en daardoor de aanval op hadden gegeven. Toch was en bleef het een magisch moment want het voelde honderd procent zeker alsof de agressie van buiten geabsorbeerd werd door ons verbale zwarte gat.

Even later stonden er acht agenten in het pand en werden we tot onze verbazing gesommeerd mee te gaan naar het politiebureau. Natuurlijk maakten de bewoners daar hevig bezwaar tegen omdat het pand onbeschermd achter zou blijven. Daarop werden we zonder omhaal in de boeien geslagen, het pand uit gesleurd en verdeeld over drie politie Chevrolets naar het Haagse Veer vervoerd en werden we pas laat in de ochtend een voor een weer vrijgelaten. Een rechercheur deelde me bij mijn vrijlating vol genoegen mee dat we van een beschermende detentie hadden genoten. Het viel me nog mee dat hij er geen rekening bij presenteerde. Scherf was al een half uur eerder vrij gekomen en wachtte  op de hoek van de Coolsingel op me. Zwijgend liepen we door de uitgestorven stad naar huis.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Oud en Nieuw 1982 Deel 2

Het eerste deel lees je hier

Twee weken later was het Oud en nieuw. 1983 stond op het punt te beginnen. Het laatste jaar voordat het mythische jaartal van 1984 aan zou breken. Voorspeld was dat er een politiestaat zou komen, maar dat zouden we dan nog wel eens zien. Voorlopig knetterde de lucht nog van de rebellie.

Maar op oud en nieuw had iedereen wel wat anders aan zijn hoofd dan de regering omver te werpen. De belangrijkste vraag was altijd: waar was het feest? Ik kon natuurlijk naar mijn moeder gaan en me daar vol gooien met oliebollen, bier en champagne, maar ik was niet voor niks op mezelf gaan wonen. Vannacht wilde ik onder gelijkgestemden zijn. Het was alleen een beetje jammer dat alle gelijkgestemden blijkbaar wel bij hun ouders zaten. Na een vruchteloze zoektocht naar feesten; door de buurt fietsend was ik alle bekende kraakpanden af geweest,  kwam ik uiteindelijk toch bij mijn moeder terecht. Daar kon ik me in ieder geval gratis vol laten lopen. Maar om 1 uur ’s nachts hield ik het voor gezien en fietste ik naar mijn nieuwe huis. Ik had nog een halve fles champagne meegesnaaid die ik in het doodstille pand opdronk. Iedereen was weg en ik voelde me een beetje verloren. Als ik in mijn eentje dronken ben word ik altijd nogal melancholiek. Ik verviel in een mijmering over mijn verloren kamer en mistte het ouderlijk huis opeens enorm. Om half twee was ik die bui spuugzat en besloot  ik maar te gaan slapen. Ik sliep bijna toen ik Scherf hoorde roepen. Hij stond onderaan de trap en vroeg schreeuwend of ik thuis was. Toen ik dat beaamde stormde hij de trap op onderwijl roepend dat het  kraakpand op het Pijnackerplein aangevallen werd. “ Ze belden net via de telefoonketting;  die gasten hebben hulp nodig” , riep hij. Ik richtte me half op maar de alcoholnevels trokken me terug mijn bed in. “ Pleur op”, was het enige wat ik eruit kreeg.  Scherf bleef nog even staan maar zag in dat het geen zin had om te blijven zeuren. Hij stormde weer naar beneden en ik hoorde hem bij alle vier de andere woningen van de Braadworst aanbellen. Weinig kans dat er iemand thuis was, en nog minder kans dat iemand zich geroepen voelde om het slagveld te betreden. Ik draaide in mijn bed om me weer over te geven aan de slaap, maar plotseling schoot het door mijn kop dat die vier jochies, die mijn TV naar huis gesjouwd hadden, in dat pand aan het Pijnackerplein woonden. Vloekend sprong ik uit bed en kleedde me snel aan, onderwijl naar Scherf schreeuwend dat hij op me moest wachten. Ik had geen tijd genoeg om voor rellen geschikte kleding uit te zoeken en toen ik de straat op kwam merkte ik dat ik zelfs mijn trui vergeten  had aan te trekken. De koude wind greep mijn lijf, ik ritste mijn leren jack zo hoog mogelijk dicht. Scherf was niet meer in de straat, dus zette ik het op een lopen richting Pijnackerplein. Ik hoefde alleen  de hoek om, een stuk 3e Pijnackerstraat door en de Zaagmolenstraat over te steken. Daarna nog een kroeg en vier huizen voorbij voordat de straat zich in het plein verbreedde. Er waren nog redelijk wat mensen op straat die nog niet door hun voorraad vuurwerk heen waren. Oud en nieuw in Rotterdam leek, ook zonder aanvallen op je huis, verdacht veel op een burgeroorlog waarin iedereen lukraak op iedereen aan het schieten is.  Onderweg bedacht ik me dat het onmogelijk zou zijn het pand te bereiken als het daadwerkelijk belegerd werd. Scherf had hetzelfde bedacht, want hij stond op de hoek van het plein de situatie te overzien toen ik hem inhaalde. Heel even was hij blij me te zien maar daarna schoot hij weer in zijn adrenalinerush. Zijn ogen waren zo groot als schoteltjes en ik wist dat er maar weinig meer voor nodig was om hem door te laten slaan. Scherf had een sterk gevoel voor rechtvaardigheid; dat bracht hem hier en weerhield hem om weer zo snel mogelijk weg te rennen. Maar de situatie was tamelijk hopeloos. Er brandde een vuur midden op het plein en daaromheen stonden enige tientallen buurtbewoners te feesten. Het vuur liep echter op zijn einde bij gebrek aan brandstof. Het lag precies tussen ons en het pand in. Het kraakpand zag er vanaf waar wij stonden niet uit alsof het belegerd werd. Er stond in ieder geval geen massa mensen voor de deur. Er brandde geen licht binnen en het pand zag er verlaten uit. Mijn lust om hier een beetje met buurtbewoners te gaan knokken was al niet erg groot. Dat waren  mensen die je later nog dagelijks tegen zou kunnen komen. En zo te zien was het allemaal een storm in een glas water geweest. Iemand in dat pand had waarschijnlijk teveel geblowd of een verkeerd pilletje geslikt, was paranoia geworden, en had de telefoonketting in werking gesteld. Als er gevaar dreigde lag er in elk pand een telefoonlijst. Zo kon je andere kraakpanden bereiken. De ontvanger van je telefoontje belde dan het eerstvolgende nummer op de lijst en ging daarna op weg naar de brandhaard. Dat systeem werkte over het algemeen best goed. Je kon op deze manier binnen korte tijd minimaal een man of twintig op de been krijgen. Maar dagen als Oud en Nieuw waren hierop een uitzondering. Weinig kans dat er dan krakers op telefoonwacht gingen zitten. Dat het pand op het Pijnackerplein Scherf aan de lijn had gekregen was nog een klein wonder.

Het Pijnackerplein was traditioneel een plaats waar de kerstbomen werden verbrand die in de weken tussen kerst en oud en nieuw door de lokale jeugd verzameld werden. Die jacht was de laatste paar jaar een beetje uit de hand gelopen en had geresulteerd in heuse bendeoorlogen. Elk plein had zijn eigen jeugdbende en die van het Pijnackerplein was de grootste in onze buurt. De politie liet zich op oud en nieuw niet zien, tenminste zolang er geen huizen in de fik gingen.

De krakers en punks in het Oude Noorden hadden nog maar weinig last van die bendes gehad. Het waren echte straatschoffies en aangezien veel punks daar, toen ze wat jonger waren ook bij hadden gehoord, was er altijd een soort gewapende vrede gebleven. Punks waren natuurlijk wel freaks in de ogen van dat soort gasten, maar ze konden ons nog niet zo goed plaatsen. We waren in ieder geval geen hippies. Hippies waren zelfs in de kraakbeweging al een tijdje uit de mode. Zelfs de wat oudere krakers, die vroeger hun haar tot op hun reet droegen, hadden nu meestal fris geknipte koppies. Maar aan de andere kant bestond de jongste generatie punks; de generatie waar Scherf en ik ook bij hoorden, ook niet uit echte straatjongens. Wij waren over het algemeen Havoklanten en geen LTS’ers. Scherf studeerde zelfs op de Sociale Academie. Straatjochies hebben snel door dat je er niet een van hun soort bent. Ik was in ieder geval nog in een buurt opgegroeid waar het er vaak ook ruig aan toe ging. Waar je gebruikte injectienaalden en condooms aan de rand van de trapveldjes kon vinden en ’s avonds hoeren aan het cruisen waren. Waar straatschoffies met spijkers door hun schoenneuzen gingen voetballen en elkaars schenen tot een bloederige pulp trapten. Maar ik was, totdat ik op mijn 15e door het punkvirus werd besprongen, een studiebol geweest. Ik las liever boeken dan dat ik buiten mijn schenen op het spel ging zetten.

Maar behalve de veranderende samenstelling van de punkscene was er ook nog de opkomst van de Centrumpartij. Dat had de stemming in de wijk doen omslaan. En tot de rellen op 30 april 1980 was de Nederlandse bevolking over het algemeen positief gestemd over krakers. Iedereen had last van de woningnood en dat wij oude , in onbruik geraakte, panden bezetten vond men wel een goed idee. Maar die massale oproer op Koninginnedag 1980 had het imago van de krakers weinig goed gedaan. Toen de CP tegen de buitenlanders begon te ageren hadden de krakers duidelijk partij tegen het fascistoïde gedachtegoed genomen.  De straatjeugd was destijds nog roomblank;  buitenlandse jeugd had je nog niet. De gezinsherenigingen waren nog maar net op gang gekomen en het besef dat buitenlanders hier niet slechts tijdelijk zouden blijven, begon nog maar net door te dringen. Het gewauwel dat die buitenlanders de oorzaak van de grote werkloosheid waren ging er bij dit soort gasten in als koek.

Ik was in ieder geval opgelucht dat het allemaal wel mee leek te vallen en wilde eigenlijk liever meteen weer naar huis. Maar Scherf stond erop dat we bij het pand gingen aanbellen om te kijken of alles in orde was. Met zware tegenzin liep ik mee. Ik had het stervenskoud en verlangde naar mijn bed. Maar misschien hadden ze nog wat te drinken bij die gasten, en dit kon nooit lang duren.

We liepen het plein voor de zekerheid niet over, maar namen een omweg langs de huizen. De groep feestgangers op het plein was niet buitengewoon groot; ik schatte dat hij nog uit een mannetje of dertig bestond. Maar dat waren er nog altijd genoeg om voorzichtig te blijven. We liepen zo onopvallend mogelijk in de richting van het pand. Ik zag er nog steeds geen teken van leven. Regelmatig knalden er nog strijkers en ander zwaar vuurwerk op het plein en gingen er vuurpijlen de lucht in. Het was alsof elke knal op ons gericht was, en het leek een eeuwigheid te duren voordat we het pand eindelijk bereikt hadden. Ik keek nog even om naar het vuur en de feestgangers toen we eindelijk voor de deur stonden, terwijl Scherf de vier treden van het portiek op klom om aan te bellen. De situatie op het plein was niet veranderd. Door de gloed van het vuur zag ik de silhouetten van een stuk of tien stomdronken buurtbewoners die rotjes in het vuur aan het gooien waren onderwijl restjes champagne of bier rechtstreeks uit de fles drinkend.

Er hing een trekbel naast de deur; letterlijk. Een stuk touw van ongeveer een meter waar de trekknop nog aan hing. De bel was overduidelijk met veel geweld gesaboteerd want het touw hing er lam bij en er zat een gat naast de deur waar de stang van de bel ooit ingemetseld was geweest.. Er zat een grote brandvlek op de deur en er lagen overdreven veel rode papieren overblijfselen van rotjes op de stoep voor het pand. Er waren nog meer sporen van geweld op de voordeur van het pand aanwezig. Alsof iemand met een bijl de deur had bewerkt. Scherf probeerde of hij de bel nog kon laten rinkelen en dat lukte wonderwel; de bel zat nog aan het touw en was te groot om door het gat naast de deur naar buiten getrokken te worden. Ik hield intussen het plein in de gaten en opeens zag ik beweging; een hele hoop beweging. Een grote groep jongeren kwam joelend vanaf de eerste Pijnackerstraat het plein oprennen. Heel even dacht ik dat het plein door een rivaliserende bende werd aangevallen, maar die gasten werden met gejuich begroet. De meeste nieuwkomers sleepten kerstbomen met zich mee. “Kut; de kerstbomenjacht”, kreunde ik zachtjes.

Morgen het derde en laatste deel.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek. Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Het ruwe materiaal van mijn boek beslaat nu ruim 100.000 woorden waarvan bijna de helft geschrapt moet worden. Schrappen is echter moeilijker dan schrijven….

Onderstaand verhaal komt in ongeveer zes delen op mijn blog.

Oud en nieuw 1982

Ik had vanaf begin december het rijk alleen gekregen op de zolder. Scherf was dan eindelijk naar de een etage beneden verhuisd waar Peter en Marijke hadden gewoond. Die waren naar Delfshaven vertrokken, waar ze een zeefdrukkerij over hadden genomen. Het was best leuk geweest om de zolder te delen, maar na twee maanden op elkaars lip te hebben gezeten waren we allebei blij dat we wat meer ruimte voor onszelf hadden. Ik vond het vooral fijn dat ik de zolder nu naar eigen believen in kon gaan richten. Er was op de zolder geen plaats geweest voor mijn eigen spullen die voor het grootste gedeelte nog bij mijn ouders stonden, verspreid over twee adressen aangezien mijn ouders gescheiden waren. Bij mijn moeder stond mijn platencollectie, mijn pick-up en een geluidsinstallatie. In de kamer die ik in mijn moeders huis bewoonde lagen een soort rubberen noppentegels op de vloer. Die waren heel fijn omdat spuitbus verf er niet aan hechtte, maar  ze waren te zwaar om in de Braadworst twee trappen op te sjouwen. Ik zag mezelf op die kleine zolder, onder die schuine daken die het vloeroppervlak van de kamer nog kleiner maakte dan hij al was, ook niet vrolijk jassen en T-shirts staan spuiten. Daarbij lag er op mijn zolder al tapijt op de vloer, en dat was maar goed ook, want het was er al koud genoeg. In overleg met mijn moeder besloot ik de tegels bij haar te laten liggen totdat ik een grotere kamer in het pand kon krijgen of ergens anders ging wonen. En ik wilde me ook op andere technieken dan spuitmallen gaan richten.  Ik was erg onder de indruk van het vakmanschap van Peter geweest wat betreft zeefdrukken en ik had me ingeschreven voor een cursus zeefdrukken bij de SKVR. Met zeefdrukken kon je betere resultaten bereiken dan met spuiten. En bijkomend voordeel was dat je geen letters hoefde uit te snijden; daar was ik gewoon niet goed in. Secure werkjes zijn niks voor mij. Ik kan niet tegen priegelen.

De rest van mijn spullen stonden bij mijn vader. Het belangrijkste was mijn bandrecorder, een enorme Grundig waar je aparte sporen mee op kon nemen. Twee sporen slechts maar die kon je met behulp van een andere recorder weer samen voegen en zo kon je in principe eindeloos sporen toevoegen.  Ik had  helaas geen tweede recorder, maar ik kon wel opnames met stereobeeld maken. Op de zolder van het aangrenzende pand, waar Skoeter ooit gewoond had, zouden Scherf en ik een oefenruimte gaan bouwen. We zaten allebei in een band, overigens niet dezelfde, want ik speelde met Kikker, Gino en twee andere maten van school in een band die we Persona Non Grata hadden gedoopt. Persona Non Grata leek in het begin veel op de Rondos en Crass. Scherf was gitarist van Formaline K. Formaline K leek qua sound sterk op Discharge. Discharge was onze favoriete band. Waar Crass teksten van honderden regels voor nodig had kon Discharge het in 5 woorden: ‘free speech for the dumb’. Toen ik die Discharge LP grijs draaide op de kamer bij mijn moeder vroeg Paul, haar toenmalige vriend, eens naar die teringherrie die ik elke dag na thuiskomst van school zo loeihard draaide. Niet dat hij daar last van had, want ik draaide bij gebrek aan speakers met een koptelefoon op. Mijn speakers stonden bij mijn vader, want daar kon ik zo hard draaien als ik wilde. Maar ik had nogal de neiging om met de muziek mee te zingen. Vandaar dat hij vroeg wat ik nou zo staccato de hele dag aan het zingen was. Wel; free speech for the dumb dus. Hij lachte schamper en zei dat als punkers het vrije woord als iets voor de dommen beschouwden het een nog stommere beweging was dan hij al dacht. Ik liet hem maar in zijn waan. Die kut PvdA’er wist niet eens dat dumb stom betekent en niet dom. Het vrije woord voor de stommen.

Mijn moeder reed op een zaterdagmorgen door de besneeuwde stad, met mijn installatie in de achterbak van haar huis naar dat van mijn vader waar ik mijn bandrecorder en boxen ophaalde om daarna door te rijden naar de Braadworst. Ik werd bij mijn oude kamer bij mijn vader aangekomen even bedolven door droefenis. Dit was bijna 15 jaar mijn heiligdom geweest. De laatste drie jaar had de kamer een metamorfose ondergaan. Op mijn 12e werd ik gegrepen door het bouwmodellen virus. Mijn kamer werd een klein museum geweid aan de tweede wereldoorlog, met in alle hoeken diorama’s met bouwmodellen van tanks en soldaten die zo realistisch mogelijk geverfd en in een omgeving vol uitgebrande huizen en andere vernietiging neergezet waren. En  vliegtuigen in verschillende schalen, die aan het plafond aan touwtjes hingen. Op mijn 15e was dat alles plotsklaps voorbij want toen nam een nog sterker virus bezit van mijn hersenpan. Mijn kamer veranderde daarop in een museum voor het pamflettisme. De bouwmodellen maakten plaats voor  posters tegen oorlog en fascisme. Die posters waren nu allemaal netjes door mijn vader van de muur verwijderd en stonden op de gang in een grote tekenmap; klaar om verhuisd te worden. Mijn bandrecorder en  boxen stonden erbij en drie dozen vol kleding. De kamer was een paar weken eerder door de dochter van mijn vaders nieuwe vrouw ingepikt. Verder dan een blik om de deur kwam ik niet. Een golf van gal spoelde door mijn mond door de aanblik van wat eens mijn kamer was geweest. Mijn kamer; de plaats die me 15 jaar lang rust en een veilige plek had geboden, waar mijn ouders vanaf mijn 10e geen voet meer binnen hadden mogen zetten, waar ik voodoo rituelen uitgevoerd had op poppetjes die leraren en vijandelijk gezinde medeleerlingen moesten voorstellen, waar ik voor het eerst never mind the bollocks en disturbing domestic peace had beluisterd, waar ik voor de eerste keer met een vriendinnetje had gevreeën, waar ik voor het eerst mijn haar en T-shirts had geverfd. Die kamer hing nu vol met posters van Coca Cola. Ik heb nooit een ergere heiligschennis moeten aanschouwen. Het was alsof de muren met me mee moesten huilen.

Op mijn geluidsinstallatie na had ik voor de rest eigenlijk niet veel. Ik nam een matras, een dekbed, een kussen en mijn kleding mee. Scherf had een butagaskachel en een gasstel achtergelaten en mijn moeder gaf me nog wat oude pannen en serviesgoed; belachelijk veel serviesgoed. Alsof ik op mijn zolder dinertjes voor 6 personen zou gaan geven.

Wat ik voor de rest nog nodig had zou ik nog wel op straat vinden. Wanneer je in het voorjaar door de wat chiquere delen van de stad reed kon je op straat in een dag een complete huisraad bij elkaar scharrelen. Dan vond traditioneel de voorjaarschoonmaak plaats en werd alle huisraad die niet meer voldeed aan het heersende modebeeld aan de vuilnisman meegegeven. Het was een kwestie van met een bakfiets door Kralingen en Hillegersberg cruisen en dan kon je alles van je gading inladen.  Destijds werden er vooral van die jaren zeventig meubelen weggegooid; vooral bruine bankstellen, die uit grote kussens bestonden en die je tot een bed uit kon klappen, waren nu niet meer populair. Het was alleen zaak om eerst goed aan ze te ruiken en te checken of ze niet onder de katten of hondenpis zaten. Als ik de kat van een stel kakkers was geweest had ik van weeromstuit ook de hele zooi ondergezeken. De mensen van de absurde overvloed. Je kon ruimschoots van hun restjes leven.

Het half jaar dat ik had moeten wachten voordat mijn uitkering in ging was ook eindelijk voorbij. Ik hoefde nu niet meer te leven van de bijdrage die mijn ouders aan me gaven; ik had sinds begin september, toen ik bij Scherf introk, maar 200 gulden per maand te besteden gehad. Omdat ik samen met Scherf had gewoond en we alle kosten hadden gedeeld was ik daar net mee uitgekomen. En nee; het idee om een baan te gaan zoeken was geen moment bij me opgekomen. Ik was 18 jaar slaaf van het schoolsysteem geweest. No more! Ik had me voorgenomen nooit en te nimmer voor een baas gaan werken. Ik had niet zozeer een probleem met werken, hoor. Maar wel met bazen. Fuck ‘m. Ik vertikte het om ergens vakken te gaan vullen. Er waren miljoenen jongeren op zoek naar een baan; welke baan dan ook. Anderen waren misschien blij met wat voor baan dan ook. Ik niet. Ik wist dat ik zonder kon, overleven was makkelijk als je al die consumptietroep links liet liggen. Wat je nodig had kon je gratis vinden of heel goedkoop aanschaffen. Kleding, huisvesting en meubels kon je met wat improvisatietalent bij elkaar scharrelen.  Het enige twee zaken die je moest kopen was voedsel voor het lijf; dat haalde je bij de supermarkt. En voedsel voor het brein; dat haalde je bij Haddock (legendarische platenzaak op de van Oldenbarneveldstraat) en de dealer om de hoek.

Scherf betaalde, net als iedereen in de vier naast elkaar gelegen kraakpanden, voor de stroom. Dat kostte niet veel; er woonden zoveel mensen in de panden die de rekeningen samen deelden dat we 25 gulden per persoon kwijt waren.  Er zat geen gasaansluiting op de zolder. Dat betekende dat ik butagas moest stoken en om de twee weken naar de Bergweg moest om een nieuwe gasfles te scoren. De lege fles wegbrengen was nog te doen, maar een volle fles was echt loodzwaar. Met die fles in je klauwen kon je hooguit twintig passen maken voordat je bijna door je rug ging en hem neer moest zetten. Het voelde ook net alsof je met een vliegtuigbom van 50 kilo door de straat aan het sjouwen was. Het idee dat de inhoud van de fles ontplofbaar was maakte dat karweitje nog onaangenamer. Maar zonder verwarming was die zolder onleefbaar. Met die butagaskachel was het trouwens ook al nauwelijks te doen. Soms zat ik met een deken om de kachel geslagen warm te worden. Uit bed komen was in de wintermaanden een enorme opgave. Ik kon vanuit mijn bed door een smalle spleet vlak boven de dakgoot naar buiten kijken en zag ijspegels hangen. Het gekke was dat ik dat alles toen gewoon accepteerde. Het huis zou sowieso binnen een jaar of twee afgebroken worden, maar dat had me dat er niet van moeten weerhouden om provisorische verbeteringen aan te brengen. Maar in het begin was alles gewoon spannend en kwam het niet eens in je op om iets tegen de elementen uit te voeren. Het was juist een uitdaging om alle nieuwe ontberingen op je pad het hoofd proberen te bieden. Je had toch geen geld, en wat je had ging op aan belangrijkere zaken.

Het eerste wat ik van mijn eerste uitkering aanschafte was een TV. Ik kreeg vanaf nu 685 gulden per maand van de soos. Ik kocht voor 100 gulden een tweedehands kleurenbak bij Corrupt; die zaak heette eigenlijk Correct, maar niemand noemde het zo. Mijn vader had nooit een kleuren TV gehad, maar die had dan ook meer principes dan ik. De TV was bijna even zwaar als een gasfles en had geen handvatten. Ik was rechtstreeks vanaf de sociale dienst waar ik een voorschot van 250 gulden had gekregen naar Corrupt gelopen en had er niet bij stilgestaan dat die driehonderd meter die ik met die TV in mijn klauwen naar huis moest lopen zo’n opgave zou zijn. Dat ding was dan ook enorm. Hij was bijna een meter in het vierkant en gleed na ongeveer vijf passen al bijna uit mijn handen. Ik kreeg opeens spijt dat ik niet op het aanbod de TV thuis te laten bezorgen was ingegaan. Vijfentwintig gulden bezorgkosten vond ik wat overdreven voor die driehonderd meter, maar als die TV uit mijn handen zou pleuren zou ik voor niks 100 gulden hebben uitgegeven. Er zat geen garantie op die tweedehands spullen bij Corrupt. Gelukkig kwamen er een paar punks uit het pand op het Pijnackerplein aanlopen die de TV van me overnamen en hem tot in mijn kamer sjouwden. Ik voelde me een beetje opgelaten omdat ik zelf niet meer hoefde te tillen. Maar ze waren met zijn vieren en namen twee aan twee beurtelings de TV over. Ze sloegen zelfs mijn aanbod af om wat bier te gaan kopen en vertrokken meteen. Vriendelijke lui. Typische jonge punks die, net als ik, net bij hun ouders weg waren. The new breed. Ik nam me voor ze snel eens in hun pand op te gaan zoeken.

Lees deel 2 hier

Onderweg naar huis moest ik vreselijk mijn best doen om Kikker bij te houden. Dat wist hij ook wel, en om te plagen zette hij er flink de pas in. Twee straten verder voelde ik al een enorme spierpijn in mijn kuiten trekken, maar ik hield er dapper de pas in. Kikker grapte dat ik voortaan op moest passen met over de kade van de maas te lopen. Als ik met deze schoenen aan in de plomp zou pleuren, dan zou ik zinken als een baksteen.

Mijn benen werden in ieder geval een stuk sterker door het gewicht van mijn schoenen. Hardlopen zat er natuurlijk niet in, maar ik oefende wel veel met schoppen. Eén goed geplaatste trap met deze boots was voldoende om een scheenbeen te versplinteren, maar ik mikte liever op het kruis. Als ik iemand daar met deze kisten raakte zou hij gegarandeerd kinderloos blijven.

Ik heb die brandweerlaarzen uiteindelijk een half jaar gedragen. Toen ik ze kocht waren ze al in een erbarmelijke staat; beschimmeld en met scheurtjes in het leer. Omdat ze wit waren was het niet mogelijk ze te smeren. Ik had achteraf bekeken natuurlijk witte schoensmeer kunnen kopen, maar ik wist destijds niet eens dat het spul in een andere kleur dan zwart of bruin bestond. Het had toch ook niet tegen die scheurtjes in het leer geholpen. Ik heb ze wel nog geverfd met witte menie, maar dat zal de levensduur ook niet verlengd hebben. De kappen met de gespen waren ideaal om logo’s op te schilderen. Ik kladde op de linker de drie anti nazi pijlen van het ‘Destroy Fascism logo en op de rechter een Dead Kennedys logo. Later heb ik die kappen eraf gehaald en nog een tijd als armband gedragen. Aan de bovenarm wel te verstaan.

Toen kwam de dag dat ik afscheid moest nemen van mijn brandweerlaarzen. Ik zat in de klas te blokken op een onverwachte schriftelijke overhoring toe het onvermijdelijke gebeurde. Ik had de veters van de schoenen die morgen extra hard aangetrokken in de hoop dat de schoenen dan wat comfortabeler zouden zitten. Het was zomer en het was eigenlijk te warm om twee paar sokken te dragen. Twee paar sokken zorgden er echter voor dat de schoenen nog een beetje aan mijn voeten pasten. Mijn voeten waren lang en smal en de laarzen waren veel te breed. Maar nu ik de veters strak aan had getrokken werd mijn bloedsomloop gestremd. Ik moest mijn voeten blijven bewegen omdat ze anders gingen tintelen en in slaap vielen. Op een gegeven moment kromde ik mijn tenen in mijn rechterschoen met enige kracht en schoot de zool van de schoen los waardoor de stalen neus omhoog wipte. De rest van de dag moest ik enigszins met mijn rechtervoet slepen om te voorkomen dan mijn klasgenoten op zouden merken dat mijn laars kapot was. Knieblessure mompelde ik als iemand vroeg waarom ik zo moeilijk liep.  Tot overmaat van ramp had een of andere kankerjunk mijn fiets gejat. Ik had geen geld voor een tramkaart dus liep ik na schooltijd naar huis via de ’s Gravendijkwal. Zonder aan de kapotte schoen te denken trok ik, zo goed en kwaad als dat met die zware stappers ging, een sprintje om het stoplicht over de Middelandsstraat te halen. Ik voelde toen dat de zool nog verder los scheurde. Ik bukte om de schade te bekijken, nadat ik de overkant van het zebrapad gehaald had, en zag de stalen neus me vanuit de scheur toe glimmen. Vloekend bedacht ik me dat ik thuis geen ander paar schoenen meer had. Ik had twee weken eerder toegestaan dat mijn moeder mijn oude kisten had weggegooid, omdat die te erg naar schimmel stonken. Nu moest straks nog mijn moeder erop uit gaan sturen om nieuwe schoenen voor me te kopen. Met een beetje pech zou die bij Mc Gregor of een andere kakwinkel gaan shoppen, en moest ik weer smoezen gaan bedenken waarom ik die nieuwe schoenen niet wilde dragen. Alleen al de gedachte ‘normale’ kutschoenen één keer aan te moeten, op weg naar de dump voor een paar nieuwe kisten, was al onverdraaglijk. Met een humeur ver beneden het vriespunt liep ik verder. Er lag een leeg blikje fris op straat en uit pure nijd gaf ik het een harde trap. De stalen neus schoot uit mijn rechterschoen en maakte een prachtige curve naar rechts: een curve die de best getrainde voetballers jaloers zou hebben gemaakt. Daarop knalde hij, luid rinkelend, dwars door een kelderraam. Ik was een ogenblik volledig van mijn à propos. Een paar seconden later keek ik voorzichtig om me heen. Het was onnatuurlijk stil op straat voor deze tijd van de dag. Vanuit een voorbijrijdende auto zag ik verbaasde gezichten, maar de auto stopte niet. Uiteindelijk liep ik zachtjes fluitend, alsof er niks aan de hand was, naar huis. Mijn rechtervoet klapperde met elke stap. Iedereen die merkte dat de neus mijn schoen, als een soort pac-man, happende bewegingen maakte kreeg een blik van me alsof de happende schoen zo bedoeld was. “Kijk voor je schele; nog nooit de nieuwste punklook gezien ofzo?”

Lees deel 1 hier

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven.

Het is alweer een tijdje gekleden dat ik materiaal uit mijn boek online heb gezet, maar ik ben weer aan het redigeren en er valt weer veel materiaal af.

Brandweerkisten

Geverfde haren, jacks met bandnamen en slogans, T-shirts en broeken, waar meestal ook bandnamen op geklad waren en die natuurlijk gescheurd en met veiligheidsspelden weer een aan elkaar gezet waren bepaalden de punklook. Maar er was nóg een belangrijke accessoire; de schoenen. Alle punks droegen soldatenschoeisel; kisten noemden we die: dat was ook de gangbare legerterm voor deze hoge schoenen. Maar ook in je keus van kisten wilde je de individuele smaak benadrukken. Begin jaren tachtig waren er nog overal in het land legerdumps te vinden, waar spullen verkocht werden die echt uit de tweede wereldoorlog afkomstig waren. De Amerikanen, Engelsen en Canadezen hadden enorme voorraden legermateriaal achtergelaten, zoveel dat het tot ongeveer halverwege de jaren tachtig heeft geduurd voordat alles ofwel doorverkocht was, of intussen zo verschimmeld raakte dat het weggegooid werd. De dumps die je tegenwoordig ziet zijn de naam eigenlijk niet waard. Defensie verkoopt geen oud materiaal meer aan tussenhandelaren; zelfs geen uniformen. Wat er met tweedehands uniformen gebeurd weet ik niet. Waarschijnlijk worden die, net als afgedankte wapens, aan derdewereldlanden verkocht. Tegenwoordig kopen dumps de uniformen gewoon nieuw in; de fabrieken die ze maken hebben daarmee waarschijnlijk een nieuw afzetgebied ontdekt. Zoals alle fabrieken die in wapens of andere leger accessoires handelen; die industrie groeit nog steeds al is de koude oorlog allang voorbij. Na het einde van de koude oorlog kwamen er geen enorme partijen afgedankt materiaal op de markt. Dat geeft te denken; waarschijnlijk betekent het dat legers sinds die tijd niet zijn afgeslankt. We zijn hier alleen op een beroepsleger overgestapt. Dat is wel een goede zaak, want de dienstplicht zoog enorm. Al ben ik wel voor de invoering van sociale dienstplicht voor jongens én meisjes. Maar ik hoef dan ook zelf geen bejaarden meer te gaan wassen…

Ik ging destijds regelmatig bij legerdumps spullen kopen. Dat deed ik trouwens ook al voordat ik punk werd, want ik was gek op legerspullen. Ik had een Engelse helm thuis en munitiegordels en was driftig op zoek naar een echte patroonband, maar die kon ik helaas nergens vinden. Later bleek dat die dingen verboden waren, want zelfs van afgeschoten hulzen zou je weer scherpe munitie kunnen maken. Weliswaar met veel meer moeite dan het kost om echte kogels te scoren.

Maar op een mooie herfstdag aan het begin van mijn laatste schooljaar, in 1982, werd het tijd om een nieuw paar kisten te gaan kopen. Kisten uit de tweede wereldoorlog gingen over het algemeen niet lang mee. Vooral niet als je ze niet poetste of anderszins verzorgde, en dat deden we meestal niet. We dachten toen niet eens aan de voordelen van schoensmeer. Dat kwam later pas, toen veel punks in navolging van skinheads op Dr. Martens overstapten. Die schoenen vroegen en kregen de verzorging die ze nodig hadden, maar je deed geen moeite voor die half beschimmelde kisten, die je bijna druipend van het vet dat ze moest conserveren, bij de dump kreeg.

Ik ging die dag samen met Kikker naar de dump. We waren allebei op zoek naar iets speciaal en dat vonden we. Kikker wist eigenlijk al wat hij wilde; geen kisten maar laarzen. Voor hem geen gedoe met veters strikken. De gedachte dat je, bij onheil, ook midden in de nacht, binnen een paar seconden een paar laarzen aan kon trekken stond hem aan. Ik kon daar wel in mee gaan. We woonden toen nog bij onze ouders, maar we hadden al vaker in kraakpanden overnacht, en daar loerde het gevaar van knokploegen, Centrum Partij’ers en ander, vaak denkbeeldig, tuig. Maar dat hij een paar moffenlaarzen uit zou kiezen was wel een beetje een verrassing voor me. Achteraf waren de Duitsers en de Russen eigenlijk de enigen die laarzen gebruikten in de oorlog. De Russen waren niet tot hier gekomen en hadden dus ook geen materiaal achtergelaten. Dat was achteraf wel jammer want alleen de gedachte al aan Russische emblemen met hamer en sikkel was geil. Daar kreeg je mensen makkelijker mee op de kast dan Anarchisten A’s op je jas. Geen hond wist wat die betekenden.

Moffenlaarzen waren niets voor mij. Ik vond Kikkers keuze cool, maar ik zou nooit en te nimmer iets dragen dat aan Nazi’s refereerde. Ik had een schijthekel aan Nazi’s, altijd al gehad. Ik denk dat mijn vader ook half dood zou gaan als ik met moffenlaarzen thuis zou komen. Alleen al het geluid van de houten zolen onder die dingen zou een vloed ongewenste herinneringen bij hem naar boven kunnen brengen. En ik dacht niet alleen aan de tweede wereldoorlog als het om Nazi’s gaat. Bij mij kwamen ook referenties met Zuid Amerika naar boven; naar de dictaturen in Chili en Argentinië. Ik was opgegroeid met de actieposters over dat soort gruwelijkheden en de paranoia van mijn vader over dictaturen zit er ook bij mij diep ingebakken.

Dus ik zocht verder en opeens zag ik ze staan; een paar enorme witte kisten. Ik tilde ze op en ze waren verschrikkelijk zwaar. Later die dag heb ik ze op de weegschaal gezet en bleken ze tweeënhalve kilo per stuk te wegen. Vijf kilo schoenen aan je voeten! Ik woog in die tijd nog geen zeventig kilo met mijn 1.82 meter, dus vijf kilo extra gewicht was heftig. Deze kisten bestonden eigenlijk uit een lage schoen met daarboven een leren kap die je met twee gespen om je onderbenen moest vastmaken. Ze waren dus niet helemaal tot bovenaan geveterd, dat was een voordeel want dat betekende dat je ze in theorie met een goede ruk de veters in één keer aan kon halen, en dat scheelde enorm in de tijd die je nodig had om ze aan te trekken. Daarbij waren ze nog eens afgezet met dikke leren kussens, die de enkelgewrichten moesten beschermen. Al met al waren ze enorm. Werkelijk alles aan deze kisten was groot. Van het profiel onder de laarzen, die ruim drie centimeter dik waren, tot de enorme neuzen van twee centimeter dik plaatstaal. Ik vroeg aan de uitbater van de dump wat het voor kisten waren en hij vertelde me dat ze van de brandweer afkomstig waren. Dat was logisch; de dikke zolen waren vuurvast en moesten ervoor zorgen dat je ook stevig op natte oppervlakken stond, de stalen neuzen waren extra zwaar uitgevoerd als bescherming tegen vallende balken uit brandende plafonds. Daarom zaten die leren kussens ook op de buitenkant van de enkels. De lip van de schoenen was extra breed en zat over de hele lengte aan de binnenkant van de schoen vastgenaaid zodat de schoen volledig waterdicht was. En toen ik me realiseerde hoe goed deze kisten zich in de pit bij het pogoën zouden houden was ik overtuigd; dit moesten ze worden. Ik koos mijn maat en trok de schoenen aan. De tien passen die ik naar de kassa van de dump moesten maken deden me echter al meteen twijfelen. Deze kisten waren wel héél erg zwaar. Ik liep bijna zoals Frankenstein. Elke pas voorwaarts moest ik met een ruk aan mijn benen inzetten. Ik zag Kikker al meteen in een deuk liggen, maar ik liet me niet kennen. Ik zou best wennen aan de zwaarte van deze schoenen. De voordelen wogen op tegen een klein nadeel als tweeënhalve kilo per stuk.

Lees Deel 2 hier

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Punk in Krasnapolsky (deel 3)

De band begon te spelen en ook muzikaal ontmaskerden ze zichzelf onmiddellijk als neppers. De muziek had werkelijks niets met punk te maken. Maar ook new wavers zouden beledigd zijn geweest als men ze beschuldigd had dat ze van deze obligate popwave zouden houden. Ik verstond niks van de teksten en dat was waarschijnlijk maar goed ook. Tussen de nummers door probeerde de zanger ons uit te leggen hoe hij tot de heer was gekomen en hoe zijn leven daardoor in positieve zin veranderd was. Elke keer als hij ‘Jesus loves you ‘scandeerde riepen Scherf en ik ’burn in hell’ terug. Als je bekend bent met het oeuvre van Bad Religion weet je waar onze woorden vandaan kwamen.  Al die voor de hand liggende onzin over drugsgebruik, liefdeloze sex en dat hij zich zo verloren had gevoeld.  Ik zou zeggen; blijf van de smack af, leer een echt leuk meisje kennen om mee te neuken en zoek nieuwe vrienden die iets meer niveau en intelligentie bezitten dan de gemiddelde hillbilly. Verder hadden we al dat gemekker eens eerder gehoord en met meer overtuiging gebracht.  De op zondagen met wachttorens flanerende Jehova’s getuigen waren zelfs nog beter in bekeren dan deze Amerikaanse jerk-offs.

Je kon nog beter van country houden dan van de shit die deze gasten maakten. Er begonnen al wat punks af te haken. Ze hielden deze avond voor gezien; we hadden toch wel een iets grotere krachtsinspanning verwacht van die christenen. Waarschijnlijk moest er snel wat van het door collectes binnengestroomde geld goed zichtbaar uitgegeven worden zodat het niet teveel op ging vallen dat er enorme bedragen aan de strijkstok bleven hangen. Heavy was een groot fan van Zappa en hij barste in een zangstuk uit. ‘He’s got twenty million dollars in his heavenly bank account, all from those chumps who was born again, oh yeah, oh yeah’. Ik viel samen met Scherf in bij het oh yeah want we kenden dat nummer wel. De sfeer werd steeds meliger. Maar toen gebeurde er iets op het podium dat de hele zaal met stomheid sloeg. Tussen twee nummers door kwam een gozer het podium op die in een apenpak gekleed was. Ik bedoel hier niet de spreekwoordelijke monkey suit dat the Plasmatics gebruikten om een zakenmannenpak te omschrijven. Hij kwam echt als King Kong verkleed op handen en voeten dansend het podium op. Vervolgens vroeg de zanger of we nu werkelijk geloofden dat wij mensen dáárvan afstamden. We wisten echt niet meer hoe we het hadden. Zelfs de meest verstokte EO ‘ers in ons land haalden het niet in hun hoofd om de evolutieleer op deze manier te ontkennen. Die zagen in de evolutie gewoon een plan van God. Maar deze lui namen de bijbel echt letterlijk. Hoe ongelofelijk achterlijk kan je zijn? Welke door inteelt voortgekomen, volledig van de pot gerukte, schijtmongool had het idee opgevat dat een aanval op de evolutieleer een zaal vol punkers tot het geloof zou kunnen brengen? Het publiek lieten zich hierdoor maar heel eventjes van hun stuk brengen. Daarna  begon al het de zaal in gesmokkelde glaswerk richting podium te vliegen. De band dook onder een regen van lege, maar ook volle, flessen de coulissen in. Achter in de zaal begon iemand ‘God is Dead’ te scanderen en al gauw namen we dat allemaal over terwijl het richting het podium glaswerk bleef regenen. Ik hield de deuren naar de andere gedeelten van het hotel en de uitgangen in de gaten. Het had me niet verbaasd als deze sekte ons geweld met de inzet van een knokploeg zou beantwoorden. Maar er gebeurde weer iets totaal onverwachts. Een deur achterin de zaal opende zich en enkele tientallen jonge meisjes die allemaal in lange witte kerkkoor gewaden gekleed waren stroomden de zaal binnen en renden op ons af. Een van die meisjes benaderde ons groepje. Ik zag tranen over haar wangen biggelen. Ze greep Scherf bij zijn hand en riep smekend ‘let me pray for you!’ Iedereen die deze meisjes zag verstomde op slag. Dit was een mindfuck van ongekende proporties. We waren helemaal van ons a propos gebracht door deze actie. Mijn agressie sloeg in een tel om tot intens medelijden met deze engelachtige wezentjes.  Wie had deze vrouwen zo gehersenspoeld? Deze mensen kwamen van een andere planeet. Al gauw probeerden overal om ons heen punkers discussies met de jezusmeisjes aan te gaan. Er was op wat verbaal geweld na geen sprake van agressie, maar we probeerden de rollen om te draaien. Het was nu aan ons om zieltjes uit de klauwen van deze verspreiders van vals evangelie te bevrijden. Maar net zo goed als het geen zin had om te proberen punkers tot Jezus te brengen, had het weinig nut om jarenlang zwaar geïndoctrineerde christenmeisjes proberen het ware licht te laten zien.

Van ons groepje was het  Klaar die als eerste uit haar lethargie wakker werd. Ze omhelsde het jezusmeisje stevig terwijl ook bij haar de tranen begonnen te stromen. ‘Wake up, stupid, wake up!’ schreeuwde ze in het oor van het meisje. Nu was het de beurt van het jezusmeisje om helemaal flabbergasted te zijn. Heel even leek het erop dat het meisje inderdaad wakker begon te worden want ze keek Klaar aan en even leek het alsof haar ogen helder werden en er een waas uit verdween. We praatten vanaf dat moment met zijn vieren op haar in. Wij kwamen  echter ook niet verder dan clichés als ‘’There’s no God in heaven, so get off your knees, ‘Maybe there’s a God but can’t you see these people are lying to you and are using you for other purposes then spreading the Faith?’ en ‘we’re not Satan worshippers ; we’re just regular people’. Achteraf sloeg het natuurlijk nergens op, maar ook wij waren heel goed in staat om onze eigen gospel op een ineffectieve manier over te brengen.

Al gauw werd van beide kanten opgemerkt dat deze discussies niet tot het gewenste resultaat zouden leiden. Er kwamen meer witte wieven om ons heen fladderen en het meisje werd met zachte dwang uit Klaar haar armen bevrijd en door een soort christen akela mee de zaal uit getornd.

Hier botsten twee onverenigbare werelden op elkaar. Geen van beide stond open voor een middenweg. Waarschijnlijk hadden deze meisjes net zoveel medelijden met ons als wij met hen. Ik kon me in ieder geval moeilijk los maken van het beeld van het wanhopige huilende jezusmeisje. Maar ik kon me achteraf nog troosten met het idee dat dit meisje na haar laatste adem in het allesomvattende niets zou verdwijnen waar alle gedachten tot nul gereduceerd werden. Zij moest leven met het idee dat ze ons niet van de hel had weten te redden.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Je kon niet anders dan die reli-organisatie en het Krasnapolskyhotel nageven dat ze de avond goed georganiseerd hadden. Niets was aan het toeval overgelaten. De foyer waar de punkavond gehouden werd was werkelijk vandalismeproof. De zaal was volledig gestript; geen meubilair, geen barkrukken. Sterker nog; er was niet eens een bar. Verkoop van drank was geen prioriteit; vanavond moest de ziel begoten worden en niet de lever. Ik liet ons groepje even achter en liep een rondje door de foyer van Krasnapolsky waar het optreden plaats zou vinden. De enige luxe was de gladde marmeren vloer, maar die was dan ook zo goed als onverwoestbaar. Het podium was erg hoog en toen ik het aan een onderzoek onderwierp zag ik dat het waarschijnlijk speciaal voor deze avond verhoogd was. Men had ofwel flink wat research gedaan, of al de nodige ervaring opgedaan met het organiseren van bekeringsevenementen die op punks gericht waren.  Het leek erop of de organisatie wist dat punks podia beklimmen om stagedives te maken maar ook de neiging hebben om bands die muziek of statements maken die hen niet bevallen van het podium te vegen. Dit podium was bijna drie meter hoog, bijna onmogelijk te beklimmen en ronduit dodelijk om er vanaf te springen. Als je wilde zien wat er op het podium gebeurde, was je gedwongen enige afstand te nemen. De speakers van de p.a. waren voorzien van een grille. Zelfs een hagel van bakstenen zou deze speakers niet of nauwelijks kunnen deren. De deuren naar de rest van het hotel waren solide en hermetisch gesloten. Nu werd de foyer voor een groot gedeelte begrensd door een glazen pui, maar die was van kogelvrijglas. Er waren nog een paar nooduitgangen naar buiten die volgens de regels gemakkelijk te openen waren.  Ze hadden dus niet het domme idee opgevat om ons te dwingen de hele avond uit te zitten. Ik was benieuwd hoe ze onze aandacht vast zouden proberen te houden.

Maar ook de Amsterdamse punkscene was goed georganiseerd. Er was informatie ingewonnen over de organisatie achter dit evenement en die was op flyers gedrukt en werd onder het publiek verspreid.  De organisatie was een sektarisch gebeuren en een afsplitsing van Youth For Christ. Waarschijnlijk werd het nog altijd financieel ondersteund door hun grote broeder en was de afsplitsing vooral als dekmantel bedoeld. Ze stonden er wel om bekend dat ze kinderen uit niet religieuze families probeerden te bewegen van huis weg te lopen om ze vervolgens in de sekte op te nemen. Waar al die info vandaan kwam stond natuurlijk niet op de flyer, maar het gaf te denken. Helemaal ongevaarlijk waren deze lui zeker niet.

Het was te verwachten dat er geen alcohol in de zaal verkrijgbaar zou zijn dus er was voldoende drank en drugs door de aanwezigen mee de zaal in gesmokkeld. Alles werd broederlijk gedeeld. Ik kreeg een fles jonge klare doorgegeven, nam een slok en gaf hem met een grote grijns aan Klaar door, daarmee Scherf passerend. Ze kon de grap wel waarderen en diende me van repliek door vijf grote slokken naar achteren te klokken en de fles met een veelbetekenende blik weer aan me terug te geven. Ik deed mijn best om ook vijf slokken achterelkaar tot me te nemen. Dat lukte wel, maar ik kon daarna de eerste paar minuten geen woord meer uitbrengen . Brand! Gelukkig gaf Heavy me snikkend van het lachen een flesje bier waarmee ik kon blussen.

De sfeer werd een beetje balorig, al hield iedereen het verder opvallend netjes. Er werd dan ook erg goed door de organisatie opgepast dat we op geen enkele manier geprovoceerd werden. Er werd geen propaganda uitgedeeld. Er  kwam reggae uit de speakers, en dat waren we ook wel gewend. Ik had eigenlijk toch minstens een donderpreek vanaf het podium verwacht, maar niets van dat alles. Alle punks waren een beetje lacherig en bevangen door een soort plaatsvervangende schaamte.  Men ging er blijkbaar vanuit dat het optreden van de band voldoende zou zijn om onze zieltjes te winnen. Of dat het ons minstens tot nadenken over de geneugten van het geloof in den Heere aan zou zetten. Maar dat was iets dat zelfs de beste hardcore band ter wereld niet voor elkaar kreeg. Ik kan me in ieder geval niet herinneren in mijn tijd een punker tegengekomen te zijn die zich na een optreden van Bad Brains tot Rastafari liet bekeren. Veel later in de nineties gebeurde dat wel met fans van Shelter, die zich bij de Hare Krishna aansloten. Maar in mijn generatie was de afkeer van georganiseerde religie totaal. Veel van ons hadden ouders die nog altijd traditioneel gelovig waren, en dat zorgde natuurlijk voor de nodige problemen. Anderen, zoals ik, behoorden tot de eerste generatie die zonder geloof werd opgevoed en  wij hadden grootouders en andere familie die verschrikkelijk hun best deden om ons weer bij de kudde aan te laten sluiten. Dat zorgde altijd voor ellenlange discussies tijdens  familiefeesten en menige gespannen kerstavond. Die avonden liet ik daarom al een paar jaar aan me voorbij gaan. Ik werd te zwaar geagiteerd door religieuze discussies. Ik kon ook niet begrijpen dat gelovige mensen het zo belangrijk vonden om hun religie aan me op te dringen. Ik liet het wel uit mijn  hoofd om te proberen ze te overtuigen dat religie een leugen was en gaf toch ook geen preken over Anarchisme? Waarom konden die mensen dan niet hetzelfde respect voor mijn mening opbrengen?

Eindelijk ging het zaallicht uit en betrad de band het podium. De bandleden hadden duidelijk hun best gedaan om er ‘punk’ uit te zien maar je zag meteen dat er iets niet klopte. Ik had wel eens een stille bij een demonstratie gezien die een hanenkam had geschoren. Die gast had net zo goed een bord om zijn nek kunnen hangen waar politie op stond. De leden van deze band kon je ook op een kilometer afstand herkennen als neppunks. De gitarist had een kam, maar wist duidelijk niet hoe je die het best omhoog moest zetten. Er was verwoed geprobeerd om het haar zodanig  te touperen dat het omhoog bleef staan en daarna hadden ze er nog gel in gesmeerd. Beginnersfoutje zullen we maar zeggen. Het was overduidelijk dat die jongen kortgeleden nog lang haar had gehad. Hij had echter wel grote tattoos van kruisen op beide bovenarmen. Ik kende christenen die beweerden dat je de toegang tot de hemel ontzegd zou worden als je het canvas dat je van God gekregen had op deze manier versierde. Dat zou een mooie scene kunnen worden na zijn dood. Je zou bijna gaan hopen dat zijn ballotage bij de hemelpoort ooit echt plaats zou gaan vinden. De zanger was een fatso met geblondeerd kort haar. Hij was wat overdreven zenuwachtig voor iemand die geloofd dat hij door God wordt bijgestaan. Hij durfde de zaal niet eens in te kijken. De drummer zag eruit alsof hij een paar dagen eerder nog met de Hells Angels had meegereden; een enorme gespierde biker . Verder stonden er nog een bassist en een toetsenist vooraan. De eerste geluiden uit het keyboard beloofden niet veel goeds wat de kwaliteit van de muziek betreft. Er kwamen van die typische hoge commerciële new wave geluidjes uit.  Met new wave bedoel ik hier van die synthpop ala Kim  Wylde. Het soort muziek waar de hardcorebeweging uit de USA zich het hardst tegen afzette. In Europa was die zwaar verwaterde valse wave gelukkig absoluut niet populair, maar in de States werden ze er mee doodgegooid. Ik kreeg echt medelijden met deze lui en hun mission impossible om ons te bekeren. Maar wat er na een paar songs op het podium stond te gebeuren deed dat medelijden omslaan naar onverholen vijandschap.

What’s wrong with this picture? Maar het stond toch echt op die flyer, die we nota bene op de Kalverstraat door een lieftallig uitziend meisje (geen punk), in onze handen geduwd kregen. We wilden haar vragen hoe het precies zat, maar ze was alweer in de mensenmassa verdwenen. Punkavond in Krasnapolsky; dat klonk net zo onwaarschijnlijk als The Sex Pistols spelen op Paleis Soestdijk of The Damned live in het Vaticaan. Er stond een band uit de USA op de flyer aangekondigd waar we nog nooit van hadden gehoord: No Label. Verder geen enkele aanwijzing welke organisatie hierachter zat. Maar er stond wel in grote letters op vermeld dat de entree gratis was. Onze nieuwsgierigheid was gewekt, vooral omdat we benieuwd waren welke organisatie zoveel macht en poen had om Krasnapolsky af te kunnen huren. Ik bedoel maar; ze zouden nog niet voor een miljoen de zaal aan iemand zoals ik verhuren, dus wat kon een van de meest luxe hotels in Amsterdam zover hebben gekregen een punkavond te organiseren. Scherf schoot natuurlijk direct in de paranoia-modus en opperde dat de BVD erachter zou kunnen zitten die alle punks ‘voor ordelijke verwijdering’ bij elkaar wilde krijgen. Of op zijn minst uit was op een mooie foto van ons allemaal. Zijn vriendin schopte hem tegen zijn scheenbeen en zei dat hij niet zo stom moest doen. Scherf had een Amsterdamse vriendin die Klaar heette. Zo te zien was ze nu al klaar met zijn para gedrag. Dat had ook nooit lang kunnen duren.

Scherf was, als een van de velen, naar Amsterdam verhuisd. De Rotterdamse punkscene liep in 1984 leeg. Rotterdam was officieel doodverklaard. Eksit en Kasee waren al een tijdje dicht. Daarvoor in de plaats was de Arena geopend, maar de programmering daar was veel te mainstream naar onze smaak. Die tent voelde niet als ‘onze’ plek. Daar kwam nog bij dat de renovatie van het oude Noorden gestalte begon te krijgen. De helft van de wijk stond in de steigers en de andere helft was afgebroken, om op de lege plekken nieuwbouw te laten verrijzen. De meeste krakers kregen een huurhuis of vertrokken naar Kralingen. Scherf had een paar maanden een gerenoveerde woning gehuurd, maar hij kon er niet aarden. Toen hij een Amsterdamse ontmoette, was de overstap snel gemaakt.

Als Rotterdammer had je een instinctieve afkeer van Amsterdam. Amsterdam was nep; het leek er soms op dat iedereen in de hele wereld die zich in zijn geboortestad niet helemaal op zijn plaats voelde uiteindelijk, voor korte of langere tijd, in Amsterdam terecht kwam. De stad was een verzamelplaats van freaks en losers. Dat had zijn voordelen en nadelen. Er was altijd wel wat te doen. Maar dat betekent ook dat je ‘het’ vaak mist, want je kiest al gauw voor het verkeerde feest waar het een doodsaaie boel is, om de volgende dag te horen dat je juist bij die ‘andere’ uitzinnige party aanwezig had moeten zijn. Je struikelde ook over het menselijk wrakhout van junkies en andere gedesillusioneerden die zich aan je vast proberen te zuigen om je mee naar beneden te trekken. Amsterdam was een doolhof waar je als Rotterdammer je altijd de pleuris zocht naar welk adres dan ook. Rotterdammers zijn gewend aan rechte straten en niet aan een grachtengordel die in cirkels om de stad ligt. Als je naar Paradiso ging volgde je altijd de sliert bezoekers die vanuit de trein naar het podium liepen. En omdat je verder nooit oplette hoe je precies liep, onthield je de weg nooit. Zodra je in je eentje in die stad verzeild raakte was je binnen een minuut de weg kwijt. Amsterdam holadiejee. Ze moesten die stad ooit zo gebouwd hebben om buitenlandse invasielegers in verwarring te brengen. Er was geen betere reden te bedenken. En Amsterdammers gebruiken dat doolhof van ze om in een oogopslag te kunnen bepalen dat je niet uit de stad komt en dus een toerist bent waar geld aan verdiend kon worden; Joden hè? Dat was het meest ergerlijke aan Amsterdam; de stad werd voor driekwart bevolkt door dagjesmensen. ‘Stupid Americans see Holland in a day’ zong de Ex en dat was de spijker op zijn kop.

Ik was Scherf op gaan zoeken en tot mijn verrassing waren Heavy en zijn vriendin Doro toevallig ook bij Scherf op bezoek. Scherf had ruimte zat. Hij woonde in een groot complex aan een van de grachten, midden in het centrum. Het complex was nog maar een paar weken gekraakt, en nog niet alle ruimtes waren ingenomen. Amsterdamse kraakgroepen waren voorzichtig met het aannemen van nieuwe bewoners, maar Scherf was via zijn vriendin geïntroduceerd. Daardoor was de procedure een stuk sneller verlopen. Het feit dat hij in de tijd van de Rondos en Raket in een politiek geëngageerde, en tamelijk bekende, Rotterdamse band had gespeeld had het pleit voor hem beslecht. Hij werd al na een paar dagen door de bewonerscommissie van het pand in de groep opgenomen. Het idee van een commissie die balloteerde stond mij persoonlijk absoluut niet aan; ik word van weeromstuit heel erg rechts als mensen gaan vissen naar hoe links georiënteerd ik wel niet ben.

Nu stonden we daar dus met zijn vijven op de Kalverstraat. Klaar had er een goede verklaring voor de geheimzinnige flyer; hier zat vast een reli-organisatie achter. Er was een Amerikaanse sekte bezig om zieltjes te winnen. In Amerika waren de born again christians zo rijk en machtig geworden dat ze van gekkigheid niet meer wisten wat ze in godsnaam met al die ingezamelde poen moesten doen. Hun voorgangers waren intussen al multi-multi miljonairs en het hele Amerikaanse continent was al verzadigd van de religieuze activiteiten. Dus was een van die gristen goochems op het idee gekomen om de pijlen op Amsterdam; het Sodom en Gomorra van de wereld te richten. En om het meteen goed aan te pakken was de punkscene uitverkoren om als eerste bekeerd te worden. Met God aan je zijde en een paar miljard op de bank ga je echt geloven dat je de wereld naar eigen inzicht kan veranderen.

‘We moeten gewoon gaan kijken, zei Heavy, dat kan lachen worden’. Scherf en ik waren nog niet overtuigd dat het een goed idee was om de christen klootzakken de kans te geven met onze hoofden te fucken’. Aan de andere kant moest je wel een knappe jongen zijn om ons alsnog overtuigen dat er ook maar een grond van waarheid zat in dat tweeduizend jaar oude heilige sprookjesboek van die kinderverkrachters. We werden eigenlijk pas enthousiast toen we merkten dat echt alle punks die we op straat tegen kwamen dezelfde flyer hadden gekregen en iedereen van plan was om te gaan kijken met als doel die christenen eens flink op hun ziel te trappen.

wordt vervolgd…

 In 1983 heb ik optredens gezien van drie van de meest legendarische punk/hardcore bands aller tijden: Black Flag, Bad Brains en M.D.C. Deze drie concerten waren zonder enige twijfel de hoogtepunten in mijn leven als bezoeker van optredens. Nu kom je gemakkelijker onder de indruk van een uitvoering als je nog jong bent, maar bij deze optredens gebeurde er meer dan een band die een goede, gepassioneerde set speelde. Er was een onmiskenbaar een soort magie aanwezig.  Een magie die de bezoekers van deze optredens verleidde tot gedrag dat verder ging dan bewondering voor rocksterren, verder dan vooraan bij het podium los gaan in de pit. Bij deze optredens heb ik mensen gezien die terug keerden naar een soort oerdrift. Mensen in al hun glorie en tegelijk in al hun lelijkheid. Mensen die al hun demonen op de andere aanwezigen, maar ook op zichzelf, los lieten. En ik voelde die drift zelf ook; een bijna onbeschrijfelijke opwinding die een kracht opriep die maakte dat je het een uur of langer in de slampit volhield om op andere lichamen in te beuken, die je aanzette op speakertorens te klimmen en je met doodsverachting in de massa te storten. Die je mee deed brullen en als je de tekst van bepaalde nummers niet kende oerkreten deed slaken totdat je stem kapot was. Een kracht die zorgde dat alle lichamelijke en geestelijke pijn tijdelijk vergeten werd. Tot de volgende morgen natuurlijk, want dan voelde je de blauwe plekken, kneuzingen, missende tanden en gebroken botten wel degelijk. Maar ook op zo’n moment kon je niet anders dan je levend voelen. Levend op een manier waar al die miljarden, voorzichtig door het leven manoeuvrerende, squares  niet eens aan durfden denken.

Het was bijna onmogelijk om in de bus te knokken zonder een van de meiden of anderen, die niets met de ruzie te maken hadden, te raken.  Speedy werd door Aso en March genoeg gekalmeerd om buiten de bus de Goudenaar, die Ad bleek te heten, op te wachten om een eerlijk en open gevecht aan te gaan. Echt eerlijk zou het nooit zijn want Speedy was ongeveer twee keer zo langer en breder dan Ad, maar er kon niet voorbij gegaan worden aan wat die lul geflikt had. We hadden hem en zijn maat gered van de uitzinnige Uithoornse jeugd en dit was de manier waarop hij ons daarvoor bedankte? Dit was voor mij het zoveelste bewijs dat al die kutpoedertjes zoals speed en coke mensen in klootzakken veranderen. Ik kon me eenvoudigweg niet voorstellen dat die Ad zich op dezelfde manier gedragen had als hij niet onder de speed had gezeten. Ik moet erbij zeggen dat Speedy ondanks zijn naam geen gebruiker van poeders was. Hij had zijn naam te danken aan het feit dat hij de snelste drummer van Rotterdam was.

Bijna iedereen liep mee de vluchtstrook op om het gevecht van dichtbij te zien, maar Eviline stond erop mijn gezwollen oog te behandelen. Niet dat het hielp, want ze had niet meer dan wat papieren servetjes en wat spuug bij de hand. Het was haar waarschijnlijk meer om te doen mij te weerhouden om ook te gaan knokken. Dat snapte ik nou net zo min als het gedrag van Ad. Iemand die voor je er op komt houd je toch niet tegen? Sterker nog; waarom sloeg ze er zelf niet op los, het was haar eer die in het geding was.

Buiten werd er trouwens, zo te horen, alles behalve geknokt. Mick nam de rol van de Verenigde naties aan en probeerde de partijen ervan te overtuigen een wapenstilstand te sluiten zodat we van de vluchtstrook af konden. Het was een kwestie van tijd voordat we door een passerende politiewagen gespot zouden worden en het zou heel moeilijk worden uit te leggen waarom onze bus onder de deuken en met een ingeslagen ruit zat. Het zou ook kunnen dat ons nummerbord in Uithoorn gespot was door een agent of een van die disco’s en dan was de kans groot dat we ook nog een brandende kerk in de schoenen geschoven kregen. Dat waren steekhoudende argumenten dus werd er besloten om door te rijden. Ik pleitte er nog zonder succes voor om die Ad hier lekker langs weg achter te laten, maar Mick wilde daar niets van horen. Grommend gaf ik mijn pleidooi op.

Zwijgend vervolgden we de reis naar Gouda. Toen we een half uur later op de parkeerplaats voor het treinstation aankwamen was mijn woede weer gezakt en was ik eigenlijk vooral moe en helemaal klaar met deze nacht. Even leek het erop dat iedereen vergeten was dat er nog wat te verhapstukken viel. Ik zag samen met Eviline de twee Goudenaren weg sneaken en liet het er maar bij. Ad en zijn maat verdwenen in de nacht. We stonden nog wat na te praten en iedereen was voor zich aan het beslissen waar en met wie ze de nacht door wilden brengen. Anar besloot met March mee naar Rotterdam te gaan. Raggel en Died bleven in Gouda. Speedy vroeg opeens waar die Goudse gasten gebleven waren dus vertelde ik hem dat ze er al vandoor waren. Het feit dat die lui zonder een woord van spijt er van tussen waren gegaan deed Speedy zijn woede weer oplaaien.  Raggel en Died wisten dat die twee een paar straten verder in een kraakpand woonden dat gemakkelijk te vinden was. Speedy besloot verhaal te gaan halen. Kikker en Died gingen met hem mee. Died om de weg te wijzen en Kikker waarschijnlijk voor de kick en de Rotterdamse eer. De rest zou op hun terugkeer wachten en daarna zouden we dan uiteindelijk naar Rotterdam rijden. March en Aso hadden geen zin meer in een vervolg van het onderlinge gezeik en de meiden al helemaal niet. Toen het groepje bijna de hoek om was maakte ik me in een opwelling los van Eviline en liep alsnog mee. Ze probeerde het nog uit mijn hoofd te praten door te smeken me er niet mee te bemoeien maar ik vond dat ik het niet kon maken om niet bij de afwikkeling van deze ruzie aanwezig te zijn. Het was allemaal met mij begonnen; ik had die lul van een Ad ook in zijn sop kunnen laten koken en me niets van zijn beledigingen aan kunnen trekken. In de praktijk was dat wat moeilijker gebleken, maar dat was des te meer reden om mee te gaan.

Ik haalde het groepje in en we marcheerden naar het kraakpand. Het pand zag er netjes uit en er stond geen graffiti op de buitenmuur. Er was een kelderverdieping waaruit licht scheen. Twee grote ruiten op beenniveau die niet gebarricadeerd waren. Aan een regenpijp, die tussen de twee ruiten doorliep, stond een fiets met een zware fietsketting op slot. We zouden er langs gelopen zijn als we Died niet bij ons hadden gehad. Speedy belde aan en we zagen een hippie die naar het raam van de kelderverdieping liep. Waarschijnlijk wilde hij ons te woord gaan staan. Maar voordat hij het raam bereikt had gebeurde iets dat achteraf ook duidelijk met speed gebruik te maken had. Nadat Speedy aangebeld had werden de twee Goudse punks door paranoia gegrepen en dachten blijkbaar dat we hun pand aan wilden vallen. Als dat zo was geweest hadden we niet aangebeld maar paranoia is sneller dan denkvermogen. Het verdedigingssysteem van het pand trad in werking. De twee Goudenaren zaten op de zolderverdieping en blijkbaar hadden ze daar de nodige materialen klaar staan om het pand te verdedigen in geval van knokploegen van de eigenaar,  ontruiming door de politie, of andere onvriendelijke acties. Ik weet zeker dat Speedy voor reden vatbaar zou zijn geweest als die Ad de guts had gehad om naar buiten te komen om de zaak uit te praten, maar in plaats daarvan begonnen ze ons vanuit het zolderraam met flessen te bekogelen. De eerste spatte op twee meter afstand van mij op de stoep uit elkaar. Ik keek omhoog en zag een tweede fles, die beter gericht was, recht op mijn hoofd afkomen. In een reflex deed ik een stap opzij maar de fles raakte alsnog mijn linkerarm om daarna rinkelend op de stoep te vallen. De pijn vlijmde door dat ledemaat. Het pand was vier verdiepingen hoog dus de fles had een behoorlijke snelheid gekregen voordat hij mijn arm raakte. De snelheid werd daardoor zodanig gebroken dat de fles zelfs heel bleef nadat hij me had geraakt en rinkelend zijn weg over de straat vervolgde. Ik rende snel een paar meter terug om uit het schootsveld van de flessengooiers te komen. Mijn arm deed vreselijke pijn en ik was bang dat mijn pols of onderarm gebroken was. De zware leren jas die ik aan had bood niet genoeg bescherming tegen een fles  die met vijftig kilometer per uur mijn arm had geraakt. Speedy zag hoe ik geraakt werd en verloor andermaal zijn kalmte. Hij pakte de fiets die voor het kelderraam stond en wierp hem door het raam. De fiets werd door de ketting aan de regenpijp tegengehouden zodat hij de kelder niet in viel. Speedy kon de fiets daardoor terug trekken en nogmaals gooien; dit keer door de andere ruit. Het regende nu flessen op de stoep en Kikker en Died sprongen mijn kant op, weg uit de vuurlinie. Speedy stond te dichtbij het pand om door de flessenregen geraakt te worden maar was verstandig genoeg om zich bij ons te voegen voordat ze boven iets beter gingen mikken. We stonden nog niet buiten het bereik van de flessenregen toen we een politieauto met loeiende sirenes aan hoorden komen. Als je de hermandad nodig het zijn ze in geen velden of wegen te bekennen, maar de reactiesnelheid is altijd enorm hoog als ze je op kunnen pakken. Die pet pakt ons allemaal…

Ik hield het voor gezien en rende terug richting het station. Kikker en Died kwamen me achterna maar stopten toen ze door een schijnwerper uit de politieauto gevangen werden. Ik werd door een blinde paniek gegrepen. Ik wilde kostte wat kost die nacht uit de cel blijven dus rende ik gebogen achter de geparkeerde auto’s door, uit het bereik van de schijnwerper. Ik wist niet of de politie me had gezien. Met mijn knalrood geverfde haren was ik niet moeilijk te ontdekken, maar zover ik wist had de schijnwerper me gemist, maar ik hoorde de sirenes dichterbij komen. Waarschijnlijk hadden de bewoners van het pand,  die de politie hadden gebeld, ons aantal doorgegeven en was de politie op zoek naar aanvaller nummer vier.  Ik kon niets anders bedenken dan zo snel mogelijk naar de bus terug te keren om me onder een van de achterbanken te verbergen.

De rest van ons groepje stond nog in de buurt van de bus te wachten toen ik tussen ze door schoot en met een snoekduik onder de tweede achterbank verdween. Ik had geen tijd om de deur achter me te sluiten en hoopte er maar het beste van. Ik hoorde de politieauto bij ons groepje stoppen. Er werd wat heen en weer gepraat en ik hoopte vurig dat de politieauto uiteindelijk weer zou wegrijden. Ik zag het licht van een zaklantaarn door de bus schijnen. De agent in kwestie hoefde alleen maar de tegenwoordigheid van geest te hebben om onder de bank te kijken om me te ontdekken. De moed zonk in mijn schoenen toen ik de lichtstraal onder de bank voor me zag bewegen. Hij checkte inderdaad onder de banken. Net toen ik besloot me maar over te geven verdween de lichtbundel uit de bus. Net op tijd hield ik me in te bewegen. Opgelucht hoorde ik de politiewagen een paar minuten later vertrekken. Blijkbaar hadden de agenten geen vraagtekens geplaatst bij de staat van de bus met al zijn deuken en de kapotte achterruit. Misschien dachten ze dat dat ook punk was. Eveline waarschuwde vanuit de hoek van haar mond me niet te bewegen voordat de politiewagen om de hoek was verdwenen. Uiteindelijk kwam ik tevoorschijn om te ontdekken dat ze in plaats van mij March hadden gearresteerd. Hij had een rode commando muts op tegen de decemberkou en dat leek genoeg op mijn rode haar om hem als verdachte aan te merken. Dat verklaarde waarom de agent de bus niet verder had doorzocht. Mick besloot langs het politiebureau te rijden om te proberen March vrij te krijgen. Er konden vijf man getuigen dat hij niets met de aanval op het pand te maken had. Mijn vrienden gingen het politiebureau binnen. Ik hield me andermaal verborgen en hoopte dat de politie niet zou besluiten om iedereen maar preventief de hele nacht op te sluiten. In dat geval zat ik hier mooi vast en zou het moeilijk worden om vanuit de bus naar het station te ontsnappen zodat ik daar de trein kon nemen. De groep kwam een kwartier later vloekend terug. Het was niet gelukt March vrij te krijgen. Ik suggereerde dat ze hem wellicht wel vrij zouden laten als ik me aan zou geven maar na onderling overleg werd besloten dat de kans dat ze March dan alsnog niet zouden laten gaan te groot was. De politie had gezegd dat alle arrestanten de hele nacht vast zouden blijven zitten om pas na verhoor dat in de loop van de volgende dag plaats zou vinden vrij gelaten te worden.

We reden met een paar illusies minder over de solidariteit onder punks  terug naar Rotterdam.

Twee weken later ontving ik een bevel van de Goudse politie voor een verhoor. Het duurde bijna twee uur voordat de dienstdoende brigadier genoegen nam met mijn verklaring dat ik nadat ik door de fles geraakt was niets meer had gezien of gehoord van de aanval op het pand. Mijn arm was nog altijd flink gekneusd door de fles die hem geraakt had en dat zette mijn verklaring wel wat kracht bij. Het was vooral moeilijk hem te overtuigen dat we onder elkaar achteraf geen woord meer over het incident hadden gerept. Ik probeerde hem wijs te maken dat het een ongeschreven code onder punks was om dit soort incidenten nooit meer op te rakelen. Op die manier beschermden we elkaar voor repercussies.

Speedy, Kikker en Died werden later aangeklaagd voor openbare geweldpleging. Alleen Kikker kwam op de rechtszitting opdagen. Ik zat ook in de rechtszaal maar maakte me niet bekend toen de rechter vroeg of ik aanwezig was. Achteraf hoorde ik dat dit uitgelegd kon worden als belediging van het hof. Fijn! Daar wilde ik wel schuldig aan zijn want ik vond persoonlijk dat we niks verkeerds hadden gedaan. Dit was een erekwestie waar justitie zich niet mee te bemoeien had.

Kikker was er van overtuigd dat hij de rechter wel kon overtuigen dat hij niets had gedaan en ook dat hij zichzelf prima zonder advocaat kon verdedigen. Waarschijnlijk vond de rechter dat pedant en veroordeelde hem tot een boete. Hij weigerde te betalen zodat hij uiteindelijk  vijf dagen moest zitten.

Precies tien jaar (!) later werd ik nadat ik op een brommer zonder licht was aangehouden in een cel gezet omdat de dienstdoende agent mijn doopceel lichtte en erachter kwam dat ik bij verstek voor die aanval op dat pand in Gouda veroordeelt was. Een termijn waarin alles behalve moord en doodslag verjaard had moeten zijn.

“  your justice is a lie, and we’re gonna fight untill you die!”  (uit Dead Cops/America is so straight – M.D.C. )

In 1983 heb ik optredens gezien van drie van de meest legendarische punk/hardcore bands aller tijden: Black Flag, Bad Brains en M.D.C. Deze drie concerten waren zonder enige twijfel de hoogtepunten in mijn leven als bezoeker van optredens. Nu kom je gemakkelijker onder de indruk van een uitvoering als je nog jong bent, maar bij deze optredens gebeurde er meer dan een band die een goede, gepassioneerde set speelde. Er was een onmiskenbaar een soort magie aanwezig.  Een magie die de bezoekers van deze optredens verleidde tot gedrag dat verder ging dan bewondering voor rocksterren, verder dan vooraan bij het podium los gaan in de pit. Bij deze optredens heb ik mensen gezien die terug keerden naar een soort oerdrift. Mensen in al hun glorie en tegelijk in al hun lelijkheid. Mensen die al hun demonen op de andere aanwezigen, maar ook op zichzelf, los lieten. En ik voelde die drift zelf ook; een bijna onbeschrijfelijke opwinding die een kracht opriep die maakte dat je het een uur of langer in de slampit volhield om op andere lichamen in te beuken, die je aanzette op speakertorens te klimmen en je met doodsverachting in de massa te storten. Die je mee deed brullen en als je de tekst van bepaalde nummers niet kende oerkreten deed slaken totdat je stem kapot was. Een kracht die zorgde dat alle lichamelijke en geestelijke pijn tijdelijk vergeten werd. Tot de volgende morgen natuurlijk, want dan voelde je de blauwe plekken, kneuzingen, missende tanden en gebroken botten wel degelijk. Maar ook op zo’n moment kon je niet anders dan je levend voelen. Levend op een manier waar al die miljarden, voorzichtig door het leven manoeuvrerende, squares  niet eens aan durfden denken.

M.D.C.  Shiva – Uithoorn vrijdag 23 december 1983 (Deel 3)

Voordat de politie lastige vragen ging stellen over het brandje in de kerk en de vernielingen die daar aangericht waren zagen we tot onze opluchting de meiden samen met Mick en March het parkeerterrein voor Shiva op komen lopen.  Ze hadden duidelijk geen eten bij zich maar we konden hier nu in ieder geval weg, en dat werd tijd ook. We wenkten ze dat ze snel in moesten stappen wijzend naar het tafereel bij de kerk achter ons. Ze hadden meteen door dat het inderdaad beter was om onmiddellijk te vertrekken. Ze begonnen naar de bus te draven en het viel me ineens op dat Eviline en vooral Raggel niet helemaal happy waren en de bus bijna hinkend bereikten. Toen iedereen ingestapt was en Mick de bus startte vroeg ik de meiden waarom ze zo lang weggebleven waren en wat er gebeurd was dat er twee van het groepje hinkend aankwamen. Het duurde even voordat het verhaal eruit kwam want de bus schoot een paar keer met iets te hoge snelheid een bocht om. Het was niet verstandig om via dezelfde weg waarmee we aangekomen waren het terrein te verlaten want dan moesten we langs de fikkende kerk en Mick had geen zin om ook nog eens aangehouden te worden. We hadden voor één avond genoeg avonturen beleefd. Mick koos lukraak de weg langs Shiva die door het dorp liep op zoek naar een andere oprit voor de snelweg.

De meiden vertelden hun verhaal terwijl we door het dorp reden. Ze hadden uiteindelijk met veel moeite een snackbar gevonden nadat ze de plaatselijke jeugd tot drie maal toe de weg hadden gevraagd en de verkeerde kant op waren gestuurd. Dat ze tamelijk onvriendelijk bejegend waren was nog zachtjes uitgedrukt. De dorpsjeugd hier was blijkbaar nogal christelijk en had aanstoot genomen aan het Bad Religion shirt van Raggel en de spreuk die ik, overigens zonder haar toestemming, die middag op Eviline haar jas had gekalkt; there’s no god in heaven, so get off your knees. Die spreuk kwam uit een tekst van M.D.C. en was achteraf dus wat meer relevant dan ik kon weten toen ik de stift die middag ter hand genomen had. Bij de snackbar aangekomen weigerde het personeel aldaar de dames te bedienen, en toen ze dat niet zomaar pikten waren ze door de clientèle, die uit plaatselijke disco’s bestond, de snackbar uitgewerkt, en vervolgens buiten nog even aangepakt. Raggel was daarbij hard onderuit gehaald en op haar schouder gevallen. Ze kon haar rechterarm niet meer gebruiken en de volgende dag bleek dat ze haar sleutelbeen had gebroken. Eviline had een trap  tegen haar knie gekregen, toch al een zwakke plek van haar, en die knie was behoorlijk opgezwollen. We waren ruwe behandelingen door disco’s wel gewend, maar dat een groepje meisjes op deze manier bejegend werd was toch zeldzaam. De plaatselijke jeugd was hier om elf uur ‘s avonds al stomdronken en ook de lokale discomeiden hadden blijkbaar nogal wat agressie opgekropt. Dat krijg je ervan als je de hele week netjes pootjes moet geven en overal je bek over moet houden. Ik had opeens geen spijt meer dat ik bij die actie in de kerk betrokken was geweest en had achteraf met liefde die kutkerk van dit kutdorp volledig in de as gelegd. Maar we waren helaas nog niet van die Gristenfuckers af, want Mick was op goed geluk het dorp in geracet, en voordat hij er erg in had was hij in het centrum terecht gekomen, en reden we het dorpsplein op. Daar had de lokale jeugd uit de weide omgeving zich verzameld. Er stonden meerdere kroegen en wat discotheken aan dat plein en het zag er zwart van de mensen. Dat zag er niet goed uit. ‘Terug Mick’,zei Speedy die ook voorin de bus zat. Door die uitroep van Speedy had iedereen in de bus onmiddellijk door in wat voor situatie we dreigden te raken, en sloeg de paniek toe. Mick wilde de auto in zijn achteruit zetten om het plein spoorslag te verlaten maar er reed een auto achter ons die het plein op wilde. Anar zag als enige dat die auto de weg versperde en haar waarschuwing kwam te laat dus botsten we ertegenaan. Onze bus reed niet bepaald hard, dus meer dan wat bumperschade kon het niet opgeleverd hebben, maar de bestuurder gooide zijn portier open en zette het op een schelden. Ik zag enkele honderden koppen van de op het plein verzamelde disco’s simultaan hun hoofd in onze richting draaien. Je hebt vast wel eens een zombiefilm gezien? Nou, dit was ‘dawn of the dead’ in Noord Holland. Er kwamen al gauw wat disco zombies naar onze bus gelopen. Een van die gasten drukte zijn dronken kop tegen het zijraampje van de bus waarachter ik zat en zoals zombies om brains gaan roepen barstte ‘die gast uit in “punks, punks!”.  “Geef gas”brulde ik naar Mick maar hij aarzelde want de weg werd door tientallen disco’s versperd. Als hij nu plankgas gaf zouden er doden en gewonden gaan vallen, en dan waren we nog verder van huis. Iedereen in de bus begon nu te schreeuwen dat Mick gas moest geven voordat de auto omsingeld zou worden en we helemaal niet meer weg konden. De disco die me door het raampje aangekeken had sprong tegen de zijkant van de bus aan en probeerde het dak op te klimmen. Speedy nam het heft in handen en plaatste zijn voet op die van Mick en trapte het gaspedaal in. De bus schoot met een schok een stukje naar voren waardoor de disco los moet laten en op straat viel. Helaas viel ook meteen de motor uit en terwijl Mick wanhopig contact probeerde te maken stortten tientallen disco’s zich op onze bus. De bus werd vervaarlijk heen en weer geschud en op alle ramen werd op ingebeukt. Het kon nooit lang duren voordat een of meer ruiten het zouden begeven en we de auto uit gesleurd zouden worden. Wat er daarna zou gebeuren was de vraag, maar ik voorzag een lynchpartij. Als door een wonder sloeg de motor van de bus weer aan en Mick begon op te trekken. Tergend langzaam schoven we over het plein. We hadden zeker nog tweehonderd meter te gaan voordat het plein zich in een straat versmalde. Ik zag boven me deuken in het dak van de bus ontstaan en halfvolle flessen bier spatten kapot tegen de ruiten. De jongens in de bus waren allemaal op zoek naar verdedigingswapens. Ik had altijd een ketting om mijn middel, maar in de krappe ruimte van de bus had ik daar niet veel aan. De achterruit werd door een steen geraakt en daarna stond er een grote ster van gebroken glas in. Mick gaf wat meer gas en dwong de disco’s voor de bus opzij. Er ontstond zowaar een paadje door de menigte omdat de disco’s elkaar meetrokken uit de baan van de bus. Mick gaf dus nog iets meer gas en uiteindelijk moesten alle dronken malloten die zich aan de zijkant van de bus vastklemden los laten. Daardoor nam onze snelheid nog meer toe. Enkele disco’s konden ternauwernood voor de bus wegspringen. We juichten allemaal toen we het eind van het plein bereikten en een vrije weg voor ons lag. Dat was de tweede keer dat ik aan een lynchmob ontsnapte na dat akkevietje in Duitsland. Mick schakelde en gaf een flinke dot gas. De bus kwam net op snelheid toen Essie door de achterruit keek en twee punks zag die uit een zijstraat de weg op kwamen rennen. Ze werden door discozombies achtervolgd. Ze schreeuwde dat we moesten stoppen, maar het duurde even voordat de situatie tot ons allemaal doordrong. Mick wilde alleen maar weg, en in de achteruitkijk spiegel kijken was wel het laatste wat bij hem op kwam. Andermaal greep Speedy in, de bus kwam tot stilstand, de schuifdeur werd open gezet. March en Anar schreeuwden naar de punks dat ze snel in moesten stappen, en toen die zagen dat ze door soortgenoten werden uitgenodigd sprongen ze de bus in. De deur knalde dicht en Mick gaf gas. Gelukkig bleef de motor nu wel lopen en lukte het om de discomassa voor te blijven. Vijf minuten later reden we eindelijk de snelweg op.

De twee vluchtelingen bleken ook uit Gouda te komen en Mick, Raggel en Anar  kenden ze wel. Ze kregen een plaatsje op de bank achter mij, Kikker en Eviline. Raggel zat ook op die bank naast de deur en op de derde achterste bank zaten March, Anar en Essie. Voorin zaten Speedy, Aso en Mick. Die waren het grootst en hadden het meeste beenruimte nodig. De bus zette koers naar Gouda. Daar zouden we Raggel en de twee Goudse punks afzetten voordat wij door zouden rijden naar Rotterdam. Maar deze nacht had nog wat voor ons in petto. Eén van de twee Goudenaren was niet alleen dronken, maar had blijkbaar ook behoorlijk wat speed gesnoven. Hij was de enige in de bus die nog puf had om te praten; de rest was druk met het verwerken van alle gebeurtenissen en de alcoholische brandstof was al een tijdje op, dus verviel iedereen in zijn eigen mijmeringen. Op die gast na dus. Hij had blijkbaar aandacht nodig want hij begon moppen te vertellen waar niemand om moest lachen. Door het uitblijven van respons daarop werden de moppen steeds grover en vervelender. Van die stomme seksistische onzin die hij waarschijnlijk ergens tijdens zijn werk, dat zich ongetwijfeld op een steiger afspeelde, had opgepikt. Ik begon me aan die eikel te ergeren en vroeg hem beleefd of hij zijn muil effe wilde houden. Het laatste waar ik op dat moment zin in had waren kutmoppen. De meiden in de bus hadden al genoeg te verduren gekregen om ook nog eens door iemand, die we notabene gered hadden, beledigd te worden. Hij nam mijn opmerking nogal persoonlijk op en begon zijn pijlen op Evilin, die ook voor hem duidelijk mijn vriendinnetje was omdat ze op mijn schoot lag, te richten. Hij begon haar te beschimpen en zei dat ze net een klein varkentje was. Dat schoot helemaal in mijn verkeerde keelgat. Er schoot een rode waas voor mijn ogen. Ik duwde Eviline van mijn schoot af, draaide me om en hing over de bank in de richting van die eikel en waarschuwde hem andermaal dat hij zijn bek moest houden. Hij voelde zich blijkbaar bedreigd want voordat ik het wist plantte hij een van zijn kisten op mijn oog en knalde ik naar achteren. De hele bus ontplofte van de opgekropte spanning. Het was dat de meiden als één man ertussen doken. Eviline hield me tegen toen ik een snoekduik naar achteren wilde maken terwijl Raggel die Goudenaar tegen hield. Mick schoot de vluchtstrook op en Speedy sprong de cabine uit en opende de zijdeur. Hij klom naar binnen en waarschuwde die gast op zijn beurt dat hij zich gedeisd moest houden. Speedy werd door een kist onthaald en maar liefst drie keer achterelkaar hard in zijn gezicht getrapt. Het bloed spoot uit zijn neus waarop Speedy in een dolle stier veranderde.

Het bekendste verhaal met Speedy in de hoofdrol, dat in de scene rondwaarde, speelde zich twee jaar eerder af. Speedy zat in Eksit op een van de laatste avonden die daar, voordat de tent afbrandde, werden georganiseerd. Zoals vaker gebeurde was MC Puinhoop in de zaal en brak er een flinke vechtpartij uit. Speedy wilde zich er niet mee bemoeien en bleef aan de bar zitten en keek strak voor zich uit met zijn rug naar de actie in de zaal. Hij nam zich voor dat de eerste de beste biker die hem aan zou raken een dreun ging ontvangen. De vechtpartij was al een tijdje bezig toen hij opeens een hand op zijn schouder voelde die hem vastgreep. Als door een wesp gestoken had hij zich omgedraaid en met alle kracht uit zijn 110 kilo wegende Canadese houthakkerslijf een enorme klap uitgedeeld. De persoon in kwestie brak daardoor zijn kaak. Helaas bleek het geen biker te zijn, maar een politieagent die binnen was gekomen om de zaal te ontruimen. Dat had hem een jaar jeugddetentie gekost.

Morgen meer

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 143 other followers

%d bloggers like this: