Skip navigation

Monthly Archives: oktober 2012

Het is de laatste jaren moeilijker geworden om me te herinneren, maar er is een tijd geweest dat ik er trots op was Nederlander te zijn. Als ik gasten op bezoek had uit bijvoorbeeld de USA en ik ze rond mocht leiden door mijn land waar je vrijuit op straat mocht blowen en drinken. En we waren tegelijk het land met een van de laagste percentages harddrugsverslaafden ter wereld. Een land waar de politieagenten je vriendelijk de weg naar de volgende coffeeshop wezen en terloops opmerkten dat je de volgende keer wat beter op het rode stoplicht moest letten, waar je net doorheen gereden was.  Waar hele huizenblokken gekraakt waren waarin mensen vrijelijk konden experimenteren met andere samenlevingsvormen. Het land dat de Oosterscheldedam bouwde zodat het erachter gelegen natuurgebied behouden bleef. Het land waar in elke wijk een jongerencentrum lag waar je in het weekend lokale en nationaal bekende bands kon gaan bekijken en waar alle Engelse en Amerikaanse bands het eerst te zien waren.  Het land waar het woord tolerantie zowat was uitgevonden.

Wat is er met dat land gebeurd? Waar is Nederland-gidsland gebleven? Hoe kan het dat Zwitserland; het land van de fokking Koekskoeksklok, tegenwoordig wat thuiskweek van softdrugs betreft meer relaxte wetten heeft dan Nederland?  Hoe kan het dat ze in Duitsland binnenkort bijna een derde van alle benodigde energie uit zonnecollectoren gehaald wordt, terwijl wij hier nog altijd de moord steken door onze kolencentrales? Hoe kan het dat Franse gendarmes tegenwoordig vriendelijker zijn dan Nederlandse dienders? Waarom laten zoveel Amerikaanse bands Nederland domweg links liggen als ze Europa aandoen?

Na die aanslagen op nine-eleven sloeg de angst hier toe. De Calvinist die in veel Nederlandse regenten nog altijd latent aanwezig was zag zijn kans schoon. We hadden het hier 40 jaar lang helemaal verkeerd aangepakt:. Dus naar goed Nederlands gebruik sloegen we volledig door en werd er een heksenjacht  ontketend op alle verworven vrijheden. En het resultaat van al die paranoia:

–          De jeugd was verwend, werkschuw en verpest door al dat blowen.  Maar we geven alle drukke jongetjes wel hoge doses Ritalin om ze lekker rustig te houden?

–          Er moest meer respect voor oom agent komen en dat moest afgedwongen worden door mensen al te bekeuren als ze alleen al verkeerd naar een agent kijken. Hierdoor begon elk uniform echter als een rode lap op een stier te werken. Nu vraagt men zich af waar al die agressie tegen politie,  hulpverleners en zelfs buschauffeurs toch vandaan komt?

–          Dat softe milieugedoe moest wijken voor meer asfalt en windmolens waren opeens horizon vervuiling. En nu moet Nederland in Duitsland stroom inkopen.

–          Kraken moest verboden worden en iedereen moest maar een huis gaan kopen. En nu is het opeens crisis op de woningmarkt en zijn de gekochte huizen opeens een stuk minder waard. Waar gaat dat op uitdraaien? Verpauperde buurten!

–          In tijden van crisis moet opgepast worden dat mensen niet teveel met elkaar in de kroeg gaan klagen, dus werd alcohol in de supermarkt spotgoedkoop en in de horeca stinkend duur. Dus nu zit de jeugd in plaats van in een jongerencentrum in een zuipkeet.

–          Popmuziek moest net als het tv-bestel in formats gegoten zodat  Popmuziek en tv zo saai werden dat niemand er nog voor wil betalen.

–          Iedere burger is opeens een potentiële crimineel met een computer tjokvol kinderporno of lid van schimmige genootschappen die drugs verkopen of enge religies willen verspreiden. Daarom moet de overheid bij iedereen over de schouder mee kunnen kijken; als je niets te verbergen hebt heb je ook niets te vrezen. Zeiden ze zoiets ook niet al voordat de Spaanse inquisitie begon?

Worden we nu echt pas wakker als de spruitjeslucht ondraaglijk wordt? Als Nederland in een regelrechte politiestaat veranderd is?

Wat hebben we hier in dit land nodig? Goed bestuur en geen stelletje om zich heen slaande idioten:

Rotterdam is rap tempo in een slaapstad omgetoverd. Overal waar (live) muziek gespeeld wordt woont wel een yup om de hoek die loopt te klagen en klagers  krijgen altijd gelijk. Zelfs een tent als Vibes; die al meer dan 25 jaar bestaat heeft last van klagende buren die recent een pand in de buurt hebben betrokken.  Maar als deze stad een beetje behoorlijk bestuurd zou worden zou men nieuwe bewoners op het hart moeten drukken dat ze zich aan moeten passen aan de buurt waar ze gaan wonen. Dat moeten buitenlanders toch ook? Waarom geldt dat dan niet ook voor rijke yuppies?

Ik hoorde pas van een vriendin die ergens in Brabant is gaan wonen een verhaal over hoe een yuppenstel een boerderij kocht die naast een voetbalvereniging lag; een vereniging die al sinds 1899 of zo bestond. Een voetbalvereniging is vooral in het weekend actief en dat is natuurlijk precies de tijd dat onze hardwerkende yuppen van hun rust willen genieten. Dus gingen deze pantoffelhelden eens kijken of ze een stok konden vinden om de hond mee te slaan. En ja hoor: bingo; men was vergeten een van de vele vergunningen op tijd te verlengen. Resultaat; de voetbalvereniging waar bijna alle dorpsbewoners lid van waren werd gesloten en de rust keerde weder. Nu snap ik persoonlijk niet waarom die dorpslieden geen gezellige middernachtelijke fakkeloptocht naar die yuppenboerderij hebben georganiseerd. Dat had het tij wellicht kunnen keren. Wederom geldt dat een goed bestuur een oplossing had gevonden en de meerderheid van de inwoners van dit dorp aan het langste eind had moeten trekken.

De wietpas wordt vanaf januari overal ingevoerd. In plaats van een half gereguleerde handel wordt de softdrugs daardoor helemaal aan de criminaliteit overgeleverd en kan je binnenkort bij straatdealers behalve wiet ook alle soorten harddrugs krijgen. Een goed bestuur zou zoiets nooit toelaten; die had softdrugs allang gelegaliseerd. Alleen op die manier kan die handel goed gereguleerd worden; dan zou iedereen zijn eigen wiet legaal kunnen kweken en hoefden we dat niet aan de georganiseerde criminaliteit over te laten die nu hun opgefokte wiet met overdreven hoge THC gehaltes verkopen. Dan zou er ook btw op wietverkoop geheven worden; goede crisis bestrijding.

De helft van de studenten woont compleet rechteloos in een antikraakwoning terwijl de anti-kraakwet door het Europese hof van de rechten van de mens naar de prullenbak werd verwezen.  Kraken is helemaal niet verboden!! De woningmarkt zit hopeloos op slot, maar er staat in deze stad ook een half miljoen vierkante meter kantoorruimte leeg. Er zou massaal gekraakt moeten worden totdat een goed bestuur besluit dat die lege kantoren tot woningen verbouwd moeten worden. Woningen en nieuwe podia!

Bezuinigingen op cultuur zijn niet meer dan een keuze. Er is wel geld genoeg om overal prestigieuze gebouwen als het nieuwe station of een nieuwe kuip neer te plempen en alle straten rondom het nieuwe station in één klap van nieuwe bestrating te voorzien. Er is wel geld om een JSF aan te schaffen waar van de aanschafprijs per stuk een heel orkest 25 jaar betaald kan worden. Er is wel geld voor een stadsinitiatief waar een podium als Exit 25 jaar mee overeind had kunnen blijven.

Goed bestuur hebben we nodig en geen regelneukers.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

pijnackerplein 1982

Oud en Nieuw 1982

Wat hieraan vooraf ging lees je hier

Scherf stond intussen als een bezetene aan het beltouw te trekken in de hoop dat de bewoners hem zouden horen.  Ik wilde hem waarschuwen dat we beter als de sodemieter weg konden wezen voordat het vuur verder ging oplaaien. We stonden nu nog in de schaduw, maar dat ging niet lang meer duren; naarmate er meer bomen op het vuur geworpen werden zag je het licht verder in onze richting opkruipen. Toen gebeurden er vlak achter elkaar drie dingen: op hetzelfde moment dat ik Scherf bereikt had, met het idee hem de dichtstbijzijnde zijstraat in te sleuren, hoorde ik een meisje in het pand krijsen. Er werd een barricade voor het raam op de eerste verdieping weggetrokken, het raam werd geopend waarin een hysterisch gillende kraakster verscheen. ‘Laat ons met rust, kankerlijers’, brulde ze naar buiten. ‘Genoeg!!!’ Heel even leek het alsof alle geluid op het plein verstomde. De atmosfeer leek te verdikken en ik zag alle beweging tot een slow-motion vertragen. Het licht dat door het vreugdevuur werd verspreid laaide op. Het werd zo helder dat de gevel van het kraakpand net zo goed door een krachtige schijnwerper bestraald had kunnen worden. Scherf en ik stonden in het volle licht in het portiek van het pand; als ratten in de val. De silhouetten van de Pijnackerbende staken af tegen de gloed van het vuur. Het waren er echt geen stuk of dertig meer. De meute was aangegroeid tot wel honderd man en ze keken allemaal in onze richting. Omdat die hysterische trut, door het bijna even hysterische aanbellen van Scherf, zo nodig in een flip moest raken waren we nu de pineut. Er was maar één weg hieruit en dat was naar binnen. Maar de bewoners van het kraakpand zouden ons nooit binnenlaten zolang ze niet hadden gezien dat wij het waren. Ik zag de horden langzaam onze richting uit komen; het was nu of nooit. Scherf en ik dachten blijkbaar precies hetzelfde en we sprongen het portiek uit. Net op tijd, want de hysterica werd al door een medebewoner uit het raamgat naar binnen getrokken terwijl een ander het raam begon te sluiten. ‘Laat ons erin’, schreeuwde Scherf en ik keek dat de kraker aan het raam nog net in zijn gezicht voordat het raam sloot en de barricades er weer voor werden geplaatst. Alle vluchtwegen waren intussen door de groep pleiners versperd. Scherf bleef schreeuwen dat ze open moesten doen, totdat ik hem richting de deur duwde. Voor de eerste keer beleefde ik een moment waarin je je leven aan je voorbij ziet trekken en dat moment duurde veel te kort. Ik was godverdomme pas achttien jaar en ik had een paar maanden geleden nog voor de dienstplicht bedankt om uiteindelijk toch nog in een zinloze oorlog te sneuvelen. Scherf bleef de krakers aanroepen en smeken om open te doen. Nu in het gat waar eens de bel in bevestigd gezeten. Er lag niets in het portiek dat ook maar enigszins als verdedigingswapen gebruikt kon worden. Ik merkte op dat moment ook pas dat ik de ketting, die ik altijd als broekriem gebruikte, thuis had achtergelaten. Wapens; je sjouwt er maandenlang nodeloos mee rond en op het moment dat je ze echt nodig hebt heb je ze niet bij je. De pleiners waren ons tot op een meter of vijf genaderd en ik stond op het punt in de laatste seconden van mijn leven me alsnog aan Jezus over te leveren toen de meute de opmars stopte. Een milliseconde verkeerde ik in de hoop dat ze het met ons uit gingen praten, maar dat was niet de reden dat er gestopt werd. Ik zag de steekvlammetjes van tientallen strijkers oplichten en toen begreep ik wat de bedoeling was. Ik draaide me om, dook zover mogelijk de hoek in en trok mijn jas over mijn hoofd. Toen het losbarstte leek het een langgerekte knal, als een twintigponder uit een Stuka in het portiek detoneerde. Toen ik weer bij zinnen kwam lag ik in de gang van het pand naar adem te snakken. Ik zag vaag iemand de deur weer barricaderen met twee grote balken. Ik keek verdwaasd om me hen en zag Scherf naast me liggen. Zijn mond bewoog; waarschijnlijk was hij nog steeds aan het gillen dat ze ons naar binnen moesten laten, maar er drong even geen geluid meer door tot mijn wereld.

Een paar minuten later trok mijn gezichtsveld een beetje bij en zag ik weer tamelijk scherp. Op een zwarte vlek in het beeld van mijn linkeroog na dan. Dat irriteerde me vreselijk. De contactlens die ik droeg had me voor oogletsel behoed. Ik haalde hem eruit en zag dat er een stukje ingebrande zwarte materie in zat. Kruit uit een strijker. Terwijl ik er toch zeker van was dat ik met mijn jas om mijn hoofd en mijn ogen dicht had gehad op het moment dat die strijkers afgingen. Nu kon ik alleen met mijn rechteroog nog scherp zien. Dat was ook irritant, maar in ieder geval beter dan die vlek.

De enorme ruis in mijn oren maakte plaats voor de bekende piep, die ik na optredens ook altijd in mijn oren had. Ik kon in ieder geval, door de piep heen, weer een beetje horen. Iets minder leuk was dat Scherf vlak naast me zat en niet op kon houden met gillen dat hij die hufters buiten wilde vermoorden. Het had op dat moment wellicht verstandiger geweest als hij een de-escalerend geluid had voortgebracht; ik had alleen geen idee hoe dat dan had moeten klinken. Toen volgde een doffe klap en nog een. Het leek erop dat de buitendeur van het pand met een stormram werd bewerkt. Dreun volgde op dreun en elke keer zag ik de voordeur, en de balken ervoor, een beetje verder meegeven. Het was overduidelijk dat het een kwestie van een paar minuten zou worden voordat de deur het zou begeven. Behalve Scherf en ik stonden er twee andere krakers in de gang en we keken allemaal gebiologeerd naar de deur. Alsof we niet meer konden doen dan mindpower in te zetten om de aanval af te weren. Het voelde alsof we konijnen in een hol dat door een stel hondsdolle vossen word uitgegraven waren. Ik schoot uit mijn lethargie en stormde de trap van het pand op. Iemand moest iets doen voordat die deur het begaf en ernaar kijken ging niet helpen. Prioriteit nummer één: wapens. Ik rende de woonkamer op de eerste verdieping in. De ruimte werd slechts door een peertje aan het plafond verlicht. Het meisje die uit het raam had gehangen lag op een kussen in de hoek die het verst van de ramen was verwijderd onbedaarlijk te bibberen. Verder was er niemand. Ik had toch minimaal die vier punkies hier binnen verwacht, maar noppes. Er was ook nergens iets als een honkbal knuppel of ook maar een lange lat te vinden. Ik zocht alle overige kamers af en het beste wat ik kon vinden was een stuk openhaard hout dat veel te dik en te kort was om effectief als wapen ingezet te worden. Scherf kwam intussen ook boven en was ook zichtbaar geschrokken van de afwezigheid van hulp en wapens. ‘We zijn de lul’, mompelde hij ‘we zijn de lul’. Koortsachtig dacht ik over manieren om ons te verdedigen. De ramen waren gebarricadeerd met matrasveren. Voorlopig werd er alleen met vuurwerk naar de ruiten gegooid en zelfs als eens strijker vlak voor de ruit zou ontploffen en de ruit zou breken, waren we redelijk goed beschermd tegen rondvliegend glas. Maar we konden daardoor de aanvallers ook niet vanuit de ramen bekogelen. Nu hadden we ook weinig om ze mee te bekogelen, op die houtblokken en de huisraad na. Ik herinnerde me opeens een opmerking van Schizo toen ik hem bij mij thuis een keer had opgebiecht dat ik geen idee had hoe me te verdedigen mocht mijn huis aangevallen worden. Hij had geopperd dat je in zo’n geval toch gewoon de koelkast voor het trapgat kon zetten en die naar beneden kon kankeren op het moment dat er mensen de trap op komen. Iets beters was er in dit geval ook niet te verzinnen dus ik zocht Scherf en na een korte uitleg begonnen we de koelkast uit de keuken naar het trapgat te slepen. Het was jammer dat er geen wasmachine aanwezig was; die zijn een stuk zwaarder en dodelijker dan koelkasten. Maar de hier aanwezige exemplaar was een behoorlijk oude, en een stuk zwaarder dan die moderne koelers. Scherf schreeuwde naar de krakers in de hal dat ze naar boven moesten komen en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Daarna zat er niets anders op dan te wachten op het onvermijdelijke moment dat de deur het zou begeven en de barbaren de trap zouden bestormen. Dat gaf me tijd om de krakers eindelijk eens goed te bekijken. Ik herkende er een; die had ik al eens in een ander pand gezien. Hij heette Carel, met een c, en na even denken wist ik ook uit welk pand hij kwam; het pand vlak om de hoek bij mijn ouderlijk huis op de Heemraadssingel. Het eerste kraakpand waar ik ooit een voet binnen had gezet. Hij knikte even naar me terwijl ik hem aanstaarde; hij herkende me wel, maar was blijkbaar, en begrijpelijkerwijs,  niet in de stemming voor begroetingsrituelen. Carel was gekleed en gekapt als een typische kraker; gemillimeterd haar, blauwe overall en zware schoenen. Als je hem op een steiger zou zetten zou hij niet opvallen; hij had alleen geen matje en hij zou waarschijnlijk weigeren meisjes na te fluiten.  De andere kraker was zo’n kunstenaarstype met een dikke bril en zwart geverfd haar waar je de schaar die de lange lokken had weggeknipt nog bijna in kon zien. Prototype kunstenaarshippie. Het meisje lag nog altijd in de kamer te bibberen.  Op haar hoefden we niet te rekenen. Ik vroeg waar die vier punks gebleven waren en Carel vertelde dat die vorige week naar een nieuw pand aan de Hooghlandstraat waren verhuisd. Aangezien de reden dat ik hier was gekomen vier, inmiddels verhuisde, punkkameraden was, voelde ik me opeens behoorlijk lullig. Ik zette hier mijn leven op het spel voor een paar gasten die ik nauwelijks kende en die zo dom waren geweest om een pand te kraken dat middenin het territorium van een van de grootste jeugdbendes van de stad lag. Het was dat Scherf keek alsof hij hier ook liever niet wilde zijn, anders had ik hem op dat moment waarschijnlijk een hengst gegeven. En het gevoel dat ik op het totaal verkeerde moment, op de verkeerde plaats aanwezig was, moest natuurlijk, op uitgerekend datzelfde ogenblik, nog even honderdduizendmaal versterkt worden. Want opeens stond dat meisje in de gang. Haar ogen stonden verwilderd en ik merkte nu pas dat ze een tuinpak aanhad. De manier waarop ze me aankeek voorspelde niet veel goeds; ze keek alsof ze me wilde aanvallen.  Er kwam meteen nadat ik haar blik gevangen had een vloedgolf woorden uit haar mond omhoog borrelen waar de ratten geen kaas van hadden gelust. ‘Het was godverdomme net weer rustig toen jullie zo nodig buiten moesten gaan lopen schreeuwen, stelletje kutpunks!’ schreeuwde ze me toe. ‘Het was net voorbij, die gasten buiten hadden hun lolletje gehad en waren weggegaan van het plein en toen moesten jullie ze zo nodig gaan provoceren!’Jullie zijn net zulk gespuis als die klootzakken die hier woonden; we waren net zo blij dat die opgepleurd waren.’ Dat wijf had een stem die dwars door je heen sneed. Dit was wel het laatste wat ik verwacht had, al had ik voor de deur al begrepen dat die muts niet helemaal spoorde. Scherf begon sputterend uit te leggen dat we hier alleen waren gekomen om te helpen, maar bij mij sloeg de vlam opeens in de pan. Mijn rode vriend trok weer eens voor mijn ogen langs, ik moest me inhouden om haar niet op haar bek te timmeren. Ik sprong op en begon tegen haar uit te varen. ‘Houd je bek feministische kutmongool met je grote hysterische kankerbek, we kwamen hier om je uit de rats te helpen maar wat mij betreft kan je de kutschurft krijgen vuile vieze stoephoer’!! Ik had altijd al een harde stem, geoefend door twee jaar brullen in bandjes, maar nu ging ik echt helemaal los en bulderde door de gang. Hysterica kon er echter, zoals al gezegd, ook wat van en liet zich niet door mijn kanonnade uit het veld slaan. Ze schold net zo hard terug: ‘debiele kutpunks met jullie kankergeintjes altijd, zwakzinnige hufters met jullie grote muilen en groen uitgeslagen kankerkapsels, vieze kankerzwerver tyft op uit me huis!! En toen ik weer: ‘Krijg de kanker met je vuile grafhuis, de fucking fik d’r in, ouwe kankertemeier die je bent, krijg de ziekte’. Hysterica riposteerde met: ‘hoerenjong, kanker op met die mietjes van een kankervriendjes van je, jullie verpesten altijd alles, grafmongolen.’ Na deze uitval was het een milliseconde stil, ik nam de tijd om zoveel mogelijk lucht in mijn longen te persen en nam tegelijk de kans waar om wat inspiratie op te doen voor mijn volgende scheldkanonnade. Maar voordat ik uit kon barsten voelde ik een hand van Carel op mijn schouder en nog een op mijn borst. Ik ademde dus maar weer uit en zag dat Carel zijn linkerwijsvinger omhoog hield. Toen drong tot me door wat hij duidelijk probeerde te maken; het geluid van de  oprukkende buurtbewoners was verstomd. Er klonken in de verte nog knallen van vuurwerk maar dat kwam niet van het plein, daar leek het stil. Het was zo’n moment dat eeuwig lijkt te duren. Niemand had een idee wat er precies aan de hand was. We konden niet zien wat er buiten gebeurd en we durfden geen van allen te bewegen uit angst de magie te doorbreken en teruggeworpen te worden in een realiteit waaraan we dolgraag uit wilden ontsnappen. Ik keek hysterica recht in haar gezicht en zag haar woede omslaan in ongeloof. Pas dagen later wilde ik toegeven dat het best een lekker ding was.  De stilte werd uiteindelijk doorbroken door een blauw zwaailicht dat nadat het precies zeven keer de kamer had verlicht versterkt werd door een politiesirene die opeens keihard losbarste. Zoals gewoonlijk kwam de cavalerie te laat en op een vervelend moment. De hippe kunstenaar rende naar het raam en werd onmiddellijk in een zoeklicht gevangen. De sirene maakte plaats voor een mobilofoon. ‘Zouden jullie de deur even open willen maken?’ knetterde het uit de luidspreker. Het magische moment was verbroken. De kunstenaar stond een beetje verdwaasd in het volle licht naar de kit te zwaaien, Scherf slaakte duidelijk hoorbaar een diepe zucht in de wetenschap dat hij ook deze verzoeking had overleefd en Carel schoof de koelkast uit het trapgat en maakte aanstalten om naar beneden te gaan om de deur van de barricades te ontdoen. Ik stond nog altijd tegenover hysterica en pas op dat moment wisten we onze ogen van elkaar af te wenden en draaide ik me half om. Carel keek ons beiden aan met een geheimzinnige glimlach voordat hij de trap af liep. Ik draaide weer terug maar ze was intussen al op weg naar het raam waar ze samen met de hippie voor ging staan. Niemand van ons is er ooit nog over begonnen, maar het leek er sterk op dat mijn ruzie met hysterica de aanvallers van  het pand zo verbaasd had dat ze even waren vergeten waar ze mee bezig waren. Meer voor de hand liggend was natuurlijk dat ze de politie veel eerder dan wij aan hadden zien komen en daardoor de aanval op hadden gegeven. Toch was en bleef het een magisch moment want het voelde honderd procent zeker alsof de agressie van buiten geabsorbeerd werd door ons verbale zwarte gat.

Even later stonden er acht agenten in het pand en werden we tot onze verbazing gesommeerd mee te gaan naar het politiebureau. Natuurlijk maakten de bewoners daar hevig bezwaar tegen omdat het pand onbeschermd achter zou blijven. Daarop werden we zonder omhaal in de boeien geslagen, het pand uit gesleurd en verdeeld over drie politie Chevrolets naar het Haagse Veer vervoerd en werden we pas laat in de ochtend een voor een weer vrijgelaten. Een rechercheur deelde me bij mijn vrijlating vol genoegen mee dat we van een beschermende detentie hadden genoten. Het viel me nog mee dat hij er geen rekening bij presenteerde. Scherf was al een half uur eerder vrij gekomen en wachtte  op de hoek van de Coolsingel op me. Zwijgend liepen we door de uitgestorven stad naar huis.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Oud en Nieuw 1982 Deel 2

Het eerste deel lees je hier

Twee weken later was het Oud en nieuw. 1983 stond op het punt te beginnen. Het laatste jaar voordat het mythische jaartal van 1984 aan zou breken. Voorspeld was dat er een politiestaat zou komen, maar dat zouden we dan nog wel eens zien. Voorlopig knetterde de lucht nog van de rebellie.

Maar op oud en nieuw had iedereen wel wat anders aan zijn hoofd dan de regering omver te werpen. De belangrijkste vraag was altijd: waar was het feest? Ik kon natuurlijk naar mijn moeder gaan en me daar vol gooien met oliebollen, bier en champagne, maar ik was niet voor niks op mezelf gaan wonen. Vannacht wilde ik onder gelijkgestemden zijn. Het was alleen een beetje jammer dat alle gelijkgestemden blijkbaar wel bij hun ouders zaten. Na een vruchteloze zoektocht naar feesten; door de buurt fietsend was ik alle bekende kraakpanden af geweest,  kwam ik uiteindelijk toch bij mijn moeder terecht. Daar kon ik me in ieder geval gratis vol laten lopen. Maar om 1 uur ’s nachts hield ik het voor gezien en fietste ik naar mijn nieuwe huis. Ik had nog een halve fles champagne meegesnaaid die ik in het doodstille pand opdronk. Iedereen was weg en ik voelde me een beetje verloren. Als ik in mijn eentje dronken ben, word ik altijd nogal melancholiek. Ik verviel in een mijmering over mijn verloren kamer en mistte het ouderlijk huis opeens enorm. Om half twee was ik die bui spuugzat en besloot  ik maar te gaan slapen. Ik sliep bijna toen ik Scherf hoorde roepen. Hij stond onderaan de trap en vroeg schreeuwend of ik thuis was. Toen ik dat beaamde stormde hij de trap op onderwijl roepend dat het  kraakpand op het Pijnackerplein aangevallen werd. “ Ze belden net via de telefoonketting;  die gasten hebben hulp nodig” , riep hij. Ik richtte me half op maar de alcoholnevels trokken me terug mijn bed in. “ Pleur op”, was het enige wat ik eruit kreeg.  Scherf bleef nog even staan maar zag in dat het geen zin had om te blijven zeuren. Hij stormde weer naar beneden en ik hoorde hem bij alle vier de andere woningen van de Braadworst aanbellen. Weinig kans dat er iemand thuis was, en nog minder kans dat iemand zich geroepen voelde om het slagveld te betreden. Ik draaide in mijn bed om me weer over te geven aan de slaap, maar plotseling schoot het door mijn kop dat die vier jochies, die mijn TV naar huis gesjouwd hadden, in dat pand aan het Pijnackerplein woonden. Vloekend sprong ik uit bed en kleedde me snel aan, onderwijl naar Scherf schreeuwend dat hij op me moest wachten. Ik had geen tijd genoeg om voor rellen geschikte kleding uit te zoeken en toen ik de straat op kwam merkte ik dat ik zelfs mijn trui vergeten  had aan te trekken. De koude wind greep mijn lijf, ik ritste mijn leren jack zo hoog mogelijk dicht. Scherf was niet meer in de straat, dus zette ik het op een lopen richting Pijnackerplein. Ik hoefde alleen  de hoek om, een stuk 3e Pijnackerstraat door en de Zaagmolenstraat over te steken. Daarna nog een kroeg en vier huizen voorbij voordat de straat zich in het plein verbreedde. Er waren nog redelijk wat mensen op straat die nog niet door hun voorraad vuurwerk heen waren. Oud en nieuw in Rotterdam klonk, ook zonder aanvallen op je huis, verdacht veel als een burgeroorlog waarin iedereen lukraak op iedereen aan het schieten is.  Onderweg bedacht ik me dat het onmogelijk zou zijn het pand te bereiken als het daadwerkelijk belegerd werd. Scherf had hetzelfde bedacht, want hij stond op de hoek van het plein de situatie te overzien toen ik hem inhaalde. Heel even was hij blij me te zien maar daarna schoot hij weer in zijn adrenalinerush. Zijn ogen waren zo groot als schoteltjes en ik wist dat er maar weinig meer voor nodig was om hem door te laten slaan. Scherf had een sterk gevoel voor rechtvaardigheid; dat bracht hem hier en weerhield hem om weer zo snel mogelijk weg te rennen. Maar de situatie was tamelijk hopeloos. Er brandde een vuur midden op het plein en daaromheen stonden enige tientallen buurtbewoners te feesten. Het vuur liep echter op zijn einde bij gebrek aan brandstof. Het lag precies tussen ons en het pand in. Het kraakpand zag er vanaf waar wij stonden niet uit alsof het belegerd werd. Er stond in ieder geval geen massa mensen voor de deur. Er brandde geen licht binnen en het pand zag er verlaten uit. Mijn lust om hier een beetje met buurtbewoners te gaan knokken was al niet erg groot. Dat waren  mensen die je later nog dagelijks tegen zou kunnen komen. En zo te zien was het allemaal een storm in een glas water geweest. Iemand in dat pand had waarschijnlijk teveel geblowd of een verkeerd pilletje geslikt, was paranoia geworden, en had de telefoonketting in werking gesteld. Als er gevaar dreigde lag er in elk pand een telefoonlijst. Zo kon je andere kraakpanden bereiken. De ontvanger van je telefoontje belde dan het eerstvolgende nummer op de lijst en ging daarna op weg naar de brandhaard. Dat systeem werkte over het algemeen best goed. Je kon op deze manier binnen korte tijd minimaal een man of twintig op de been krijgen. Maar dagen als Oud en Nieuw waren hierop een uitzondering. Weinig kans dat er dan krakers op telefoonwacht gingen zitten. Dat het pand op het Pijnackerplein Scherf aan de lijn had gekregen was nog een klein wonder.

Het Pijnackerplein was traditioneel een plaats waar de kerstbomen werden verbrand die in de weken tussen kerst en oud en nieuw door de lokale jeugd verzameld werden. Die jacht was de laatste paar jaar een beetje uit de hand gelopen en had geresulteerd in heuse bendeoorlogen. Elk plein had zijn eigen jeugdbende en die van het Pijnackerplein was de grootste in onze buurt. De politie liet zich op oud en nieuw niet zien, tenminste zolang er geen huizen in de fik gingen.

De krakers en punks in het Oude Noorden hadden nog maar weinig last van die bendes gehad. Het waren echte straatschoffies en aangezien veel punks daar, toen ze wat jonger waren ook bij hadden gehoord, was er altijd een soort gewapende vrede gebleven. Punks waren natuurlijk wel freaks in de ogen van dat soort gasten, maar ze konden ons nog niet zo goed plaatsen. We waren in ieder geval geen hippies. Hippies waren zelfs in de kraakbeweging al een tijdje uit de mode. Zelfs de wat oudere krakers, die vroeger hun haar tot op hun reet droegen, hadden nu meestal fris geknipte koppies. Maar aan de andere kant bestond de jongste generatie punks; de generatie waar Scherf en ik ook bij hoorden, ook niet uit echte straatjongens. Wij waren over het algemeen Havoklanten en geen LTS’ers. Scherf studeerde zelfs op de Sociale Academie. Straatjochies hebben snel door dat je er niet een van hun soort bent. Ik was in ieder geval nog in een buurt opgegroeid waar het er vaak ook ruig aan toe ging. Waar je gebruikte injectienaalden en condooms aan de rand van de trapveldjes kon vinden en ’s avonds hoeren aan het cruisen waren. Waar straatschoffies met spijkers door hun schoenneuzen gingen voetballen en elkaars schenen tot een bloederige pulp trapten. Maar ik was, totdat ik op mijn 15e door het punkvirus werd besprongen, een studiebol geweest. Ik las liever boeken dan dat ik buiten mijn schenen op het spel ging zetten.

Maar behalve de veranderende samenstelling van de punkscene was er ook nog de opkomst van de Centrumpartij. Dat had de stemming in de wijk doen omslaan. En tot de rellen op 30 april 1980 was de Nederlandse bevolking over het algemeen positief gestemd over krakers. Iedereen had last van de woningnood en dat wij oude , in onbruik geraakte, panden bezetten vond men wel een goed idee. Maar die massale oproer op Koninginnedag 1980 had het imago van de krakers weinig goed gedaan. Toen de CP tegen de buitenlanders begon te ageren hadden de krakers duidelijk partij tegen het fascistoïde gedachtegoed genomen.  De straatjeugd was destijds nog roomblank;  buitenlandse jeugd had je nog niet. De gezinsherenigingen waren nog maar net op gang gekomen en het besef dat buitenlanders hier niet slechts tijdelijk zouden blijven, begon nog maar net door te dringen. Het gewauwel dat die buitenlanders de oorzaak van de grote werkloosheid waren ging er bij dit soort gasten in als koek.

Ik was in ieder geval opgelucht dat het allemaal wel mee leek te vallen en wilde eigenlijk liever meteen weer naar huis. Maar Scherf stond erop dat we bij het pand gingen aanbellen om te kijken of alles in orde was. Met zware tegenzin liep ik mee. Ik had het stervenskoud en verlangde naar mijn bed. Maar misschien hadden ze nog wat te drinken bij die gasten, en dit kon nooit lang duren.

We liepen het plein voor de zekerheid niet over, maar namen een omweg langs de huizen. De groep feestgangers op het plein was niet buitengewoon groot; ik schatte dat hij nog uit een mannetje of dertig bestond. Maar dat waren er nog altijd genoeg om voorzichtig te blijven. We liepen zo onopvallend mogelijk in de richting van het pand. Ik zag er nog steeds geen teken van leven. Regelmatig knalden er nog strijkers en ander zwaar vuurwerk op het plein en gingen er vuurpijlen de lucht in. Het was alsof elke knal op ons gericht was, en het leek een eeuwigheid te duren voordat we het pand eindelijk bereikt hadden. Ik keek nog even om naar het vuur en de feestgangers toen we eindelijk voor de deur stonden, terwijl Scherf de vier treden van het portiek op klom om aan te bellen. De situatie op het plein was niet veranderd. Door de gloed van het vuur zag ik de silhouetten van een stuk of tien stomdronken buurtbewoners die rotjes in het vuur aan het gooien waren onderwijl restjes champagne of bier rechtstreeks uit de fles drinkend.

Er hing een trekbel naast de deur; letterlijk. Een stuk touw van ongeveer een meter waar de trekknop nog aan hing. De bel was overduidelijk met veel geweld gesaboteerd want het touw hing er lam bij en er zat een gat naast de deur waar de stang van de bel ooit ingemetseld was geweest.. Er zat een grote brandvlek op de deur en er lagen overdreven veel rode papieren overblijfselen van rotjes op de stoep voor het pand. Er waren nog meer sporen van geweld op de voordeur van het pand aanwezig. Alsof iemand met een bijl de deur had bewerkt. Scherf probeerde of hij de bel nog kon laten rinkelen en dat lukte wonderwel; de bel zat nog aan het touw en was te groot om door het gat naast de deur naar buiten getrokken te worden. Ik hield intussen het plein in de gaten en opeens zag ik beweging; een hele hoop beweging. Een grote groep jongeren kwam joelend vanaf de eerste Pijnackerstraat het plein oprennen. Heel even dacht ik dat het plein door een rivaliserende bende werd aangevallen, maar die gasten werden met gejuich begroet. De meeste nieuwkomers sleepten kerstbomen met zich mee. “Kut; de kerstbomenjacht”, kreunde ik zachtjes.

Klik hier voor het derde en laatste deel

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek. Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Het ruwe materiaal van mijn boek beslaat nu ruim 100.000 woorden waarvan bijna de helft geschrapt moet worden. Schrappen is echter moeilijker dan schrijven….

Onderstaand verhaal komt in drie delen op mijn blog….

Oud en nieuw 1982

Ik had vanaf begin december het rijk alleen gekregen op de zolder. Scherf was dan eindelijk naar de een etage beneden verhuisd waar Peter en Marijke hadden gewoond. Die waren naar Delfshaven vertrokken, waar ze een zeefdrukkerij over hadden genomen. Het was best leuk geweest om de zolder te delen, maar na twee maanden op elkaars lip te hebben gezeten waren we allebei blij dat we wat meer ruimte voor onszelf hadden. Ik vond het vooral fijn dat ik de zolder nu naar eigen believen in kon gaan richten. Er was op de zolder geen plaats geweest voor mijn eigen spullen die voor het grootste gedeelte nog bij mijn ouders stonden, verspreid over twee adressen aangezien mijn ouders gescheiden waren. Bij mijn moeder stond mijn platencollectie, mijn pick-up en een geluidsinstallatie. In de kamer die ik in mijn moeders huis bewoonde lagen een soort rubberen noppentegels op de vloer. Die waren heel fijn omdat spuitbus verf er niet aan hechtte, maar  ze waren te zwaar om in de Braadworst twee trappen op te sjouwen. Ik zag mezelf op die kleine zolder, onder die schuine daken die het vloeroppervlak van de kamer nog kleiner maakte dan hij al was, ook niet vrolijk jassen en T-shirts staan spuiten. Daarbij lag er op mijn zolder al tapijt op de vloer, en dat was maar goed ook, want het was er al koud genoeg. In overleg met mijn moeder besloot ik de tegels bij haar te laten liggen totdat ik een grotere kamer in het pand kon krijgen of ergens anders ging wonen. En ik wilde me ook op andere technieken dan spuitmallen gaan richten.  Ik was erg onder de indruk van het vakmanschap van Peter geweest wat betreft zeefdrukken en ik had me ingeschreven voor een cursus zeefdrukken bij de SKVR. Met zeefdrukken kon je betere resultaten bereiken dan met spuiten. En bijkomend voordeel was dat je geen letters hoefde uit te snijden; daar was ik gewoon niet goed in. Secure werkjes zijn niks voor mij. Ik kan niet tegen priegelen.

De rest van mijn spullen stonden bij mijn vader. Het belangrijkste was mijn bandrecorder, een enorme Grundig waar je aparte sporen mee op kon nemen. Twee sporen slechts maar die kon je met behulp van een andere recorder weer samen voegen en zo kon je in principe eindeloos sporen toevoegen.  Ik had  helaas geen tweede recorder, maar ik kon wel opnames met stereobeeld maken. Op de zolder van het aangrenzende pand, waar Skoeter ooit gewoond had, zouden Scherf en ik een oefenruimte gaan bouwen. We zaten allebei in een band, overigens niet dezelfde, want ik speelde met Kikker, Gino en twee andere maten van school in een band die we Persona Non Grata hadden gedoopt. Persona Non Grata leek in het begin veel op de Rondos en Crass. Scherf was gitarist van Formaline K. Formaline K leek qua sound sterk op Discharge. Discharge was onze favoriete band. Waar Crass teksten van honderden regels voor nodig had kon Discharge het in 5 woorden: ‘free speech for the dumb’. Toen ik die Discharge LP grijs draaide op de kamer bij mijn moeder vroeg Paul, haar toenmalige vriend, eens naar die teringherrie die ik elke dag na thuiskomst van school zo loeihard draaide. Niet dat hij daar last van had, want ik draaide bij gebrek aan speakers met een koptelefoon op. Mijn speakers stonden bij mijn vader, want daar kon ik zo hard draaien als ik wilde. Maar ik had nogal de neiging om met de muziek mee te zingen. Vandaar dat hij vroeg wat ik nou zo staccato de hele dag aan het zingen was. Wel; free speech for the dumb dus. Hij lachte schamper en zei dat als punkers het vrije woord als iets voor de dommen beschouwden het een nog stommere beweging was dan hij al dacht. Ik liet hem maar in zijn waan. Die kut PvdA’er wist niet eens dat dumb stom betekent en niet dom. Het vrije woord voor de stommen.

Mijn moeder reed op een zaterdagmorgen door de besneeuwde stad, met mijn installatie in de achterbak van haar huis naar dat van mijn vader waar ik mijn bandrecorder en boxen ophaalde om daarna door te rijden naar de Braadworst. Ik werd bij mijn oude kamer bij mijn vader aangekomen even bedolven door droefenis. Dit was bijna 15 jaar mijn heiligdom geweest. De laatste drie jaar had de kamer een metamorfose ondergaan. Op mijn 12e werd ik gegrepen door het bouwmodellen virus. Mijn kamer werd een klein museum geweid aan de tweede wereldoorlog, met in alle hoeken diorama’s met bouwmodellen van tanks en soldaten die zo realistisch mogelijk geverfd en in een omgeving vol uitgebrande huizen en andere vernietiging neergezet waren. En  vliegtuigen in verschillende schalen, die aan het plafond aan touwtjes hingen. Op mijn 15e was dat alles plotsklaps voorbij want toen nam een nog sterker virus bezit van mijn hersenpan. Mijn kamer veranderde daarop in een museum voor het pamflettisme. De bouwmodellen maakten plaats voor  posters tegen oorlog en fascisme. Die posters waren nu allemaal netjes door mijn vader van de muur verwijderd en stonden op de gang in een grote tekenmap; klaar om verhuisd te worden. Mijn bandrecorder en  boxen stonden erbij en drie dozen vol kleding. De kamer was een paar weken eerder door de dochter van mijn vaders nieuwe vrouw ingepikt. Verder dan een blik om de deur kwam ik niet. Een golf van gal spoelde door mijn mond door de aanblik van wat eens mijn kamer was geweest. Mijn kamer; de plaats die me 15 jaar lang rust en een veilige plek had geboden, waar mijn ouders vanaf mijn 10e geen voet meer binnen hadden mogen zetten, waar ik voodoo rituelen uitgevoerd had op poppetjes die leraren en vijandelijk gezinde medeleerlingen moesten voorstellen, waar ik voor het eerst never mind the bollocks en disturbing domestic peace had beluisterd, waar ik voor de eerste keer met een vriendinnetje had gevreeën, waar ik voor het eerst mijn haar en T-shirts had geverfd. Die kamer hing nu vol met posters van Coca Cola. Ik heb nooit een ergere heiligschennis moeten aanschouwen. Het was alsof de muren met me mee moesten huilen.

Op mijn geluidsinstallatie na had ik voor de rest eigenlijk niet veel. Ik nam een matras, een dekbed, een kussen en mijn kleding mee. Scherf had een butagaskachel en een gasstel achtergelaten en mijn moeder gaf me nog wat oude pannen en serviesgoed; belachelijk veel serviesgoed. Alsof ik op mijn zolder dinertjes voor 6 personen zou gaan geven.

Wat ik voor de rest nog nodig had zou ik nog wel op straat vinden. Wanneer je in het voorjaar door de wat chiquere delen van de stad reed kon je op straat in een dag een complete huisraad bij elkaar scharrelen. Dan vond traditioneel de voorjaarschoonmaak plaats en werd alle huisraad die niet meer voldeed aan het heersende modebeeld aan de vuilnisman meegegeven. Het was een kwestie van met een bakfiets door Kralingen en Hillegersberg cruisen en dan kon je alles van je gading inladen.  Destijds werden er vooral van die jaren zeventig meubelen weggegooid; vooral bruine bankstellen, die uit grote kussens bestonden en die je tot een bed uit kon klappen, waren nu niet meer populair. Het was alleen zaak om eerst goed aan ze te ruiken en te checken of ze niet onder de katten of hondenpis zaten. Als ik de kat van een stel kakkers was geweest had ik van weeromstuit ook de hele zooi ondergezeken. De mensen van de absurde overvloed. Je kon ruimschoots van hun restjes leven.

Het half jaar dat ik had moeten wachten voordat mijn uitkering in ging was ook eindelijk voorbij. Ik hoefde nu niet meer te leven van de bijdrage die mijn ouders aan me gaven; ik had sinds begin september, toen ik bij Scherf introk, maar 200 gulden per maand te besteden gehad. Omdat ik samen met Scherf had gewoond en we alle kosten hadden gedeeld was ik daar net mee uitgekomen. En nee; het idee om een baan te gaan zoeken was geen moment bij me opgekomen. Ik was 18 jaar slaaf van het schoolsysteem geweest. No more! Ik had me voorgenomen nooit en te nimmer voor een baas gaan werken. Ik had niet zozeer een probleem met werken, hoor. Maar wel met bazen. Fuck ‘m. Ik vertikte het om ergens vakken te gaan vullen. Er waren miljoenen jongeren op zoek naar een baan; welke baan dan ook. Anderen waren misschien blij met wat voor baan dan ook. Ik niet. Ik wist dat ik zonder kon, overleven was makkelijk als je al die consumptietroep links liet liggen. Wat je nodig had kon je gratis vinden of heel goedkoop aanschaffen. Kleding, huisvesting en meubels kon je met wat improvisatietalent bij elkaar scharrelen.  Het enige twee zaken die je moest kopen was voedsel voor het lijf; dat haalde je bij de supermarkt. En voedsel voor het brein; dat haalde je bij Haddock (legendarische platenzaak op de van Oldenbarneveldstraat) en de dealer om de hoek.

Scherf betaalde, net als iedereen in de vier naast elkaar gelegen kraakpanden, voor de stroom. Dat kostte niet veel; er woonden zoveel mensen in de panden die de rekeningen samen deelden dat we 25 gulden per persoon kwijt waren.  Er zat geen gasaansluiting op de zolder. Dat betekende dat ik butagas moest stoken en om de twee weken naar de Bergweg moest om een nieuwe gasfles te scoren. De lege fles wegbrengen was nog te doen, maar een volle fles was echt loodzwaar. Met die fles in je klauwen kon je hooguit twintig passen maken voordat je bijna door je rug ging en hem neer moest zetten. Het voelde ook net alsof je met een vliegtuigbom van 50 kilo door de straat aan het sjouwen was. Het idee dat de inhoud van de fles ontplofbaar was maakte dat karweitje nog onaangenamer. Maar zonder verwarming was die zolder onleefbaar. Met die butagaskachel was het trouwens ook al nauwelijks te doen. Soms zat ik met een deken om de kachel geslagen warm te worden. Uit bed komen was in de wintermaanden een enorme opgave. Ik kon vanuit mijn bed door een smalle spleet vlak boven de dakgoot naar buiten kijken en zag ijspegels hangen. Het gekke was dat ik dat alles toen gewoon accepteerde. Het huis zou sowieso binnen een jaar of twee afgebroken worden, maar dat had me dat er niet van moeten weerhouden om provisorische verbeteringen aan te brengen. Maar in het begin was alles gewoon spannend en kwam het niet eens in je op om iets tegen de elementen uit te voeren. Het was juist een uitdaging om alle nieuwe ontberingen op je pad het hoofd proberen te bieden. Je had toch geen geld, en wat je had ging op aan belangrijkere zaken.

Het eerste wat ik van mijn eerste uitkering aanschafte was een TV. Ik kreeg vanaf nu 685 gulden per maand van de soos. Ik kocht voor 100 gulden een tweedehands kleurenbak bij Corrupt; die zaak heette eigenlijk Correct, maar niemand noemde het zo. Mijn vader had nooit een kleuren TV gehad, maar die had dan ook meer principes dan ik. De TV was bijna even zwaar als een gasfles en had geen handvatten. Ik was rechtstreeks vanaf de sociale dienst waar ik een voorschot van 250 gulden had gekregen naar Corrupt gelopen en had er niet bij stilgestaan dat die driehonderd meter die ik met die TV in mijn klauwen naar huis moest lopen zo’n opgave zou zijn. Dat ding was dan ook enorm. Hij was bijna een meter in het vierkant en gleed na ongeveer vijf passen al bijna uit mijn handen. Ik kreeg opeens spijt dat ik niet op het aanbod de TV thuis te laten bezorgen was ingegaan. Vijfentwintig gulden bezorgkosten vond ik wat overdreven voor die driehonderd meter, maar als die TV uit mijn handen zou pleuren zou ik voor niks 100 gulden hebben uitgegeven. Er zat geen garantie op die tweedehands spullen bij Corrupt. Gelukkig kwamen er een paar punks uit het pand op het Pijnackerplein aanlopen die de TV van me overnamen en hem tot in mijn kamer sjouwden. Ik voelde me een beetje opgelaten omdat ik zelf niet meer hoefde te tillen. Maar ze waren met zijn vieren en namen twee aan twee beurtelings de TV over. Ze sloegen zelfs mijn aanbod af om wat bier te gaan kopen en vertrokken meteen. Vriendelijke lui. Typische jonge punks die, net als ik, net bij hun ouders weg waren. The new breed. Ik nam me voor ze snel eens in hun pand op te gaan zoeken.

Lees deel 2 hier

hoe wil je hier mooi geluid produceren?

Deze week werden de plannen bekend voor het zogenaamde popkantoor in het oude postkantoor op de Coolsingel te Rotterdam. Dit plan is ingediend in het kader van het stadsinitiatief. Mocht dit plan de stemming winnen dan is er 2,5 miljoen beschikbaar om het uit te voeren. Een van de voorwaarden die bij het stadsinitiatie horen is dat het project uiteindelijk niet in aanmerking mag komen voor andere (structurele) subsidies.

Het Popkantoor is typisch zo’n plan waar je twee minuten blij van wordt; Rotterdam staat te springen om podia (ik gebruik hier niet voor niets een meervoud!) en een podium op een zo prominente plaats als de Coolsingel klinkt super aantrekkelijk. Maar de ontnuchtering slaat dus na twee minuten alweer toe.

Bij mij gebeurde dat toen ik het woord ‘tijdelijk’ in de plannen las. Deze plannen kunnen alleen tijdelijk worden uitgevoerd omdat de 2,5 miljoen domweg niet genoeg is om een dergelijk podium meer dan een paar jaar te laten bestaan. I hate to rain on your parade, Meneer Geensen, maar in een paar jaar bouw je geen Rotterdams Paradiso op. Paradiso bestaat al meer dan 40 jaar en een dergelijke zaal doet er minimaal vijf jaar over om genoeg naamsbekendheid te vergaren om de grote acts die jij zo graag wil zien aan te trekken. Kijk maar naar Watt; op Morrissey en The Stooges na bestond de programmering daar vooral uit acts waarvoor Paradiso, De Melkweg en 013 bedankten. Het maakt niet uit hoe goed je contacten met Mojo zijn; grote(re) acts bepalen zelf welke Nederlandse zaal ze aandoen en het duurt jaren voordat een zaal bij de eerste keus zit.

En iedereen die het oude postkantoor kent weet dat als je in die hal een dubbeltje liet vallen je zes keer een echo om je oren kreeg. Het woord galmbak is nogal zacht uitgedrukt. Het gebouw is daarbij ook nog een monument dus je mag er nog geen spijker in de muur slaan. De enige manier om binnen het budget goed geluid in die zaal te krijgen is een soort doos in de hal van het postkantoor te bouwen waarin de akoestiek goed is. Maar daarmee gaat de grandeur van het gebouw wel voor de bezoekers verloren.

Daarnaast ben ik bang dat de initiatiefnemers van het Popkantoor zijn vergeten hoe streng de normen voor geluidsoverlast in deze stad gehandhaafd worden. Ook een stadsinitiatief moet vergunningen krijgen. Ik denk dat de vanaf januari verplichte geluidstest roet in het eten gaat gooien. De galm bestrijden wordt al moeilijk, maar minder dan 85 Db geluid naar buiten toe lekken is schier onmogelijk!

Bij mij blijft er maar één gedachte hangen als ik dit soort plannen lees; hoe lang gaat het duren voordat het budget overschreden wordt en er actie gevoerd moet worden om meer geld bij de gemeente lost te krijgen? En wie garandeert ons dat er ook hier niet een paar slimme jongens hun zakken gaan vullen en voortijdig tabee zeggen? En ik heb het hier niet eens over de initiatiefnemers, maar over uitgekookte aannemers; het zal niet de eerste keer zijn als de kosten voor de verbouwing gierend uit de hand lopen. Het idee dat we voor die 2,5 miljoen maanden of zelfs jaren naar een gebouw in wording mogen gaan staren, waarin uiteindelijk bij gebrek aan budget nul komma niks gaat gebeuren, staat me echt niet aan.

Als ik dan ook nog hoor dat die Dave Geensen uit het kringetje rond Motel Mozaique afkomstig is weet ik genoeg; dit plan komt uit de koker van het good old boys network van subsidieslurpers die op zoek zijn naar een leuke nieuwe locatie voor hun driedaags festival.

Hier is een beter idee: voor die 2,5 miljoen kun je een tent oprichten die 25 jaar blijft bestaan. Als je het tenminste niet op de Coolsingel in een pand gaat zitten waar driekwart van je budget in een verbouwing verdwijnt. Ik ken twee jongens die al een tijdje bezig zijn met een toffe locatie, vlakbij de binnenstad in een pand dat ooit een discotheek was en dus weinig verbouwing behoeft. Deze jongens zijn bezig een zo groot mogelijke coalitie te vormen met Rotterdamse muziekliefhebbers met een rock ’n roll hart. Ik heb me bij ze aangesloten.. .Wij willen een tent zoals de Vlerk ooit was. Onze locatie zit qua grote tussen Waterfront en de Vlerk op de Blaak in.

De locatie is inmiddels bekend en ook als stadsinitiatief aangemeld. Om onze plannen te verwezenlijken hebben we maar een fractie van die 2,5 miljoen nodig. Sterker nog; alleen al van de jaarlijkse rente van dat bedrag zouden we een programma kunnen neerzetten. Gewoon door een beetje houtje touwtje te werken en genoegen te nemen met een plan dat minder prestigieus is, maar een stuk levensvatbaarder.

Mochten we winnen dan mogen ze wat ons betreft de rest van het geld gebruiken om nog vijf andere kleine tenten op te richten of geven ze het op ons part aan Worm.

Lees hier het vervolg op deze column genaamd ‘Het Popkantoor blijft een waardeloos idee’.

De TV is een karikatuur van zichzelf aan het worden; het is echt verworden tot een medium dat bedoeld is om mensen dom te houden.

Ik moet toegeven dat ik dol ben op TV kijken. Dat is raar want zoals iedereen weet is er via de buis niks meer te zien wat nog de moeite waard is. Bijna niks dan. Dus kijk ik tegenwoordig naar bijna niks. Vroeger stond de TV bij mij van zes tot 12 uur aan; tegenwoordig nog steeds maar zit ik achter mijn computer en ga ik alleen even kijken als er een doelpunt valt.

Ik heb gelukkig zo’n kastje waarmee ik digitaal TV kijk. Op dat kastje kan je de favoriete zenders instellen. De RTL’s en SBS’en zijn er dus meteen vanaf gepleurd want ik krijg graag film, maar niet als zo’n film twee keer zolang duurt omdat er tussendoor bij elkaar een uur reclame over me uitgekotst moet worden. Ik HAAT reclames. Zelfs reclames die de eerste keer dat je ze ziet grappig overkomen. Als iemand je op dezelfde avond 10x keer dezelfde mop verteld, nodig je de desbetreffende persoon toch ook nooit meer uit?

Het grootste probleem dat ik met TV heb is dat er steeds vaker dingen behandeld worden die ik allang weet. Of die ik gewoonweg niet WIL weten. Ik wil helemaal niet weten wat Frans Bauer bij de zigeuners doet. Ik wil niet weten hoe gezellig de TROS het op het plein maakt. Het interesseert me geen hol wie 1 tegen honderd wint. Het maakt me niks uit wat de zoveelste derderangs BN’er over wat dan ook vindt van wat dan ook bij DWDD en dat minuutje muziek mogen ze ook in hun reet steken; hele nummers or bust!

Maar ik zoek dus tegenwoordig elders naar programma’s die me wel over zaken weten in te lichten die ik nog niet weet. Ik heb een onstilbare honger naar kennis, en het maakt we niks uit wat voor kennis. Maar ik heb geen zin om de hele dag over het web te surfen. Ik zit al genoeg achter dat kreng van een computer. Dus kijk ik vooral naar TV documentaires. Natuurdocu’s als ze tenminste niet alweer over alleen leeuwen gaan, want hoe die leven weet ik zo langzamerhand wel. Politiek; zolang het niet over Nederland gaat, want daar lees in online al meer dan genoeg over . Daarnaast wil ik die hoofden van Mark Rutte en Diederik Samson liever helemaal nooit meer zien.

Het maakt me eigenlijk niet eens zoveel uit wat voor kennis er opgedist wordt. Ik vreet echt alles; van hoe je een gat in de muur boort tot kwantum mechanica. Dus bij mij staat bijna de hele avond alleen The History channel of Discovery aan. Want ik kijk graag naar programma’s waar mensen laten zien wat ze allemaal kunnen i.p.v. naar programma’s waar BN’ers ouwehoeren over zaken waar ze geen verstand van hebben.  Ik vind shows als Pawn Stars leuk; daar zie je de meest bizarre antieke voorwerpen uit een tijd dat mensen nog wat met hun handen konden maken de revue passeren, en een pandjesbaas je laat zien hoe je over prijzen onderhandeld. Of American Restauration waar iemand laat zien hoe ze zulke voorwerpen in hun oude glorie restaureren . Of American Pickers; waar twee gasten zulke voorwerpen opscharrelen en Storage wars en Whale wars en alles over de tweede wereldoorlog of wat voor oorlog dan ook.  Any war will do…

Op de publieke omroep kijk ik bijna alleen naar het journaal. Soms zelfs meerdere keren op verschillende zenders. Dat is soms verhelderend, zeker als je daarna het internet als factchecker erbij neemt. We worden nogal eens bij de neus genomen. Of het journaal of het internet dat doet laat ik in het midden. Vorige week liet het journaal een item zien over een demonstratie in Madrid en beweerde dat er hooguit een paar honderd mensen op de been waren. Op het internet zag je echter filmpjes waarin duizenden demonstranten het parlement omsingelden. Heel soms kan er bewezen worden dat het journaal je verhaaltjes opdist die de regering en Brussel beter uitkomen. Daar slaan de rillingen wel even van over je rug, maar eigenlijk wist ik dat ook allang. En sinds wanneer moet het nieuws op een eenvoudige manier gebracht worden? Is dat om te zorgen dat de lezers van de Telegraaf en het AD het ook kunnen begrijpen?

Ik ben bang dat het gemiddelde IQ van de Hollander angstwekkend snel daalt, dankzij zowel de publieke als de commerciële omroepen. Maar ik kan er heel erg slecht tegen om door TV makers als een domme idioot behandeld te worden.

De beste straf voor de domme idioten in dit land is ze TV-programma’s  laten zien waar ze geen moer van begrijpen. Hopelijk wordt bij sommigen van die idioten de hersenschors net een klein beetje gekieteld zodat hun devolutie wat minder snel plaatsvindt. Als je dat elitair vindt: my ass!!

En de politicus die dat systeem van zendercoördinatoren heeft bedacht moeten ze aan z’n ballen opgehangen een hele avond naar Paul de Leeuw laten kijken.

deze muzikant komt niet in het verhaal voor

Een straatmuzikant heeft bezit genomen van een plekje naast de ingang van mijn buurtsuper; een ouwe junk die het bestaan als draaideurcrimineel waarschijnlijk zat was, en helaas net iets te vaak van vrienden had gehoord dat hij zo leuk kan spelen…  Hij speelt en zingt echt verschrikkelijk slecht, zijn Engels klinkt alsof hij in het Rotterdams iets brabbelt, maar hij zingt wel heel hard, dat moet ik hem nageven. Maar dat is nog niet het ergste. Hij zingt oude hits, vooral classic rock en die blijven, ondanks het slechte spel, in mijn hoofd hangen. Ik ben zo iemand die zo snel mogelijk en het liefst met de handen over mijn oren langs dit soort figuren snelt. Niet dat ik zo’n junk een eerlijke nering misgun, maar ik kan gewoon niet tegen slecht uitgevoerde muziek, en duurt het bij mij soms uren voordat ik zo’n oorwurm uit mijn brein hen weten te jagen. De enige manier waarop dat lukt is een uur Slayer op het hoogste volume en dat trekken mijn buren weer niet.

Het duurt, vanwege de abominabele uitvoeringen altijd even voordat ik het nummer dat hij kweelt herken. Dus probeer ik elke keer snel binnen te zijn want zodra de schuifdeur dichtklapt hoor ik hem niet meer en ben ik veilig. Maar vaak lukt dat net niet.  De eerste keer dat ik hem zag speelde hij Hotel California; op zijn zachtst gezegd al niet een van mijn favoriete nummers, maar ook een die erger dan erg klinkt als je het ook nog eens met een onvaste stem gaat jengelen.

Ik dacht eerst dat het een nogal bezig mannetje was omdat hij er werkelijk de hele openingtijd daar aan het spelen is. Pas nadat ik vier keer met een oorwurm thuis kwam en ik me echt aan hem begon te ergeren besloot ik die zakkenwasser eens aan een nadere inspectie te onderwerpen. Bij die nadere inspecties bleek dat het om twee muzikanten gaat die elkaar afwisselen. Een begrijpelijke vergissing want qua speelstijl en uiterlijk zijn ze inwisselbaar. Waarschijnlijk zijn het broers, want ze lijken als twee druppels water op elkaar. Op andere tijden boodschappen gaan doen hielp dus niet dus er moesten meer drastische maatregelen volgen. Ik ben niet zo van fysiek of verbaal geweld, maar ik kreeg een ingeving.

Ik kocht in de super een kladblok en een pen, sloop tegelijk met een klas lawaaiige scholieren de deur uit, maakte een cirkeltje rond de bloemenkiosk en liep op het inmiddels ‘heart of gold’ van Neil Young verkrachtende heerschap af (ook al zo’n nummer dat zelfs in de originele versie tenenkrommend is, maar natuurlijk wel blijft hangen). Om zijn aandacht te trekken wierp ik een muntje van 50 cent in zijn bekertje. Hij stopte even om te bedanken; wat ook al zo’n ergerlijke gewoonte is, want hij hakkelde die bedankjes dus tussen de nummers door en probeert na elke uitgebreide dankbetuiging de draad weer op te pakken. Daarvoor moet je kunnen tellen dus dat lukt hem niet. Er duiken daarom steeds van die vreemde pauzes in zijn nummers op die het hele geval nog honderd maal ergerlijker maken.

Maar ik maakte van dit moment gebruik om wat vragen te stellen en hopend op meer geld van mijn kant ging de muzikant er gretig op in. ‘Doe je dit al lang?’ was vraag een. ‘Ik speel al zeker tien jaar’,  blufte de junk.’ Een mooie tweede vraag had geweest waarom hij dan een nummer als ‘blowin in the wind’ nog steeds niet kon uitvoeren, maar ik had op dit antwoord gehoopt dus ik kwam met een andere vraag:  ‘En je speelt alleen bekende nummers en geen eigen werk?’  Hij gaf toe dat hij dat wel geprobeerd had maar dat hij helemaal niks verdiende als hij zijn zelfgemaakte nummers speelde. Dat geloofde ik nou meteen. ‘En je speelt wel acht uur per dag ofzo?’, ’Bijna een complete werkdag?’ Gretig beaamde de muzikant dit want zo liet hij toch maar even mooi zien dat hij samen met zijn broer echt hard voor zijn geld werkte. ‘En hoeveel dagen per jaar?  ‘Oh wel 300 dagen; ik speel alleen niet bij extreme koude.’‘OK’, zei ik en ik  begon driftig in mijn kladboek te schrijven en te rekenen. ‘Ik werk voor de BUMA, covers spelen kost tien eurocent per minuut, dat is 60x 8 uur = 48 euro per dag x 300 dagen x tien jaar. Buma krijgt dus nog een slordige €144.000 van jullie. De muzikant was al weg.

Nu moet ik een manier verzinnen om de muziekinstallatie van de super te saboteren voordat ik straks tot eind december met in mijn hoofd wurmende Sinterklaas en kerstliedjes moet rondlopen.

%d bloggers liken dit: