Skip navigation

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

pijnackerplein 1982

Oud en Nieuw 1982

Wat hieraan vooraf ging lees je hier

Scherf stond intussen als een bezetene aan het beltouw te trekken in de hoop dat de bewoners hem zouden horen.  Ik wilde hem waarschuwen dat we beter als de sodemieter weg konden wezen voordat het vuur verder ging oplaaien. We stonden nu nog in de schaduw, maar dat ging niet lang meer duren; naarmate er meer bomen op het vuur geworpen werden zag je het licht verder in onze richting opkruipen. Toen gebeurden er vlak achter elkaar drie dingen: op hetzelfde moment dat ik Scherf bereikt had, met het idee hem de dichtstbijzijnde zijstraat in te sleuren, hoorde ik een meisje in het pand krijsen. Er werd een barricade voor het raam op de eerste verdieping weggetrokken, het raam werd geopend waarin een hysterisch gillende kraakster verscheen. ‘Laat ons met rust, kankerlijers’, brulde ze naar buiten. ‘Genoeg!!!’ Heel even leek het alsof alle geluid op het plein verstomde. De atmosfeer leek te verdikken en ik zag alle beweging tot een slow-motion vertragen. Het licht dat door het vreugdevuur werd verspreid laaide op. Het werd zo helder dat de gevel van het kraakpand net zo goed door een krachtige schijnwerper bestraald had kunnen worden. Scherf en ik stonden in het volle licht in het portiek van het pand; als ratten in de val. De silhouetten van de Pijnackerbende staken af tegen de gloed van het vuur. Het waren er echt geen stuk of dertig meer. De meute was aangegroeid tot wel honderd man en ze keken allemaal in onze richting. Omdat die hysterische trut, door het bijna even hysterische aanbellen van Scherf, zo nodig in een flip moest raken waren we nu de pineut. Er was maar één weg hieruit en dat was naar binnen. Maar de bewoners van het kraakpand zouden ons nooit binnenlaten zolang ze niet hadden gezien dat wij het waren. Ik zag de horden langzaam onze richting uit komen; het was nu of nooit. Scherf en ik dachten blijkbaar precies hetzelfde en we sprongen het portiek uit. Net op tijd, want de hysterica werd al door een medebewoner uit het raamgat naar binnen getrokken terwijl een ander het raam begon te sluiten. ‘Laat ons erin’, schreeuwde Scherf en ik keek dat de kraker aan het raam nog net in zijn gezicht voordat het raam sloot en de barricades er weer voor werden geplaatst. Alle vluchtwegen waren intussen door de groep pleiners versperd. Scherf bleef schreeuwen dat ze open moesten doen, totdat ik hem richting de deur duwde. Voor de eerste keer beleefde ik een moment waarin je je leven aan je voorbij ziet trekken en dat moment duurde veel te kort. Ik was godverdomme pas achttien jaar en ik had een paar maanden geleden nog voor de dienstplicht bedankt om uiteindelijk toch nog in een zinloze oorlog te sneuvelen. Scherf bleef de krakers aanroepen en smeken om open te doen. Nu in het gat waar eens de bel in bevestigd gezeten. Er lag niets in het portiek dat ook maar enigszins als verdedigingswapen gebruikt kon worden. Ik merkte op dat moment ook pas dat ik de ketting, die ik altijd als broekriem gebruikte, thuis had achtergelaten. Wapens; je sjouwt er maandenlang nodeloos mee rond en op het moment dat je ze echt nodig hebt heb je ze niet bij je. De pleiners waren ons tot op een meter of vijf genaderd en ik stond op het punt in de laatste seconden van mijn leven me alsnog aan Jezus over te leveren toen de meute de opmars stopte. Een milliseconde verkeerde ik in de hoop dat ze het met ons uit gingen praten, maar dat was niet de reden dat er gestopt werd. Ik zag de steekvlammetjes van tientallen strijkers oplichten en toen begreep ik wat de bedoeling was. Ik draaide me om, dook zover mogelijk de hoek in en trok mijn jas over mijn hoofd. Toen het losbarstte leek het een langgerekte knal, als een twintigponder uit een Stuka in het portiek detoneerde. Toen ik weer bij zinnen kwam lag ik in de gang van het pand naar adem te snakken. Ik zag vaag iemand de deur weer barricaderen met twee grote balken. Ik keek verdwaasd om me hen en zag Scherf naast me liggen. Zijn mond bewoog; waarschijnlijk was hij nog steeds aan het gillen dat ze ons naar binnen moesten laten, maar er drong even geen geluid meer door tot mijn wereld.

Een paar minuten later trok mijn gezichtsveld een beetje bij en zag ik weer tamelijk scherp. Op een zwarte vlek in het beeld van mijn linkeroog na dan. Dat irriteerde me vreselijk. De contactlens die ik droeg had me voor oogletsel behoed. Ik haalde hem eruit en zag dat er een stukje ingebrande zwarte materie in zat. Kruit uit een strijker. Terwijl ik er toch zeker van was dat ik met mijn jas om mijn hoofd en mijn ogen dicht had gehad op het moment dat die strijkers afgingen. Nu kon ik alleen met mijn rechteroog nog scherp zien. Dat was ook irritant, maar in ieder geval beter dan die vlek.

De enorme ruis in mijn oren maakte plaats voor de bekende piep, die ik na optredens ook altijd in mijn oren had. Ik kon in ieder geval, door de piep heen, weer een beetje horen. Iets minder leuk was dat Scherf vlak naast me zat en niet op kon houden met gillen dat hij die hufters buiten wilde vermoorden. Het had op dat moment wellicht verstandiger geweest als hij een de-escalerend geluid had voortgebracht; ik had alleen geen idee hoe dat dan had moeten klinken. Toen volgde een doffe klap en nog een. Het leek erop dat de buitendeur van het pand met een stormram werd bewerkt. Dreun volgde op dreun en elke keer zag ik de voordeur, en de balken ervoor, een beetje verder meegeven. Het was overduidelijk dat het een kwestie van een paar minuten zou worden voordat de deur het zou begeven. Behalve Scherf en ik stonden er twee andere krakers in de gang en we keken allemaal gebiologeerd naar de deur. Alsof we niet meer konden doen dan mindpower in te zetten om de aanval af te weren. Het voelde alsof we konijnen in een hol dat door een stel hondsdolle vossen word uitgegraven waren. Ik schoot uit mijn lethargie en stormde de trap van het pand op. Iemand moest iets doen voordat die deur het begaf en ernaar kijken ging niet helpen. Prioriteit nummer één: wapens. Ik rende de woonkamer op de eerste verdieping in. De ruimte werd slechts door een peertje aan het plafond verlicht. Het meisje die uit het raam had gehangen lag op een kussen in de hoek die het verst van de ramen was verwijderd onbedaarlijk te bibberen. Verder was er niemand. Ik had toch minimaal die vier punkies hier binnen verwacht, maar noppes. Er was ook nergens iets als een honkbal knuppel of ook maar een lange lat te vinden. Ik zocht alle overige kamers af en het beste wat ik kon vinden was een stuk openhaard hout dat veel te dik en te kort was om effectief als wapen ingezet te worden. Scherf kwam intussen ook boven en was ook zichtbaar geschrokken van de afwezigheid van hulp en wapens. ‘We zijn de lul’, mompelde hij ‘we zijn de lul’. Koortsachtig dacht ik over manieren om ons te verdedigen. De ramen waren gebarricadeerd met matrasveren. Voorlopig werd er alleen met vuurwerk naar de ruiten gegooid en zelfs als eens strijker vlak voor de ruit zou ontploffen en de ruit zou breken, waren we redelijk goed beschermd tegen rondvliegend glas. Maar we konden daardoor de aanvallers ook niet vanuit de ramen bekogelen. Nu hadden we ook weinig om ze mee te bekogelen, op die houtblokken en de huisraad na. Ik herinnerde me opeens een opmerking van Schizo toen ik hem bij mij thuis een keer had opgebiecht dat ik geen idee had hoe me te verdedigen mocht mijn huis aangevallen worden. Hij had geopperd dat je in zo’n geval toch gewoon de koelkast voor het trapgat kon zetten en die naar beneden kon kankeren op het moment dat er mensen de trap op komen. Iets beters was er in dit geval ook niet te verzinnen dus ik zocht Scherf en na een korte uitleg begonnen we de koelkast uit de keuken naar het trapgat te slepen. Het was jammer dat er geen wasmachine aanwezig was; die zijn een stuk zwaarder en dodelijker dan koelkasten. Maar de hier aanwezige exemplaar was een behoorlijk oude, en een stuk zwaarder dan die moderne koelers. Scherf schreeuwde naar de krakers in de hal dat ze naar boven moesten komen en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Daarna zat er niets anders op dan te wachten op het onvermijdelijke moment dat de deur het zou begeven en de barbaren de trap zouden bestormen. Dat gaf me tijd om de krakers eindelijk eens goed te bekijken. Ik herkende er een; die had ik al eens in een ander pand gezien. Hij heette Carel, met een c, en na even denken wist ik ook uit welk pand hij kwam; het pand vlak om de hoek bij mijn ouderlijk huis op de Heemraadssingel. Het eerste kraakpand waar ik ooit een voet binnen had gezet. Hij knikte even naar me terwijl ik hem aanstaarde; hij herkende me wel, maar was blijkbaar, en begrijpelijkerwijs,  niet in de stemming voor begroetingsrituelen. Carel was gekleed en gekapt als een typische kraker; gemillimeterd haar, blauwe overall en zware schoenen. Als je hem op een steiger zou zetten zou hij niet opvallen; hij had alleen geen matje en hij zou waarschijnlijk weigeren meisjes na te fluiten.  De andere kraker was zo’n kunstenaarstype met een dikke bril en zwart geverfd haar waar je de schaar die de lange lokken had weggeknipt nog bijna in kon zien. Prototype kunstenaarshippie. Het meisje lag nog altijd in de kamer te bibberen.  Op haar hoefden we niet te rekenen. Ik vroeg waar die vier punks gebleven waren en Carel vertelde dat die vorige week naar een nieuw pand aan de Hooghlandstraat waren verhuisd. Aangezien de reden dat ik hier was gekomen vier, inmiddels verhuisde, punkkameraden was, voelde ik me opeens behoorlijk lullig. Ik zette hier mijn leven op het spel voor een paar gasten die ik nauwelijks kende en die zo dom waren geweest om een pand te kraken dat middenin het territorium van een van de grootste jeugdbendes van de stad lag. Het was dat Scherf keek alsof hij hier ook liever niet wilde zijn, anders had ik hem op dat moment waarschijnlijk een hengst gegeven. En het gevoel dat ik op het totaal verkeerde moment, op de verkeerde plaats aanwezig was, moest natuurlijk, op uitgerekend datzelfde ogenblik, nog even honderdduizendmaal versterkt worden. Want opeens stond dat meisje in de gang. Haar ogen stonden verwilderd en ik merkte nu pas dat ze een tuinpak aanhad. De manier waarop ze me aankeek voorspelde niet veel goeds; ze keek alsof ze me wilde aanvallen.  Er kwam meteen nadat ik haar blik gevangen had een vloedgolf woorden uit haar mond omhoog borrelen waar de ratten geen kaas van hadden gelust. ‘Het was godverdomme net weer rustig toen jullie zo nodig buiten moesten gaan lopen schreeuwen, stelletje kutpunks!’ schreeuwde ze me toe. ‘Het was net voorbij, die gasten buiten hadden hun lolletje gehad en waren weggegaan van het plein en toen moesten jullie ze zo nodig gaan provoceren!’Jullie zijn net zulk gespuis als die klootzakken die hier woonden; we waren net zo blij dat die opgepleurd waren.’ Dat wijf had een stem die dwars door je heen sneed. Dit was wel het laatste wat ik verwacht had, al had ik voor de deur al begrepen dat die muts niet helemaal spoorde. Scherf begon sputterend uit te leggen dat we hier alleen waren gekomen om te helpen, maar bij mij sloeg de vlam opeens in de pan. Mijn rode vriend trok weer eens voor mijn ogen langs, ik moest me inhouden om haar niet op haar bek te timmeren. Ik sprong op en begon tegen haar uit te varen. ‘Houd je bek feministische kutmongool met je grote hysterische kankerbek, we kwamen hier om je uit de rats te helpen maar wat mij betreft kan je de kutschurft krijgen vuile vieze stoephoer’!! Ik had altijd al een harde stem, geoefend door twee jaar brullen in bandjes, maar nu ging ik echt helemaal los en bulderde door de gang. Hysterica kon er echter, zoals al gezegd, ook wat van en liet zich niet door mijn kanonnade uit het veld slaan. Ze schold net zo hard terug: ‘debiele kutpunks met jullie kankergeintjes altijd, zwakzinnige hufters met jullie grote muilen en groen uitgeslagen kankerkapsels, vieze kankerzwerver tyft op uit me huis!! En toen ik weer: ‘Krijg de kanker met je vuile grafhuis, de fucking fik d’r in, ouwe kankertemeier die je bent, krijg de ziekte’. Hysterica riposteerde met: ‘hoerenjong, kanker op met die mietjes van een kankervriendjes van je, jullie verpesten altijd alles, grafmongolen.’ Na deze uitval was het een milliseconde stil, ik nam de tijd om zoveel mogelijk lucht in mijn longen te persen en nam tegelijk de kans waar om wat inspiratie op te doen voor mijn volgende scheldkanonnade. Maar voordat ik uit kon barsten voelde ik een hand van Carel op mijn schouder en nog een op mijn borst. Ik ademde dus maar weer uit en zag dat Carel zijn linkerwijsvinger omhoog hield. Toen drong tot me door wat hij duidelijk probeerde te maken; het geluid van de  oprukkende buurtbewoners was verstomd. Er klonken in de verte nog knallen van vuurwerk maar dat kwam niet van het plein, daar leek het stil. Het was zo’n moment dat eeuwig lijkt te duren. Niemand had een idee wat er precies aan de hand was. We konden niet zien wat er buiten gebeurd en we durfden geen van allen te bewegen uit angst de magie te doorbreken en teruggeworpen te worden in een realiteit waaraan we dolgraag uit wilden ontsnappen. Ik keek hysterica recht in haar gezicht en zag haar woede omslaan in ongeloof. Pas dagen later wilde ik toegeven dat het best een lekker ding was.  De stilte werd uiteindelijk doorbroken door een blauw zwaailicht dat nadat het precies zeven keer de kamer had verlicht versterkt werd door een politiesirene die opeens keihard losbarste. Zoals gewoonlijk kwam de cavalerie te laat en op een vervelend moment. De hippe kunstenaar rende naar het raam en werd onmiddellijk in een zoeklicht gevangen. De sirene maakte plaats voor een mobilofoon. ‘Zouden jullie de deur even open willen maken?’ knetterde het uit de luidspreker. Het magische moment was verbroken. De kunstenaar stond een beetje verdwaasd in het volle licht naar de kit te zwaaien, Scherf slaakte duidelijk hoorbaar een diepe zucht in de wetenschap dat hij ook deze verzoeking had overleefd en Carel schoof de koelkast uit het trapgat en maakte aanstalten om naar beneden te gaan om de deur van de barricades te ontdoen. Ik stond nog altijd tegenover hysterica en pas op dat moment wisten we onze ogen van elkaar af te wenden en draaide ik me half om. Carel keek ons beiden aan met een geheimzinnige glimlach voordat hij de trap af liep. Ik draaide weer terug maar ze was intussen al op weg naar het raam waar ze samen met de hippie voor ging staan. Niemand van ons is er ooit nog over begonnen, maar het leek er sterk op dat mijn ruzie met hysterica de aanvallers van  het pand zo verbaasd had dat ze even waren vergeten waar ze mee bezig waren. Meer voor de hand liggend was natuurlijk dat ze de politie veel eerder dan wij aan hadden zien komen en daardoor de aanval op hadden gegeven. Toch was en bleef het een magisch moment want het voelde honderd procent zeker alsof de agressie van buiten geabsorbeerd werd door ons verbale zwarte gat.

Even later stonden er acht agenten in het pand en werden we tot onze verbazing gesommeerd mee te gaan naar het politiebureau. Natuurlijk maakten de bewoners daar hevig bezwaar tegen omdat het pand onbeschermd achter zou blijven. Daarop werden we zonder omhaal in de boeien geslagen, het pand uit gesleurd en verdeeld over drie politie Chevrolets naar het Haagse Veer vervoerd en werden we pas laat in de ochtend een voor een weer vrijgelaten. Een rechercheur deelde me bij mijn vrijlating vol genoegen mee dat we van een beschermende detentie hadden genoten. Het viel me nog mee dat hij er geen rekening bij presenteerde. Scherf was al een half uur eerder vrij gekomen en wachtte  op de hoek van de Coolsingel op me. Zwijgend liepen we door de uitgestorven stad naar huis.

Advertenties

One Comment

  1. Mooi verhaal. In die tijd had ik een baantje bij een oom van me in de winkel in de Jacob Catsstraat en zat ik nog volop op school. Ik hield van New Wave en kwam wel eens in Eksit en een tent in De Berenkuil. Ik was niet zo op de hoogte met de krakers- en punkscene maar die toestand op het Pijnackerplein zei me wel iets. Je verhaal leest lekker weg.


One Trackback/Pingback

  1. By Oud en Nieuw 1982 Deel 2. | leensteen on 16 Jul 2013 at 2:13 pm

    […] Klik hier voor het derde en laatste deel […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: