Skip navigation

Category Archives: Boek

Heethoofd, mijn debuutroman, ligt vanaf vandaag in de boekwinkel. Ik heb 5 jaar met heel veel plezier aan Heethoofd gewerkt. Soms werd de verhaallijn een een onontwarbare puzzel waarin waar gebeurde anekdotes door de blender gingen, personages in elkaar overvloeiden en onmogelijke keuzes gemaakt moesten worden waardoor het project soms maandenlang stillag.

Zonder de mensen die zo aardig en geïnteresseerd in mijn schrijfsels waren om mijn eerste pogingen te lezen, te redigeren en door hun reacties alle mogelijke twijfels deden wegsmelten, zou heethoofd nooit verschenen zijn. Eeuwige dank aan Kees Vermeer, Saskia Gravelijn, Silvia Vervoorn, Sira Minetti, Arthur Sauer en Dirk Berk.

Bovenal dank aan Anton Scheepstra van uitgeverij Passage die als enige van de 10 uitgeverijen waarnaar ik mijn manuscript stuurde niet ging mekkeren dat “Heethoofd niet in zijn fonds paste”.

out now

Heethoofd gaat over punkers en krakers in de jaren tachtig. Elke punk die zo nodig moet zeuren dat boeken over punk per definitie niet punk zijn mag van mij in een hoge boom klimmen en daar gaan zitten mokken. Ik kan er niets aan doen als je nooit geleerd hebt om te lezen.

Bedreig je boekhandelaar als hij Heethoofd niet in de schappen heeft liggen. Hij kan hem in een wip bestellen. Geen boekhandel in de buurt?  bestel hem dan bij uitgeverij passage.

Heethoofd ligt in Rotterdam bij de volgende boekhandels in de schappen:

Donner                                    Coolsingel 119

Boekhandel Snoek                              Meent 126

Boekhandel v/h Van Gennep              Oude Binnenweg 131b

Boekhandel Coelers                        Peppelweg 124

Bosch & deJong boekverkopers               Veerlaan 19d (in de Fenix Food Factory)

Tabac & Gifts Leentfaar                  Stadhoudersweg 4a

Nr 13                                            Linker Rottekade 13

Het Schiedams Boekhuis (Schiedam)  Hoogstraat 106

bty

De eerste recensie lees je hier: (SPOILER ALERT!!)

Hieronder het persbericht:

De Grote Rotterdamse Punkroman

Leen Steen: Heethoofd

Op zondag 22 oktober presenteert Uitgeverij Passage in Rotown, Rotterdam de roman Heethoofd van Leen Steen. De roman is gebaseerd op gebeurtenissen in de punk- en kraakscene van Rotterdam in de jaren ’80, en heeft daarnaast een boodschap voor de lezers van nu.

Auteur Leen Steen (1964)  is in Rotterdam onder andere bekend als ex-platenbaas van Tocado Records en oud-programmeur en -directeur van poppodium Exit. Heethoofd is zijn romandebuut. Leen beschrijft de punkwereld van de jaren ’80 van binnenuit. Hij maakte het allemaal zelf mee.

Heethoofd speelt begin jaren tachtig. Centraal in dit boek staan de belevenissen van een jonge punker die zijn intrek neemt in het kraakpand ‘De Ambassade’ in Rotterdam (voor de kenners: slaat op de Van Vollenhove). Van binnenuit volgt een heerlijk en eerlijk tijdsbeeld van een jonge punk in de wereldstad. Heethoofd is een roman vol idealen en ledigheid, agressie en doem, verzet en politiek, muziek en andere kunstuitingen, ware en liefdes en harde seks.  En dat allemaal in een grote drive geschreven. Maar Heethoofd is ook een roman over botsende wereldbeelden en eindigt met een gewelddadige wraakactie.

Heethoofd is niet alleen een terugblik op een ongekend turbulente tijd, het boek laat de hedendaagse lezer vooral ook het belang van idealen zien. Bijzonder is ook dat er nu ook eindelijk eens een punk- en kraakroman over Rotterdam verschijnt.

 

Noot voor de pers:

Leen Steen is beschikbaar voor interviews, contact via:

Vraag bij Uitgeverij Passage een recensie-exemplaar of een digitale leesproef aan via info@uitgeverijpassage.nl

De Ambassade waar Heethoofd zich grotendeels in afspeelt: Van Vollenhovenstraat 36

bty

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

pijnackerplein 1982

Oud en Nieuw 1982

Wat hieraan vooraf ging lees je hier

Scherf stond intussen als een bezetene aan het beltouw te trekken in de hoop dat de bewoners hem zouden horen.  Ik wilde hem waarschuwen dat we beter als de sodemieter weg konden wezen voordat het vuur verder ging oplaaien. We stonden nu nog in de schaduw, maar dat ging niet lang meer duren; naarmate er meer bomen op het vuur geworpen werden zag je het licht verder in onze richting opkruipen. Toen gebeurden er vlak achter elkaar drie dingen: op hetzelfde moment dat ik Scherf bereikt had, met het idee hem de dichtstbijzijnde zijstraat in te sleuren, hoorde ik een meisje in het pand krijsen. Er werd een barricade voor het raam op de eerste verdieping weggetrokken, het raam werd geopend waarin een hysterisch gillende kraakster verscheen. ‘Laat ons met rust, kankerlijers’, brulde ze naar buiten. ‘Genoeg!!!’ Heel even leek het alsof alle geluid op het plein verstomde. De atmosfeer leek te verdikken en ik zag alle beweging tot een slow-motion vertragen. Het licht dat door het vreugdevuur werd verspreid laaide op. Het werd zo helder dat de gevel van het kraakpand net zo goed door een krachtige schijnwerper bestraald had kunnen worden. Scherf en ik stonden in het volle licht in het portiek van het pand; als ratten in de val. De silhouetten van de Pijnackerbende staken af tegen de gloed van het vuur. Het waren er echt geen stuk of dertig meer. De meute was aangegroeid tot wel honderd man en ze keken allemaal in onze richting. Omdat die hysterische trut, door het bijna even hysterische aanbellen van Scherf, zo nodig in een flip moest raken waren we nu de pineut. Er was maar één weg hieruit en dat was naar binnen. Maar de bewoners van het kraakpand zouden ons nooit binnenlaten zolang ze niet hadden gezien dat wij het waren. Ik zag de horden langzaam onze richting uit komen; het was nu of nooit. Scherf en ik dachten blijkbaar precies hetzelfde en we sprongen het portiek uit. Net op tijd, want de hysterica werd al door een medebewoner uit het raamgat naar binnen getrokken terwijl een ander het raam begon te sluiten. ‘Laat ons erin’, schreeuwde Scherf en ik keek dat de kraker aan het raam nog net in zijn gezicht voordat het raam sloot en de barricades er weer voor werden geplaatst. Alle vluchtwegen waren intussen door de groep pleiners versperd. Scherf bleef schreeuwen dat ze open moesten doen, totdat ik hem richting de deur duwde. Voor de eerste keer beleefde ik een moment waarin je je leven aan je voorbij ziet trekken en dat moment duurde veel te kort. Ik was godverdomme pas achttien jaar en ik had een paar maanden geleden nog voor de dienstplicht bedankt om uiteindelijk toch nog in een zinloze oorlog te sneuvelen. Scherf bleef de krakers aanroepen en smeken om open te doen. Nu in het gat waar eens de bel in bevestigd gezeten. Er lag niets in het portiek dat ook maar enigszins als verdedigingswapen gebruikt kon worden. Ik merkte op dat moment ook pas dat ik de ketting, die ik altijd als broekriem gebruikte, thuis had achtergelaten. Wapens; je sjouwt er maandenlang nodeloos mee rond en op het moment dat je ze echt nodig hebt heb je ze niet bij je. De pleiners waren ons tot op een meter of vijf genaderd en ik stond op het punt in de laatste seconden van mijn leven me alsnog aan Jezus over te leveren toen de meute de opmars stopte. Een milliseconde verkeerde ik in de hoop dat ze het met ons uit gingen praten, maar dat was niet de reden dat er gestopt werd. Ik zag de steekvlammetjes van tientallen strijkers oplichten en toen begreep ik wat de bedoeling was. Ik draaide me om, dook zover mogelijk de hoek in en trok mijn jas over mijn hoofd. Toen het losbarstte leek het een langgerekte knal, als een twintigponder uit een Stuka in het portiek detoneerde. Toen ik weer bij zinnen kwam lag ik in de gang van het pand naar adem te snakken. Ik zag vaag iemand de deur weer barricaderen met twee grote balken. Ik keek verdwaasd om me hen en zag Scherf naast me liggen. Zijn mond bewoog; waarschijnlijk was hij nog steeds aan het gillen dat ze ons naar binnen moesten laten, maar er drong even geen geluid meer door tot mijn wereld.

Een paar minuten later trok mijn gezichtsveld een beetje bij en zag ik weer tamelijk scherp. Op een zwarte vlek in het beeld van mijn linkeroog na dan. Dat irriteerde me vreselijk. De contactlens die ik droeg had me voor oogletsel behoed. Ik haalde hem eruit en zag dat er een stukje ingebrande zwarte materie in zat. Kruit uit een strijker. Terwijl ik er toch zeker van was dat ik met mijn jas om mijn hoofd en mijn ogen dicht had gehad op het moment dat die strijkers afgingen. Nu kon ik alleen met mijn rechteroog nog scherp zien. Dat was ook irritant, maar in ieder geval beter dan die vlek.

De enorme ruis in mijn oren maakte plaats voor de bekende piep, die ik na optredens ook altijd in mijn oren had. Ik kon in ieder geval, door de piep heen, weer een beetje horen. Iets minder leuk was dat Scherf vlak naast me zat en niet op kon houden met gillen dat hij die hufters buiten wilde vermoorden. Het had op dat moment wellicht verstandiger geweest als hij een de-escalerend geluid had voortgebracht; ik had alleen geen idee hoe dat dan had moeten klinken. Toen volgde een doffe klap en nog een. Het leek erop dat de buitendeur van het pand met een stormram werd bewerkt. Dreun volgde op dreun en elke keer zag ik de voordeur, en de balken ervoor, een beetje verder meegeven. Het was overduidelijk dat het een kwestie van een paar minuten zou worden voordat de deur het zou begeven. Behalve Scherf en ik stonden er twee andere krakers in de gang en we keken allemaal gebiologeerd naar de deur. Alsof we niet meer konden doen dan mindpower in te zetten om de aanval af te weren. Het voelde alsof we konijnen in een hol dat door een stel hondsdolle vossen word uitgegraven waren. Ik schoot uit mijn lethargie en stormde de trap van het pand op. Iemand moest iets doen voordat die deur het begaf en ernaar kijken ging niet helpen. Prioriteit nummer één: wapens. Ik rende de woonkamer op de eerste verdieping in. De ruimte werd slechts door een peertje aan het plafond verlicht. Het meisje die uit het raam had gehangen lag op een kussen in de hoek die het verst van de ramen was verwijderd onbedaarlijk te bibberen. Verder was er niemand. Ik had toch minimaal die vier punkies hier binnen verwacht, maar noppes. Er was ook nergens iets als een honkbal knuppel of ook maar een lange lat te vinden. Ik zocht alle overige kamers af en het beste wat ik kon vinden was een stuk openhaard hout dat veel te dik en te kort was om effectief als wapen ingezet te worden. Scherf kwam intussen ook boven en was ook zichtbaar geschrokken van de afwezigheid van hulp en wapens. ‘We zijn de lul’, mompelde hij ‘we zijn de lul’. Koortsachtig dacht ik over manieren om ons te verdedigen. De ramen waren gebarricadeerd met matrasveren. Voorlopig werd er alleen met vuurwerk naar de ruiten gegooid en zelfs als eens strijker vlak voor de ruit zou ontploffen en de ruit zou breken, waren we redelijk goed beschermd tegen rondvliegend glas. Maar we konden daardoor de aanvallers ook niet vanuit de ramen bekogelen. Nu hadden we ook weinig om ze mee te bekogelen, op die houtblokken en de huisraad na. Ik herinnerde me opeens een opmerking van Schizo toen ik hem bij mij thuis een keer had opgebiecht dat ik geen idee had hoe me te verdedigen mocht mijn huis aangevallen worden. Hij had geopperd dat je in zo’n geval toch gewoon de koelkast voor het trapgat kon zetten en die naar beneden kon kankeren op het moment dat er mensen de trap op komen. Iets beters was er in dit geval ook niet te verzinnen dus ik zocht Scherf en na een korte uitleg begonnen we de koelkast uit de keuken naar het trapgat te slepen. Het was jammer dat er geen wasmachine aanwezig was; die zijn een stuk zwaarder en dodelijker dan koelkasten. Maar de hier aanwezige exemplaar was een behoorlijk oude, en een stuk zwaarder dan die moderne koelers. Scherf schreeuwde naar de krakers in de hal dat ze naar boven moesten komen en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Daarna zat er niets anders op dan te wachten op het onvermijdelijke moment dat de deur het zou begeven en de barbaren de trap zouden bestormen. Dat gaf me tijd om de krakers eindelijk eens goed te bekijken. Ik herkende er een; die had ik al eens in een ander pand gezien. Hij heette Carel, met een c, en na even denken wist ik ook uit welk pand hij kwam; het pand vlak om de hoek bij mijn ouderlijk huis op de Heemraadssingel. Het eerste kraakpand waar ik ooit een voet binnen had gezet. Hij knikte even naar me terwijl ik hem aanstaarde; hij herkende me wel, maar was blijkbaar, en begrijpelijkerwijs,  niet in de stemming voor begroetingsrituelen. Carel was gekleed en gekapt als een typische kraker; gemillimeterd haar, blauwe overall en zware schoenen. Als je hem op een steiger zou zetten zou hij niet opvallen; hij had alleen geen matje en hij zou waarschijnlijk weigeren meisjes na te fluiten.  De andere kraker was zo’n kunstenaarstype met een dikke bril en zwart geverfd haar waar je de schaar die de lange lokken had weggeknipt nog bijna in kon zien. Prototype kunstenaarshippie. Het meisje lag nog altijd in de kamer te bibberen.  Op haar hoefden we niet te rekenen. Ik vroeg waar die vier punks gebleven waren en Carel vertelde dat die vorige week naar een nieuw pand aan de Hooghlandstraat waren verhuisd. Aangezien de reden dat ik hier was gekomen vier, inmiddels verhuisde, punkkameraden was, voelde ik me opeens behoorlijk lullig. Ik zette hier mijn leven op het spel voor een paar gasten die ik nauwelijks kende en die zo dom waren geweest om een pand te kraken dat middenin het territorium van een van de grootste jeugdbendes van de stad lag. Het was dat Scherf keek alsof hij hier ook liever niet wilde zijn, anders had ik hem op dat moment waarschijnlijk een hengst gegeven. En het gevoel dat ik op het totaal verkeerde moment, op de verkeerde plaats aanwezig was, moest natuurlijk, op uitgerekend datzelfde ogenblik, nog even honderdduizendmaal versterkt worden. Want opeens stond dat meisje in de gang. Haar ogen stonden verwilderd en ik merkte nu pas dat ze een tuinpak aanhad. De manier waarop ze me aankeek voorspelde niet veel goeds; ze keek alsof ze me wilde aanvallen.  Er kwam meteen nadat ik haar blik gevangen had een vloedgolf woorden uit haar mond omhoog borrelen waar de ratten geen kaas van hadden gelust. ‘Het was godverdomme net weer rustig toen jullie zo nodig buiten moesten gaan lopen schreeuwen, stelletje kutpunks!’ schreeuwde ze me toe. ‘Het was net voorbij, die gasten buiten hadden hun lolletje gehad en waren weggegaan van het plein en toen moesten jullie ze zo nodig gaan provoceren!’Jullie zijn net zulk gespuis als die klootzakken die hier woonden; we waren net zo blij dat die opgepleurd waren.’ Dat wijf had een stem die dwars door je heen sneed. Dit was wel het laatste wat ik verwacht had, al had ik voor de deur al begrepen dat die muts niet helemaal spoorde. Scherf begon sputterend uit te leggen dat we hier alleen waren gekomen om te helpen, maar bij mij sloeg de vlam opeens in de pan. Mijn rode vriend trok weer eens voor mijn ogen langs, ik moest me inhouden om haar niet op haar bek te timmeren. Ik sprong op en begon tegen haar uit te varen. ‘Houd je bek feministische kutmongool met je grote hysterische kankerbek, we kwamen hier om je uit de rats te helpen maar wat mij betreft kan je de kutschurft krijgen vuile vieze stoephoer’!! Ik had altijd al een harde stem, geoefend door twee jaar brullen in bandjes, maar nu ging ik echt helemaal los en bulderde door de gang. Hysterica kon er echter, zoals al gezegd, ook wat van en liet zich niet door mijn kanonnade uit het veld slaan. Ze schold net zo hard terug: ‘debiele kutpunks met jullie kankergeintjes altijd, zwakzinnige hufters met jullie grote muilen en groen uitgeslagen kankerkapsels, vieze kankerzwerver tyft op uit me huis!! En toen ik weer: ‘Krijg de kanker met je vuile grafhuis, de fucking fik d’r in, ouwe kankertemeier die je bent, krijg de ziekte’. Hysterica riposteerde met: ‘hoerenjong, kanker op met die mietjes van een kankervriendjes van je, jullie verpesten altijd alles, grafmongolen.’ Na deze uitval was het een milliseconde stil, ik nam de tijd om zoveel mogelijk lucht in mijn longen te persen en nam tegelijk de kans waar om wat inspiratie op te doen voor mijn volgende scheldkanonnade. Maar voordat ik uit kon barsten voelde ik een hand van Carel op mijn schouder en nog een op mijn borst. Ik ademde dus maar weer uit en zag dat Carel zijn linkerwijsvinger omhoog hield. Toen drong tot me door wat hij duidelijk probeerde te maken; het geluid van de  oprukkende buurtbewoners was verstomd. Er klonken in de verte nog knallen van vuurwerk maar dat kwam niet van het plein, daar leek het stil. Het was zo’n moment dat eeuwig lijkt te duren. Niemand had een idee wat er precies aan de hand was. We konden niet zien wat er buiten gebeurd en we durfden geen van allen te bewegen uit angst de magie te doorbreken en teruggeworpen te worden in een realiteit waaraan we dolgraag uit wilden ontsnappen. Ik keek hysterica recht in haar gezicht en zag haar woede omslaan in ongeloof. Pas dagen later wilde ik toegeven dat het best een lekker ding was.  De stilte werd uiteindelijk doorbroken door een blauw zwaailicht dat nadat het precies zeven keer de kamer had verlicht versterkt werd door een politiesirene die opeens keihard losbarste. Zoals gewoonlijk kwam de cavalerie te laat en op een vervelend moment. De hippe kunstenaar rende naar het raam en werd onmiddellijk in een zoeklicht gevangen. De sirene maakte plaats voor een mobilofoon. ‘Zouden jullie de deur even open willen maken?’ knetterde het uit de luidspreker. Het magische moment was verbroken. De kunstenaar stond een beetje verdwaasd in het volle licht naar de kit te zwaaien, Scherf slaakte duidelijk hoorbaar een diepe zucht in de wetenschap dat hij ook deze verzoeking had overleefd en Carel schoof de koelkast uit het trapgat en maakte aanstalten om naar beneden te gaan om de deur van de barricades te ontdoen. Ik stond nog altijd tegenover hysterica en pas op dat moment wisten we onze ogen van elkaar af te wenden en draaide ik me half om. Carel keek ons beiden aan met een geheimzinnige glimlach voordat hij de trap af liep. Ik draaide weer terug maar ze was intussen al op weg naar het raam waar ze samen met de hippie voor ging staan. Niemand van ons is er ooit nog over begonnen, maar het leek er sterk op dat mijn ruzie met hysterica de aanvallers van  het pand zo verbaasd had dat ze even waren vergeten waar ze mee bezig waren. Meer voor de hand liggend was natuurlijk dat ze de politie veel eerder dan wij aan hadden zien komen en daardoor de aanval op hadden gegeven. Toch was en bleef het een magisch moment want het voelde honderd procent zeker alsof de agressie van buiten geabsorbeerd werd door ons verbale zwarte gat.

Even later stonden er acht agenten in het pand en werden we tot onze verbazing gesommeerd mee te gaan naar het politiebureau. Natuurlijk maakten de bewoners daar hevig bezwaar tegen omdat het pand onbeschermd achter zou blijven. Daarop werden we zonder omhaal in de boeien geslagen, het pand uit gesleurd en verdeeld over drie politie Chevrolets naar het Haagse Veer vervoerd en werden we pas laat in de ochtend een voor een weer vrijgelaten. Een rechercheur deelde me bij mijn vrijlating vol genoegen mee dat we van een beschermende detentie hadden genoten. Het viel me nog mee dat hij er geen rekening bij presenteerde. Scherf was al een half uur eerder vrij gekomen en wachtte  op de hoek van de Coolsingel op me. Zwijgend liepen we door de uitgestorven stad naar huis.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Oud en Nieuw 1982 Deel 2

Het eerste deel lees je hier

Twee weken later was het Oud en nieuw. 1983 stond op het punt te beginnen. Het laatste jaar voordat het mythische jaartal van 1984 aan zou breken. Voorspeld was dat er een politiestaat zou komen, maar dat zouden we dan nog wel eens zien. Voorlopig knetterde de lucht nog van de rebellie.

Maar op oud en nieuw had iedereen wel wat anders aan zijn hoofd dan de regering omver te werpen. De belangrijkste vraag was altijd: waar was het feest? Ik kon natuurlijk naar mijn moeder gaan en me daar vol gooien met oliebollen, bier en champagne, maar ik was niet voor niks op mezelf gaan wonen. Vannacht wilde ik onder gelijkgestemden zijn. Het was alleen een beetje jammer dat alle gelijkgestemden blijkbaar wel bij hun ouders zaten. Na een vruchteloze zoektocht naar feesten; door de buurt fietsend was ik alle bekende kraakpanden af geweest,  kwam ik uiteindelijk toch bij mijn moeder terecht. Daar kon ik me in ieder geval gratis vol laten lopen. Maar om 1 uur ’s nachts hield ik het voor gezien en fietste ik naar mijn nieuwe huis. Ik had nog een halve fles champagne meegesnaaid die ik in het doodstille pand opdronk. Iedereen was weg en ik voelde me een beetje verloren. Als ik in mijn eentje dronken ben, word ik altijd nogal melancholiek. Ik verviel in een mijmering over mijn verloren kamer en mistte het ouderlijk huis opeens enorm. Om half twee was ik die bui spuugzat en besloot  ik maar te gaan slapen. Ik sliep bijna toen ik Scherf hoorde roepen. Hij stond onderaan de trap en vroeg schreeuwend of ik thuis was. Toen ik dat beaamde stormde hij de trap op onderwijl roepend dat het  kraakpand op het Pijnackerplein aangevallen werd. “ Ze belden net via de telefoonketting;  die gasten hebben hulp nodig” , riep hij. Ik richtte me half op maar de alcoholnevels trokken me terug mijn bed in. “ Pleur op”, was het enige wat ik eruit kreeg.  Scherf bleef nog even staan maar zag in dat het geen zin had om te blijven zeuren. Hij stormde weer naar beneden en ik hoorde hem bij alle vier de andere woningen van de Braadworst aanbellen. Weinig kans dat er iemand thuis was, en nog minder kans dat iemand zich geroepen voelde om het slagveld te betreden. Ik draaide in mijn bed om me weer over te geven aan de slaap, maar plotseling schoot het door mijn kop dat die vier jochies, die mijn TV naar huis gesjouwd hadden, in dat pand aan het Pijnackerplein woonden. Vloekend sprong ik uit bed en kleedde me snel aan, onderwijl naar Scherf schreeuwend dat hij op me moest wachten. Ik had geen tijd genoeg om voor rellen geschikte kleding uit te zoeken en toen ik de straat op kwam merkte ik dat ik zelfs mijn trui vergeten  had aan te trekken. De koude wind greep mijn lijf, ik ritste mijn leren jack zo hoog mogelijk dicht. Scherf was niet meer in de straat, dus zette ik het op een lopen richting Pijnackerplein. Ik hoefde alleen  de hoek om, een stuk 3e Pijnackerstraat door en de Zaagmolenstraat over te steken. Daarna nog een kroeg en vier huizen voorbij voordat de straat zich in het plein verbreedde. Er waren nog redelijk wat mensen op straat die nog niet door hun voorraad vuurwerk heen waren. Oud en nieuw in Rotterdam klonk, ook zonder aanvallen op je huis, verdacht veel als een burgeroorlog waarin iedereen lukraak op iedereen aan het schieten is.  Onderweg bedacht ik me dat het onmogelijk zou zijn het pand te bereiken als het daadwerkelijk belegerd werd. Scherf had hetzelfde bedacht, want hij stond op de hoek van het plein de situatie te overzien toen ik hem inhaalde. Heel even was hij blij me te zien maar daarna schoot hij weer in zijn adrenalinerush. Zijn ogen waren zo groot als schoteltjes en ik wist dat er maar weinig meer voor nodig was om hem door te laten slaan. Scherf had een sterk gevoel voor rechtvaardigheid; dat bracht hem hier en weerhield hem om weer zo snel mogelijk weg te rennen. Maar de situatie was tamelijk hopeloos. Er brandde een vuur midden op het plein en daaromheen stonden enige tientallen buurtbewoners te feesten. Het vuur liep echter op zijn einde bij gebrek aan brandstof. Het lag precies tussen ons en het pand in. Het kraakpand zag er vanaf waar wij stonden niet uit alsof het belegerd werd. Er stond in ieder geval geen massa mensen voor de deur. Er brandde geen licht binnen en het pand zag er verlaten uit. Mijn lust om hier een beetje met buurtbewoners te gaan knokken was al niet erg groot. Dat waren  mensen die je later nog dagelijks tegen zou kunnen komen. En zo te zien was het allemaal een storm in een glas water geweest. Iemand in dat pand had waarschijnlijk teveel geblowd of een verkeerd pilletje geslikt, was paranoia geworden, en had de telefoonketting in werking gesteld. Als er gevaar dreigde lag er in elk pand een telefoonlijst. Zo kon je andere kraakpanden bereiken. De ontvanger van je telefoontje belde dan het eerstvolgende nummer op de lijst en ging daarna op weg naar de brandhaard. Dat systeem werkte over het algemeen best goed. Je kon op deze manier binnen korte tijd minimaal een man of twintig op de been krijgen. Maar dagen als Oud en Nieuw waren hierop een uitzondering. Weinig kans dat er dan krakers op telefoonwacht gingen zitten. Dat het pand op het Pijnackerplein Scherf aan de lijn had gekregen was nog een klein wonder.

Het Pijnackerplein was traditioneel een plaats waar de kerstbomen werden verbrand die in de weken tussen kerst en oud en nieuw door de lokale jeugd verzameld werden. Die jacht was de laatste paar jaar een beetje uit de hand gelopen en had geresulteerd in heuse bendeoorlogen. Elk plein had zijn eigen jeugdbende en die van het Pijnackerplein was de grootste in onze buurt. De politie liet zich op oud en nieuw niet zien, tenminste zolang er geen huizen in de fik gingen.

De krakers en punks in het Oude Noorden hadden nog maar weinig last van die bendes gehad. Het waren echte straatschoffies en aangezien veel punks daar, toen ze wat jonger waren ook bij hadden gehoord, was er altijd een soort gewapende vrede gebleven. Punks waren natuurlijk wel freaks in de ogen van dat soort gasten, maar ze konden ons nog niet zo goed plaatsen. We waren in ieder geval geen hippies. Hippies waren zelfs in de kraakbeweging al een tijdje uit de mode. Zelfs de wat oudere krakers, die vroeger hun haar tot op hun reet droegen, hadden nu meestal fris geknipte koppies. Maar aan de andere kant bestond de jongste generatie punks; de generatie waar Scherf en ik ook bij hoorden, ook niet uit echte straatjongens. Wij waren over het algemeen Havoklanten en geen LTS’ers. Scherf studeerde zelfs op de Sociale Academie. Straatjochies hebben snel door dat je er niet een van hun soort bent. Ik was in ieder geval nog in een buurt opgegroeid waar het er vaak ook ruig aan toe ging. Waar je gebruikte injectienaalden en condooms aan de rand van de trapveldjes kon vinden en ’s avonds hoeren aan het cruisen waren. Waar straatschoffies met spijkers door hun schoenneuzen gingen voetballen en elkaars schenen tot een bloederige pulp trapten. Maar ik was, totdat ik op mijn 15e door het punkvirus werd besprongen, een studiebol geweest. Ik las liever boeken dan dat ik buiten mijn schenen op het spel ging zetten.

Maar behalve de veranderende samenstelling van de punkscene was er ook nog de opkomst van de Centrumpartij. Dat had de stemming in de wijk doen omslaan. En tot de rellen op 30 april 1980 was de Nederlandse bevolking over het algemeen positief gestemd over krakers. Iedereen had last van de woningnood en dat wij oude , in onbruik geraakte, panden bezetten vond men wel een goed idee. Maar die massale oproer op Koninginnedag 1980 had het imago van de krakers weinig goed gedaan. Toen de CP tegen de buitenlanders begon te ageren hadden de krakers duidelijk partij tegen het fascistoïde gedachtegoed genomen.  De straatjeugd was destijds nog roomblank;  buitenlandse jeugd had je nog niet. De gezinsherenigingen waren nog maar net op gang gekomen en het besef dat buitenlanders hier niet slechts tijdelijk zouden blijven, begon nog maar net door te dringen. Het gewauwel dat die buitenlanders de oorzaak van de grote werkloosheid waren ging er bij dit soort gasten in als koek.

Ik was in ieder geval opgelucht dat het allemaal wel mee leek te vallen en wilde eigenlijk liever meteen weer naar huis. Maar Scherf stond erop dat we bij het pand gingen aanbellen om te kijken of alles in orde was. Met zware tegenzin liep ik mee. Ik had het stervenskoud en verlangde naar mijn bed. Maar misschien hadden ze nog wat te drinken bij die gasten, en dit kon nooit lang duren.

We liepen het plein voor de zekerheid niet over, maar namen een omweg langs de huizen. De groep feestgangers op het plein was niet buitengewoon groot; ik schatte dat hij nog uit een mannetje of dertig bestond. Maar dat waren er nog altijd genoeg om voorzichtig te blijven. We liepen zo onopvallend mogelijk in de richting van het pand. Ik zag er nog steeds geen teken van leven. Regelmatig knalden er nog strijkers en ander zwaar vuurwerk op het plein en gingen er vuurpijlen de lucht in. Het was alsof elke knal op ons gericht was, en het leek een eeuwigheid te duren voordat we het pand eindelijk bereikt hadden. Ik keek nog even om naar het vuur en de feestgangers toen we eindelijk voor de deur stonden, terwijl Scherf de vier treden van het portiek op klom om aan te bellen. De situatie op het plein was niet veranderd. Door de gloed van het vuur zag ik de silhouetten van een stuk of tien stomdronken buurtbewoners die rotjes in het vuur aan het gooien waren onderwijl restjes champagne of bier rechtstreeks uit de fles drinkend.

Er hing een trekbel naast de deur; letterlijk. Een stuk touw van ongeveer een meter waar de trekknop nog aan hing. De bel was overduidelijk met veel geweld gesaboteerd want het touw hing er lam bij en er zat een gat naast de deur waar de stang van de bel ooit ingemetseld was geweest.. Er zat een grote brandvlek op de deur en er lagen overdreven veel rode papieren overblijfselen van rotjes op de stoep voor het pand. Er waren nog meer sporen van geweld op de voordeur van het pand aanwezig. Alsof iemand met een bijl de deur had bewerkt. Scherf probeerde of hij de bel nog kon laten rinkelen en dat lukte wonderwel; de bel zat nog aan het touw en was te groot om door het gat naast de deur naar buiten getrokken te worden. Ik hield intussen het plein in de gaten en opeens zag ik beweging; een hele hoop beweging. Een grote groep jongeren kwam joelend vanaf de eerste Pijnackerstraat het plein oprennen. Heel even dacht ik dat het plein door een rivaliserende bende werd aangevallen, maar die gasten werden met gejuich begroet. De meeste nieuwkomers sleepten kerstbomen met zich mee. “Kut; de kerstbomenjacht”, kreunde ik zachtjes.

Klik hier voor het derde en laatste deel

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek. Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Het ruwe materiaal van mijn boek beslaat nu ruim 100.000 woorden waarvan bijna de helft geschrapt moet worden. Schrappen is echter moeilijker dan schrijven….

Onderstaand verhaal komt in drie delen op mijn blog….

Oud en nieuw 1982

Ik had vanaf begin december het rijk alleen gekregen op de zolder. Scherf was dan eindelijk naar de een etage beneden verhuisd waar Peter en Marijke hadden gewoond. Die waren naar Delfshaven vertrokken, waar ze een zeefdrukkerij over hadden genomen. Het was best leuk geweest om de zolder te delen, maar na twee maanden op elkaars lip te hebben gezeten waren we allebei blij dat we wat meer ruimte voor onszelf hadden. Ik vond het vooral fijn dat ik de zolder nu naar eigen believen in kon gaan richten. Er was op de zolder geen plaats geweest voor mijn eigen spullen die voor het grootste gedeelte nog bij mijn ouders stonden, verspreid over twee adressen aangezien mijn ouders gescheiden waren. Bij mijn moeder stond mijn platencollectie, mijn pick-up en een geluidsinstallatie. In de kamer die ik in mijn moeders huis bewoonde lagen een soort rubberen noppentegels op de vloer. Die waren heel fijn omdat spuitbus verf er niet aan hechtte, maar  ze waren te zwaar om in de Braadworst twee trappen op te sjouwen. Ik zag mezelf op die kleine zolder, onder die schuine daken die het vloeroppervlak van de kamer nog kleiner maakte dan hij al was, ook niet vrolijk jassen en T-shirts staan spuiten. Daarbij lag er op mijn zolder al tapijt op de vloer, en dat was maar goed ook, want het was er al koud genoeg. In overleg met mijn moeder besloot ik de tegels bij haar te laten liggen totdat ik een grotere kamer in het pand kon krijgen of ergens anders ging wonen. En ik wilde me ook op andere technieken dan spuitmallen gaan richten.  Ik was erg onder de indruk van het vakmanschap van Peter geweest wat betreft zeefdrukken en ik had me ingeschreven voor een cursus zeefdrukken bij de SKVR. Met zeefdrukken kon je betere resultaten bereiken dan met spuiten. En bijkomend voordeel was dat je geen letters hoefde uit te snijden; daar was ik gewoon niet goed in. Secure werkjes zijn niks voor mij. Ik kan niet tegen priegelen.

De rest van mijn spullen stonden bij mijn vader. Het belangrijkste was mijn bandrecorder, een enorme Grundig waar je aparte sporen mee op kon nemen. Twee sporen slechts maar die kon je met behulp van een andere recorder weer samen voegen en zo kon je in principe eindeloos sporen toevoegen.  Ik had  helaas geen tweede recorder, maar ik kon wel opnames met stereobeeld maken. Op de zolder van het aangrenzende pand, waar Skoeter ooit gewoond had, zouden Scherf en ik een oefenruimte gaan bouwen. We zaten allebei in een band, overigens niet dezelfde, want ik speelde met Kikker, Gino en twee andere maten van school in een band die we Persona Non Grata hadden gedoopt. Persona Non Grata leek in het begin veel op de Rondos en Crass. Scherf was gitarist van Formaline K. Formaline K leek qua sound sterk op Discharge. Discharge was onze favoriete band. Waar Crass teksten van honderden regels voor nodig had kon Discharge het in 5 woorden: ‘free speech for the dumb’. Toen ik die Discharge LP grijs draaide op de kamer bij mijn moeder vroeg Paul, haar toenmalige vriend, eens naar die teringherrie die ik elke dag na thuiskomst van school zo loeihard draaide. Niet dat hij daar last van had, want ik draaide bij gebrek aan speakers met een koptelefoon op. Mijn speakers stonden bij mijn vader, want daar kon ik zo hard draaien als ik wilde. Maar ik had nogal de neiging om met de muziek mee te zingen. Vandaar dat hij vroeg wat ik nou zo staccato de hele dag aan het zingen was. Wel; free speech for the dumb dus. Hij lachte schamper en zei dat als punkers het vrije woord als iets voor de dommen beschouwden het een nog stommere beweging was dan hij al dacht. Ik liet hem maar in zijn waan. Die kut PvdA’er wist niet eens dat dumb stom betekent en niet dom. Het vrije woord voor de stommen.

Mijn moeder reed op een zaterdagmorgen door de besneeuwde stad, met mijn installatie in de achterbak van haar huis naar dat van mijn vader waar ik mijn bandrecorder en boxen ophaalde om daarna door te rijden naar de Braadworst. Ik werd bij mijn oude kamer bij mijn vader aangekomen even bedolven door droefenis. Dit was bijna 15 jaar mijn heiligdom geweest. De laatste drie jaar had de kamer een metamorfose ondergaan. Op mijn 12e werd ik gegrepen door het bouwmodellen virus. Mijn kamer werd een klein museum geweid aan de tweede wereldoorlog, met in alle hoeken diorama’s met bouwmodellen van tanks en soldaten die zo realistisch mogelijk geverfd en in een omgeving vol uitgebrande huizen en andere vernietiging neergezet waren. En  vliegtuigen in verschillende schalen, die aan het plafond aan touwtjes hingen. Op mijn 15e was dat alles plotsklaps voorbij want toen nam een nog sterker virus bezit van mijn hersenpan. Mijn kamer veranderde daarop in een museum voor het pamflettisme. De bouwmodellen maakten plaats voor  posters tegen oorlog en fascisme. Die posters waren nu allemaal netjes door mijn vader van de muur verwijderd en stonden op de gang in een grote tekenmap; klaar om verhuisd te worden. Mijn bandrecorder en  boxen stonden erbij en drie dozen vol kleding. De kamer was een paar weken eerder door de dochter van mijn vaders nieuwe vrouw ingepikt. Verder dan een blik om de deur kwam ik niet. Een golf van gal spoelde door mijn mond door de aanblik van wat eens mijn kamer was geweest. Mijn kamer; de plaats die me 15 jaar lang rust en een veilige plek had geboden, waar mijn ouders vanaf mijn 10e geen voet meer binnen hadden mogen zetten, waar ik voodoo rituelen uitgevoerd had op poppetjes die leraren en vijandelijk gezinde medeleerlingen moesten voorstellen, waar ik voor het eerst never mind the bollocks en disturbing domestic peace had beluisterd, waar ik voor de eerste keer met een vriendinnetje had gevreeën, waar ik voor het eerst mijn haar en T-shirts had geverfd. Die kamer hing nu vol met posters van Coca Cola. Ik heb nooit een ergere heiligschennis moeten aanschouwen. Het was alsof de muren met me mee moesten huilen.

Op mijn geluidsinstallatie na had ik voor de rest eigenlijk niet veel. Ik nam een matras, een dekbed, een kussen en mijn kleding mee. Scherf had een butagaskachel en een gasstel achtergelaten en mijn moeder gaf me nog wat oude pannen en serviesgoed; belachelijk veel serviesgoed. Alsof ik op mijn zolder dinertjes voor 6 personen zou gaan geven.

Wat ik voor de rest nog nodig had zou ik nog wel op straat vinden. Wanneer je in het voorjaar door de wat chiquere delen van de stad reed kon je op straat in een dag een complete huisraad bij elkaar scharrelen. Dan vond traditioneel de voorjaarschoonmaak plaats en werd alle huisraad die niet meer voldeed aan het heersende modebeeld aan de vuilnisman meegegeven. Het was een kwestie van met een bakfiets door Kralingen en Hillegersberg cruisen en dan kon je alles van je gading inladen.  Destijds werden er vooral van die jaren zeventig meubelen weggegooid; vooral bruine bankstellen, die uit grote kussens bestonden en die je tot een bed uit kon klappen, waren nu niet meer populair. Het was alleen zaak om eerst goed aan ze te ruiken en te checken of ze niet onder de katten of hondenpis zaten. Als ik de kat van een stel kakkers was geweest had ik van weeromstuit ook de hele zooi ondergezeken. De mensen van de absurde overvloed. Je kon ruimschoots van hun restjes leven.

Het half jaar dat ik had moeten wachten voordat mijn uitkering in ging was ook eindelijk voorbij. Ik hoefde nu niet meer te leven van de bijdrage die mijn ouders aan me gaven; ik had sinds begin september, toen ik bij Scherf introk, maar 200 gulden per maand te besteden gehad. Omdat ik samen met Scherf had gewoond en we alle kosten hadden gedeeld was ik daar net mee uitgekomen. En nee; het idee om een baan te gaan zoeken was geen moment bij me opgekomen. Ik was 18 jaar slaaf van het schoolsysteem geweest. No more! Ik had me voorgenomen nooit en te nimmer voor een baas gaan werken. Ik had niet zozeer een probleem met werken, hoor. Maar wel met bazen. Fuck ‘m. Ik vertikte het om ergens vakken te gaan vullen. Er waren miljoenen jongeren op zoek naar een baan; welke baan dan ook. Anderen waren misschien blij met wat voor baan dan ook. Ik niet. Ik wist dat ik zonder kon, overleven was makkelijk als je al die consumptietroep links liet liggen. Wat je nodig had kon je gratis vinden of heel goedkoop aanschaffen. Kleding, huisvesting en meubels kon je met wat improvisatietalent bij elkaar scharrelen.  Het enige twee zaken die je moest kopen was voedsel voor het lijf; dat haalde je bij de supermarkt. En voedsel voor het brein; dat haalde je bij Haddock (legendarische platenzaak op de van Oldenbarneveldstraat) en de dealer om de hoek.

Scherf betaalde, net als iedereen in de vier naast elkaar gelegen kraakpanden, voor de stroom. Dat kostte niet veel; er woonden zoveel mensen in de panden die de rekeningen samen deelden dat we 25 gulden per persoon kwijt waren.  Er zat geen gasaansluiting op de zolder. Dat betekende dat ik butagas moest stoken en om de twee weken naar de Bergweg moest om een nieuwe gasfles te scoren. De lege fles wegbrengen was nog te doen, maar een volle fles was echt loodzwaar. Met die fles in je klauwen kon je hooguit twintig passen maken voordat je bijna door je rug ging en hem neer moest zetten. Het voelde ook net alsof je met een vliegtuigbom van 50 kilo door de straat aan het sjouwen was. Het idee dat de inhoud van de fles ontplofbaar was maakte dat karweitje nog onaangenamer. Maar zonder verwarming was die zolder onleefbaar. Met die butagaskachel was het trouwens ook al nauwelijks te doen. Soms zat ik met een deken om de kachel geslagen warm te worden. Uit bed komen was in de wintermaanden een enorme opgave. Ik kon vanuit mijn bed door een smalle spleet vlak boven de dakgoot naar buiten kijken en zag ijspegels hangen. Het gekke was dat ik dat alles toen gewoon accepteerde. Het huis zou sowieso binnen een jaar of twee afgebroken worden, maar dat had me dat er niet van moeten weerhouden om provisorische verbeteringen aan te brengen. Maar in het begin was alles gewoon spannend en kwam het niet eens in je op om iets tegen de elementen uit te voeren. Het was juist een uitdaging om alle nieuwe ontberingen op je pad het hoofd proberen te bieden. Je had toch geen geld, en wat je had ging op aan belangrijkere zaken.

Het eerste wat ik van mijn eerste uitkering aanschafte was een TV. Ik kreeg vanaf nu 685 gulden per maand van de soos. Ik kocht voor 100 gulden een tweedehands kleurenbak bij Corrupt; die zaak heette eigenlijk Correct, maar niemand noemde het zo. Mijn vader had nooit een kleuren TV gehad, maar die had dan ook meer principes dan ik. De TV was bijna even zwaar als een gasfles en had geen handvatten. Ik was rechtstreeks vanaf de sociale dienst waar ik een voorschot van 250 gulden had gekregen naar Corrupt gelopen en had er niet bij stilgestaan dat die driehonderd meter die ik met die TV in mijn klauwen naar huis moest lopen zo’n opgave zou zijn. Dat ding was dan ook enorm. Hij was bijna een meter in het vierkant en gleed na ongeveer vijf passen al bijna uit mijn handen. Ik kreeg opeens spijt dat ik niet op het aanbod de TV thuis te laten bezorgen was ingegaan. Vijfentwintig gulden bezorgkosten vond ik wat overdreven voor die driehonderd meter, maar als die TV uit mijn handen zou pleuren zou ik voor niks 100 gulden hebben uitgegeven. Er zat geen garantie op die tweedehands spullen bij Corrupt. Gelukkig kwamen er een paar punks uit het pand op het Pijnackerplein aanlopen die de TV van me overnamen en hem tot in mijn kamer sjouwden. Ik voelde me een beetje opgelaten omdat ik zelf niet meer hoefde te tillen. Maar ze waren met zijn vieren en namen twee aan twee beurtelings de TV over. Ze sloegen zelfs mijn aanbod af om wat bier te gaan kopen en vertrokken meteen. Vriendelijke lui. Typische jonge punks die, net als ik, net bij hun ouders weg waren. The new breed. Ik nam me voor ze snel eens in hun pand op te gaan zoeken.

Lees deel 2 hier

Onderweg naar huis moest ik vreselijk mijn best doen om Kikker bij te houden. Dat wist hij ook wel, en om te plagen zette hij er flink de pas in. Twee straten verder voelde ik al een enorme spierpijn in mijn kuiten trekken, maar ik hield er dapper de pas in. Kikker grapte dat ik voortaan op moest passen met over de kade van de maas te lopen. Als ik met deze schoenen aan in de plomp zou pleuren, dan zou ik zinken als een baksteen.

Mijn benen werden in ieder geval een stuk sterker door het gewicht van mijn schoenen. Hardlopen zat er natuurlijk niet in, maar ik oefende wel veel met schoppen. Eén goed geplaatste trap met deze boots was voldoende om een scheenbeen te versplinteren, maar ik mikte liever op het kruis. Als ik iemand daar met deze kisten raakte zou hij gegarandeerd kinderloos blijven.

Ik heb die brandweerlaarzen uiteindelijk een half jaar gedragen. Toen ik ze kocht waren ze al in een erbarmelijke staat; beschimmeld en met scheurtjes in het leer. Omdat ze wit waren was het niet mogelijk ze te smeren. Ik had achteraf bekeken natuurlijk witte schoensmeer kunnen kopen, maar ik wist destijds niet eens dat het spul in een andere kleur dan zwart of bruin bestond. Het had toch ook niet tegen die scheurtjes in het leer geholpen. Ik heb ze wel nog geverfd met witte menie, maar dat zal de levensduur ook niet verlengd hebben. De kappen met de gespen waren ideaal om logo’s op te schilderen. Ik kladde op de linker de drie anti nazi pijlen van het ‘Destroy Fascism logo en op de rechter een Dead Kennedys logo. Later heb ik die kappen eraf gehaald en nog een tijd als armband gedragen. Aan de bovenarm wel te verstaan.

Toen kwam de dag dat ik afscheid moest nemen van mijn brandweerlaarzen. Ik zat in de klas te blokken op een onverwachte schriftelijke overhoring toe het onvermijdelijke gebeurde. Ik had de veters van de schoenen die morgen extra hard aangetrokken in de hoop dat de schoenen dan wat comfortabeler zouden zitten. Het was zomer en het was eigenlijk te warm om twee paar sokken te dragen. Twee paar sokken zorgden er echter voor dat de schoenen nog een beetje aan mijn voeten pasten. Mijn voeten waren lang en smal en de laarzen waren veel te breed. Maar nu ik de veters strak aan had getrokken werd mijn bloedsomloop gestremd. Ik moest mijn voeten blijven bewegen omdat ze anders gingen tintelen en in slaap vielen. Op een gegeven moment kromde ik mijn tenen in mijn rechterschoen met enige kracht en schoot de zool van de schoen los waardoor de stalen neus omhoog wipte. De rest van de dag moest ik enigszins met mijn rechtervoet slepen om te voorkomen dan mijn klasgenoten op zouden merken dat mijn laars kapot was. Knieblessure mompelde ik als iemand vroeg waarom ik zo moeilijk liep.  Tot overmaat van ramp had een of andere kankerjunk mijn fiets gejat. Ik had geen geld voor een tramkaart dus liep ik na schooltijd naar huis via de ’s Gravendijkwal. Zonder aan de kapotte schoen te denken trok ik, zo goed en kwaad als dat met die zware stappers ging, een sprintje om het stoplicht over de Middelandsstraat te halen. Ik voelde toen dat de zool nog verder los scheurde. Ik bukte om de schade te bekijken, nadat ik de overkant van het zebrapad gehaald had, en zag de stalen neus me vanuit de scheur toe glimmen. Vloekend bedacht ik me dat ik thuis geen ander paar schoenen meer had. Ik had twee weken eerder toegestaan dat mijn moeder mijn oude kisten had weggegooid, omdat die te erg naar schimmel stonken. Nu moest straks nog mijn moeder erop uit gaan sturen om nieuwe schoenen voor me te kopen. Met een beetje pech zou die bij Mc Gregor of een andere kakwinkel gaan shoppen, en moest ik weer smoezen gaan bedenken waarom ik die nieuwe schoenen niet wilde dragen. Alleen al de gedachte ‘normale’ kutschoenen één keer aan te moeten, op weg naar de dump voor een paar nieuwe kisten, was al onverdraaglijk. Met een humeur ver beneden het vriespunt liep ik verder. Er lag een leeg blikje fris op straat en uit pure nijd gaf ik het een harde trap. De stalen neus schoot uit mijn rechterschoen en maakte een prachtige curve naar rechts: een curve die de best getrainde voetballers jaloers zou hebben gemaakt. Daarop knalde hij, luid rinkelend, dwars door een kelderraam. Ik was een ogenblik volledig van mijn à propos. Een paar seconden later keek ik voorzichtig om me heen. Het was onnatuurlijk stil op straat voor deze tijd van de dag. Vanuit een voorbijrijdende auto zag ik verbaasde gezichten, maar de auto stopte niet. Uiteindelijk liep ik zachtjes fluitend, alsof er niks aan de hand was, naar huis. Mijn rechtervoet klapperde met elke stap. Iedereen die merkte dat de neus mijn schoen, als een soort pac-man, happende bewegingen maakte kreeg een blik van me alsof de happende schoen zo bedoeld was. “Kijk voor je schele; nog nooit de nieuwste punklook gezien ofzo?”

Lees deel 1 hier

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven.

Het is alweer een tijdje gekleden dat ik materiaal uit mijn boek online heb gezet, maar ik ben weer aan het redigeren en er valt weer veel materiaal af.

Brandweerkisten

Geverfde haren, jacks met bandnamen en slogans, T-shirts en broeken, waar meestal ook bandnamen op geklad waren en die natuurlijk gescheurd en met veiligheidsspelden weer een aan elkaar gezet waren bepaalden de punklook. Maar er was nóg een belangrijke accessoire; de schoenen. Alle punks droegen soldatenschoeisel; kisten noemden we die: dat was ook de gangbare legerterm voor deze hoge schoenen. Maar ook in je keus van kisten wilde je de individuele smaak benadrukken. Begin jaren tachtig waren er nog overal in het land legerdumps te vinden, waar spullen verkocht werden die echt uit de tweede wereldoorlog afkomstig waren. De Amerikanen, Engelsen en Canadezen hadden enorme voorraden legermateriaal achtergelaten, zoveel dat het tot ongeveer halverwege de jaren tachtig heeft geduurd voordat alles ofwel doorverkocht was, of intussen zo verschimmeld raakte dat het weggegooid werd. De dumps die je tegenwoordig ziet zijn de naam eigenlijk niet waard. Defensie verkoopt geen oud materiaal meer aan tussenhandelaren; zelfs geen uniformen. Wat er met tweedehands uniformen gebeurd weet ik niet. Waarschijnlijk worden die, net als afgedankte wapens, aan derdewereldlanden verkocht. Tegenwoordig kopen dumps de uniformen gewoon nieuw in; de fabrieken die ze maken hebben daarmee waarschijnlijk een nieuw afzetgebied ontdekt. Zoals alle fabrieken die in wapens of andere leger accessoires handelen; die industrie groeit nog steeds al is de koude oorlog allang voorbij. Na het einde van de koude oorlog kwamen er geen enorme partijen afgedankt materiaal op de markt. Dat geeft te denken; waarschijnlijk betekent het dat legers sinds die tijd niet zijn afgeslankt. We zijn hier alleen op een beroepsleger overgestapt. Dat is wel een goede zaak, want de dienstplicht zoog enorm. Al ben ik wel voor de invoering van sociale dienstplicht voor jongens én meisjes. Maar ik hoef dan ook zelf geen bejaarden meer te gaan wassen…

Ik ging destijds regelmatig bij legerdumps spullen kopen. Dat deed ik trouwens ook al voordat ik punk werd, want ik was gek op legerspullen. Ik had een Engelse helm thuis en munitiegordels en was driftig op zoek naar een echte patroonband, maar die kon ik helaas nergens vinden. Later bleek dat die dingen verboden waren, want zelfs van afgeschoten hulzen zou je weer scherpe munitie kunnen maken. Weliswaar met veel meer moeite dan het kost om echte kogels te scoren.

Maar op een mooie herfstdag aan het begin van mijn laatste schooljaar, in 1982, werd het tijd om een nieuw paar kisten te gaan kopen. Kisten uit de tweede wereldoorlog gingen over het algemeen niet lang mee. Vooral niet als je ze niet poetste of anderszins verzorgde, en dat deden we meestal niet. We dachten toen niet eens aan de voordelen van schoensmeer. Dat kwam later pas, toen veel punks in navolging van skinheads op Dr. Martens overstapten. Die schoenen vroegen en kregen de verzorging die ze nodig hadden, maar je deed geen moeite voor die half beschimmelde kisten, die je bijna druipend van het vet dat ze moest conserveren, bij de dump kreeg.

Ik ging die dag samen met Kikker naar de dump. We waren allebei op zoek naar iets speciaal en dat vonden we. Kikker wist eigenlijk al wat hij wilde; geen kisten maar laarzen. Voor hem geen gedoe met veters strikken. De gedachte dat je, bij onheil, ook midden in de nacht, binnen een paar seconden een paar laarzen aan kon trekken stond hem aan. Ik kon daar wel in mee gaan. We woonden toen nog bij onze ouders, maar we hadden al vaker in kraakpanden overnacht, en daar loerde het gevaar van knokploegen, Centrum Partij’ers en ander, vaak denkbeeldig, tuig. Maar dat hij een paar moffenlaarzen uit zou kiezen was wel een beetje een verrassing voor me. Achteraf waren de Duitsers en de Russen eigenlijk de enigen die laarzen gebruikten in de oorlog. De Russen waren niet tot hier gekomen en hadden dus ook geen materiaal achtergelaten. Dat was achteraf wel jammer want alleen de gedachte al aan Russische emblemen met hamer en sikkel was geil. Daar kreeg je mensen makkelijker mee op de kast dan Anarchisten A’s op je jas. Geen hond wist wat die betekenden.

Moffenlaarzen waren niets voor mij. Ik vond Kikkers keuze cool, maar ik zou nooit en te nimmer iets dragen dat aan Nazi’s refereerde. Ik had een schijthekel aan Nazi’s, altijd al gehad. Ik denk dat mijn vader ook half dood zou gaan als ik met moffenlaarzen thuis zou komen. Alleen al het geluid van de houten zolen onder die dingen zou een vloed ongewenste herinneringen bij hem naar boven kunnen brengen. En ik dacht niet alleen aan de tweede wereldoorlog als het om Nazi’s gaat. Bij mij kwamen ook referenties met Zuid Amerika naar boven; naar de dictaturen in Chili en Argentinië. Ik was opgegroeid met de actieposters over dat soort gruwelijkheden en de paranoia van mijn vader over dictaturen zit er ook bij mij diep ingebakken.

Dus ik zocht verder en opeens zag ik ze staan; een paar enorme witte kisten. Ik tilde ze op en ze waren verschrikkelijk zwaar. Later die dag heb ik ze op de weegschaal gezet en bleken ze tweeënhalve kilo per stuk te wegen. Vijf kilo schoenen aan je voeten! Ik woog in die tijd nog geen zeventig kilo met mijn 1.82 meter, dus vijf kilo extra gewicht was heftig. Deze kisten bestonden eigenlijk uit een lage schoen met daarboven een leren kap die je met twee gespen om je onderbenen moest vastmaken. Ze waren dus niet helemaal tot bovenaan geveterd, dat was een voordeel want dat betekende dat je ze in theorie met een goede ruk de veters in één keer aan kon halen, en dat scheelde enorm in de tijd die je nodig had om ze aan te trekken. Daarbij waren ze nog eens afgezet met dikke leren kussens, die de enkelgewrichten moesten beschermen. Al met al waren ze enorm. Werkelijk alles aan deze kisten was groot. Van het profiel onder de laarzen, die ruim drie centimeter dik waren, tot de enorme neuzen van twee centimeter dik plaatstaal. Ik vroeg aan de uitbater van de dump wat het voor kisten waren en hij vertelde me dat ze van de brandweer afkomstig waren. Dat was logisch; de dikke zolen waren vuurvast en moesten ervoor zorgen dat je ook stevig op natte oppervlakken stond, de stalen neuzen waren extra zwaar uitgevoerd als bescherming tegen vallende balken uit brandende plafonds. Daarom zaten die leren kussens ook op de buitenkant van de enkels. De lip van de schoenen was extra breed en zat over de hele lengte aan de binnenkant van de schoen vastgenaaid zodat de schoen volledig waterdicht was. En toen ik me realiseerde hoe goed deze kisten zich in de pit bij het pogoën zouden houden was ik overtuigd; dit moesten ze worden. Ik koos mijn maat en trok de schoenen aan. De tien passen die ik naar de kassa van de dump moesten maken deden me echter al meteen twijfelen. Deze kisten waren wel héél erg zwaar. Ik liep bijna zoals Frankenstein. Elke pas voorwaarts moest ik met een ruk aan mijn benen inzetten. Ik zag Kikker al meteen in een deuk liggen, maar ik liet me niet kennen. Ik zou best wennen aan de zwaarte van deze schoenen. De voordelen wogen op tegen een klein nadeel als tweeënhalve kilo per stuk.

Lees Deel 2 hier

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Punk in Krasnapolsky (deel 3)

De band begon te spelen en ook muzikaal ontmaskerden ze zichzelf onmiddellijk als neppers. De muziek had werkelijks niets met punk te maken. Maar ook new wavers zouden beledigd zijn geweest als men ze beschuldigd had dat ze van deze obligate popwave zouden houden. Ik verstond niks van de teksten en dat was waarschijnlijk maar goed ook. Tussen de nummers door probeerde de zanger ons uit te leggen hoe hij tot de heer was gekomen en hoe zijn leven daardoor in positieve zin veranderd was. Elke keer als hij ‘Jesus loves you ‘scandeerde riepen Scherf en ik ’burn in hell’ terug. Als je bekend bent met het oeuvre van Bad Religion weet je waar onze woorden vandaan kwamen.  Al die voor de hand liggende onzin over drugsgebruik, liefdeloze sex en dat hij zich zo verloren had gevoeld.  Ik zou zeggen; blijf van de smack af, leer een echt leuk meisje kennen om mee te neuken en zoek nieuwe vrienden die iets meer niveau en intelligentie bezitten dan de gemiddelde hillbilly. Verder hadden we al dat gemekker eens eerder gehoord en met meer overtuiging gebracht.  De op zondagen met wachttorens flanerende Jehova’s getuigen waren zelfs nog beter in bekeren dan deze Amerikaanse jerk-offs.

Je kon nog beter van country houden dan van de shit die deze gasten maakten. Er begonnen al wat punks af te haken. Ze hielden deze avond voor gezien; we hadden toch wel een iets grotere krachtsinspanning verwacht van die christenen. Waarschijnlijk moest er snel wat van het door collectes binnengestroomde geld goed zichtbaar uitgegeven worden zodat het niet teveel op ging vallen dat er enorme bedragen aan de strijkstok bleven hangen. Heavy was een groot fan van Zappa en hij barste in een zangstuk uit. ‘He’s got twenty million dollars in his heavenly bank account, all from those chumps who was born again, oh yeah, oh yeah’. Ik viel samen met Scherf in bij het oh yeah want we kenden dat nummer wel. De sfeer werd steeds meliger. Maar toen gebeurde er iets op het podium dat de hele zaal met stomheid sloeg. Tussen twee nummers door kwam een gozer het podium op die in een apenpak gekleed was. Ik bedoel hier niet de spreekwoordelijke monkey suit dat the Plasmatics gebruikten om een zakenmannenpak te omschrijven. Hij kwam echt als King Kong verkleed op handen en voeten dansend het podium op. Vervolgens vroeg de zanger of we nu werkelijk geloofden dat wij mensen dáárvan afstamden. We wisten echt niet meer hoe we het hadden. Zelfs de meest verstokte EO ‘ers in ons land haalden het niet in hun hoofd om de evolutieleer op deze manier te ontkennen. Die zagen in de evolutie gewoon een plan van God. Maar deze lui namen de bijbel echt letterlijk. Hoe ongelofelijk achterlijk kan je zijn? Welke door inteelt voortgekomen, volledig van de pot gerukte, schijtmongool had het idee opgevat dat een aanval op de evolutieleer een zaal vol punkers tot het geloof zou kunnen brengen? Het publiek lieten zich hierdoor maar heel eventjes van hun stuk brengen. Daarna  begon al het de zaal in gesmokkelde glaswerk richting podium te vliegen. De band dook onder een regen van lege, maar ook volle, flessen de coulissen in. Achter in de zaal begon iemand ‘God is Dead’ te scanderen en al gauw namen we dat allemaal over terwijl het richting het podium glaswerk bleef regenen. Ik hield de deuren naar de andere gedeelten van het hotel en de uitgangen in de gaten. Het had me niet verbaasd als deze sekte ons geweld met de inzet van een knokploeg zou beantwoorden. Maar er gebeurde weer iets totaal onverwachts. Een deur achterin de zaal opende zich en enkele tientallen jonge meisjes die allemaal in lange witte kerkkoor gewaden gekleed waren stroomden de zaal binnen en renden op ons af. Een van die meisjes benaderde ons groepje. Ik zag tranen over haar wangen biggelen. Ze greep Scherf bij zijn hand en riep smekend ‘let me pray for you!’ Iedereen die deze meisjes zag verstomde op slag. Dit was een mindfuck van ongekende proporties. We waren helemaal van ons a propos gebracht door deze actie. Mijn agressie sloeg in een tel om tot intens medelijden met deze engelachtige wezentjes.  Wie had deze vrouwen zo gehersenspoeld? Deze mensen kwamen van een andere planeet. Al gauw probeerden overal om ons heen punkers discussies met de jezusmeisjes aan te gaan. Er was op wat verbaal geweld na geen sprake van agressie, maar we probeerden de rollen om te draaien. Het was nu aan ons om zieltjes uit de klauwen van deze verspreiders van vals evangelie te bevrijden. Maar net zo goed als het geen zin had om te proberen punkers tot Jezus te brengen, had het weinig nut om jarenlang zwaar geïndoctrineerde christenmeisjes proberen het ware licht te laten zien.

Van ons groepje was het  Klaar die als eerste uit haar lethargie wakker werd. Ze omhelsde het jezusmeisje stevig terwijl ook bij haar de tranen begonnen te stromen. ‘Wake up, stupid, wake up!’ schreeuwde ze in het oor van het meisje. Nu was het de beurt van het jezusmeisje om helemaal flabbergasted te zijn. Heel even leek het erop dat het meisje inderdaad wakker begon te worden want ze keek Klaar aan en even leek het alsof haar ogen helder werden en er een waas uit verdween. We praatten vanaf dat moment met zijn vieren op haar in. Wij kwamen  echter ook niet verder dan clichés als ‘’There’s no God in heaven, so get off your knees, ‘Maybe there’s a God but can’t you see these people are lying to you and are using you for other purposes then spreading the Faith?’ en ‘we’re not Satan worshippers ; we’re just regular people’. Achteraf sloeg het natuurlijk nergens op, maar ook wij waren heel goed in staat om onze eigen gospel op een ineffectieve manier over te brengen.

Al gauw werd van beide kanten opgemerkt dat deze discussies niet tot het gewenste resultaat zouden leiden. Er kwamen meer witte wieven om ons heen fladderen en het meisje werd met zachte dwang uit Klaar haar armen bevrijd en door een soort christen akela mee de zaal uit getornd.

Hier botsten twee onverenigbare werelden op elkaar. Geen van beide stond open voor een middenweg. Waarschijnlijk hadden deze meisjes net zoveel medelijden met ons als wij met hen. Ik kon me in ieder geval moeilijk los maken van het beeld van het wanhopige huilende jezusmeisje. Maar ik kon me achteraf nog troosten met het idee dat dit meisje na haar laatste adem in het allesomvattende niets zou verdwijnen waar alle gedachten tot nul gereduceerd werden. Zij moest leven met het idee dat ze ons niet van de hel had weten te redden.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Je kon niet anders dan die reli-organisatie en het Krasnapolskyhotel nageven dat ze de avond goed georganiseerd hadden. Niets was aan het toeval overgelaten. De foyer waar de punkavond gehouden werd was werkelijk vandalismeproof. De zaal was volledig gestript; geen meubilair, geen barkrukken. Sterker nog; er was niet eens een bar. Verkoop van drank was geen prioriteit; vanavond moest de ziel begoten worden en niet de lever. Ik liet ons groepje even achter en liep een rondje door de foyer van Krasnapolsky waar het optreden plaats zou vinden. De enige luxe was de gladde marmeren vloer, maar die was dan ook zo goed als onverwoestbaar. Het podium was erg hoog en toen ik het aan een onderzoek onderwierp zag ik dat het waarschijnlijk speciaal voor deze avond verhoogd was. Men had ofwel flink wat research gedaan, of al de nodige ervaring opgedaan met het organiseren van bekeringsevenementen die op punks gericht waren.  Het leek erop of de organisatie wist dat punks podia beklimmen om stagedives te maken maar ook de neiging hebben om bands die muziek of statements maken die hen niet bevallen van het podium te vegen. Dit podium was bijna drie meter hoog, bijna onmogelijk te beklimmen en ronduit dodelijk om er vanaf te springen. Als je wilde zien wat er op het podium gebeurde, was je gedwongen enige afstand te nemen. De speakers van de p.a. waren voorzien van een grille. Zelfs een hagel van bakstenen zou deze speakers niet of nauwelijks kunnen deren. De deuren naar de rest van het hotel waren solide en hermetisch gesloten. Nu werd de foyer voor een groot gedeelte begrensd door een glazen pui, maar die was van kogelvrijglas. Er waren nog een paar nooduitgangen naar buiten die volgens de regels gemakkelijk te openen waren.  Ze hadden dus niet het domme idee opgevat om ons te dwingen de hele avond uit te zitten. Ik was benieuwd hoe ze onze aandacht vast zouden proberen te houden.

Maar ook de Amsterdamse punkscene was goed georganiseerd. Er was informatie ingewonnen over de organisatie achter dit evenement en die was op flyers gedrukt en werd onder het publiek verspreid.  De organisatie was een sektarisch gebeuren en een afsplitsing van Youth For Christ. Waarschijnlijk werd het nog altijd financieel ondersteund door hun grote broeder en was de afsplitsing vooral als dekmantel bedoeld. Ze stonden er wel om bekend dat ze kinderen uit niet religieuze families probeerden te bewegen van huis weg te lopen om ze vervolgens in de sekte op te nemen. Waar al die info vandaan kwam stond natuurlijk niet op de flyer, maar het gaf te denken. Helemaal ongevaarlijk waren deze lui zeker niet.

Het was te verwachten dat er geen alcohol in de zaal verkrijgbaar zou zijn dus er was voldoende drank en drugs door de aanwezigen mee de zaal in gesmokkeld. Alles werd broederlijk gedeeld. Ik kreeg een fles jonge klare doorgegeven, nam een slok en gaf hem met een grote grijns aan Klaar door, daarmee Scherf passerend. Ze kon de grap wel waarderen en diende me van repliek door vijf grote slokken naar achteren te klokken en de fles met een veelbetekenende blik weer aan me terug te geven. Ik deed mijn best om ook vijf slokken achterelkaar tot me te nemen. Dat lukte wel, maar ik kon daarna de eerste paar minuten geen woord meer uitbrengen . Brand! Gelukkig gaf Heavy me snikkend van het lachen een flesje bier waarmee ik kon blussen.

De sfeer werd een beetje balorig, al hield iedereen het verder opvallend netjes. Er werd dan ook erg goed door de organisatie opgepast dat we op geen enkele manier geprovoceerd werden. Er werd geen propaganda uitgedeeld. Er  kwam reggae uit de speakers, en dat waren we ook wel gewend. Ik had eigenlijk toch minstens een donderpreek vanaf het podium verwacht, maar niets van dat alles. Alle punks waren een beetje lacherig en bevangen door een soort plaatsvervangende schaamte.  Men ging er blijkbaar vanuit dat het optreden van de band voldoende zou zijn om onze zieltjes te winnen. Of dat het ons minstens tot nadenken over de geneugten van het geloof in den Heere aan zou zetten. Maar dat was iets dat zelfs de beste hardcore band ter wereld niet voor elkaar kreeg. Ik kan me in ieder geval niet herinneren in mijn tijd een punker tegengekomen te zijn die zich na een optreden van Bad Brains tot Rastafari liet bekeren. Veel later in de nineties gebeurde dat wel met fans van Shelter, die zich bij de Hare Krishna aansloten. Maar bij mijn generatie was de afkeer van georganiseerde religie totaal. Veel van ons hadden ouders die nog altijd traditioneel gelovig waren, en dat zorgde natuurlijk voor de nodige problemen. Anderen, zoals ik, behoorden tot de eerste generatie die zonder geloof werd opgevoed en  wij hadden grootouders en andere familie die verschrikkelijk hun best deden om ons weer bij de kudde aan te laten sluiten. Dat zorgde altijd voor ellenlange discussies tijdens  familiefeesten en menige gespannen kerstavond. Die avonden liet ik daarom al een paar jaar aan me voorbij gaan. Ik werd te zwaar geagiteerd door religieuze discussies. Ik kon ook niet begrijpen dat gelovige mensen het zo belangrijk vonden om hun religie aan me op te dringen. Ik liet het wel uit mijn  hoofd om te proberen ze te overtuigen dat religie een leugen was en gaf toch ook geen preken over Anarchisme? Waarom konden die mensen dan niet hetzelfde respect voor mijn mening opbrengen?

Eindelijk ging het zaallicht uit en betrad de band het podium. De bandleden hadden duidelijk hun best gedaan om er ‘punk’ uit te zien maar je zag meteen dat er iets niet klopte. Ik had wel eens een stille bij een demonstratie gezien die een hanenkam had geschoren. Die gast had net zo goed een bord om zijn nek kunnen hangen waar politie op stond. De leden van deze band kon je ook op een kilometer afstand herkennen als neppunks. De gitarist had een kam, maar wist duidelijk niet hoe je die het best omhoog moest zetten. Er was verwoed geprobeerd om het haar zodanig  te touperen dat het omhoog bleef staan en daarna hadden ze er nog gel in gesmeerd. Beginnersfoutje zullen we maar zeggen. Het was overduidelijk dat die jongen kortgeleden nog lang haar had gehad. Hij had echter wel grote tattoos van kruisen op beide bovenarmen. Ik kende christenen die beweerden dat je de toegang tot de hemel ontzegd zou worden als je het canvas dat je van God gekregen had op deze manier versierde. Dat zou een mooie scene kunnen worden na zijn dood. Je zou bijna gaan hopen dat zijn ballotage bij de hemelpoort ooit echt plaats zou gaan vinden. De zanger was een fatso met geblondeerd kort haar. Hij was wat overdreven zenuwachtig voor iemand die geloofd dat hij door God wordt bijgestaan. Hij durfde de zaal niet eens in te kijken. De drummer zag eruit alsof hij een paar dagen eerder nog met de Hells Angels had meegereden; een enorme gespierde biker . Verder stonden er nog een bassist en een toetsenist vooraan. De eerste geluiden uit het keyboard beloofden niet veel goeds wat de kwaliteit van de muziek betreft. Er kwamen van die typische hoge commerciële new wave geluidjes uit.  Met new wave bedoel ik hier van die synthpop ala Kim  Wylde. Het soort muziek waar de hardcorebeweging uit de USA zich het hardst tegen afzette. In Europa was die zwaar verwaterde valse wave gelukkig absoluut niet populair, maar in de States werden ze er mee doodgegooid. Ik kreeg echt medelijden met deze lui en hun mission impossible om ons te bekeren. Maar wat er na een paar songs op het podium stond te gebeuren deed dat medelijden omslaan naar onverholen vijandschap.

What’s wrong with this picture? Maar het stond toch echt op die flyer, die we nota bene op de Kalverstraat door een lieftallig uitziend meisje (geen punk), in onze handen geduwd kregen. We wilden haar vragen hoe het precies zat, maar ze was alweer in de mensenmassa verdwenen. Punkavond in Krasnapolsky; dat klonk net zo onwaarschijnlijk als The Sex Pistols spelen op Paleis Soestdijk of The Damned live in het Vaticaan. Er stond een band uit de USA op de flyer aangekondigd waar we nog nooit van hadden gehoord: No Label. Verder geen enkele aanwijzing welke organisatie hierachter zat. Maar er stond wel in grote letters op vermeld dat de entree gratis was. Onze nieuwsgierigheid was gewekt, vooral omdat we benieuwd waren welke organisatie zoveel macht en poen had om Krasnapolsky af te kunnen huren. Ik bedoel maar; ze zouden nog niet voor een miljoen de zaal aan iemand zoals ik verhuren, dus wat kon een van de meest luxe hotels in Amsterdam zover hebben gekregen een punkavond te organiseren. Scherf schoot natuurlijk direct in de paranoia-modus en opperde dat de BVD erachter zou kunnen zitten die alle punks ‘voor ordelijke verwijdering’ bij elkaar wilde krijgen. Of op zijn minst uit was op een mooie foto van ons allemaal. Zijn vriendin schopte hem tegen zijn scheenbeen en zei dat hij niet zo stom moest doen. Scherf had een Amsterdamse vriendin die Klaar heette. Zo te zien was ze nu al klaar met zijn para gedrag. Dat had ook nooit lang kunnen duren.

Scherf was, als een van de velen, naar Amsterdam verhuisd. De Rotterdamse punkscene liep in 1984 leeg. Rotterdam was officieel doodverklaard. Eksit en Kasee waren al een tijdje dicht. Daarvoor in de plaats was de Arena geopend, maar de programmering daar was veel te mainstream naar onze smaak. Die tent voelde niet als ‘onze’ plek. Daar kwam nog bij dat de renovatie van het oude Noorden gestalte begon te krijgen. De helft van de wijk stond in de steigers en de andere helft was afgebroken, om op de lege plekken nieuwbouw te laten verrijzen. De meeste krakers kregen een huurhuis of vertrokken naar Kralingen. Scherf had een paar maanden een gerenoveerde woning gehuurd, maar hij kon er niet aarden. Toen hij een Amsterdamse ontmoette, was de overstap snel gemaakt.

Als Rotterdammer had je een instinctieve afkeer van Amsterdam. Amsterdam was nep; het leek er soms op dat iedereen in de hele wereld die zich in zijn geboortestad niet helemaal op zijn plaats voelde uiteindelijk, voor korte of langere tijd, in Amsterdam terecht kwam. De stad was een verzamelplaats van freaks en losers. Dat had zijn voordelen en nadelen. Er was altijd wel wat te doen. Maar dat betekent ook dat je ‘het’ vaak mist, want je kiest al gauw voor het verkeerde feest waar het een doodsaaie boel is, om de volgende dag te horen dat je juist bij die ‘andere’ uitzinnige party aanwezig had moeten zijn. Je struikelde ook over het menselijk wrakhout van junkies en andere gedesillusioneerden die zich aan je vast proberen te zuigen om je mee naar beneden te trekken. Amsterdam was een doolhof waar je als Rotterdammer je altijd de pleuris zocht naar welk adres dan ook. Rotterdammers zijn gewend aan rechte straten en niet aan een grachtengordel die in cirkels om de stad ligt. Als je naar Paradiso ging volgde je altijd de sliert bezoekers die vanuit de trein naar het podium liepen. En omdat je verder nooit oplette hoe je precies liep, onthield je de weg nooit. Zodra je in je eentje in die stad verzeild raakte was je binnen een minuut de weg kwijt. Amsterdam holadiejee. Ze moesten die stad ooit zo gebouwd hebben om buitenlandse invasielegers in verwarring te brengen. Er was geen betere reden te bedenken. En Amsterdammers gebruiken dat doolhof van ze om in een oogopslag te kunnen bepalen dat je niet uit de stad komt en dus een toerist bent waar geld aan verdiend kon worden; Joden hè? Dat was het meest ergerlijke aan Amsterdam; de stad werd voor driekwart bevolkt door dagjesmensen. ‘Stupid Americans see Holland in a day’ zong de Ex en dat was de spijker op zijn kop.

Ik was Scherf op gaan zoeken en tot mijn verrassing waren Heavy en zijn vriendin Doro toevallig ook bij Scherf op bezoek. Scherf had ruimte zat. Hij woonde in een groot complex aan een van de grachten, midden in het centrum. Het complex was nog maar een paar weken gekraakt, en nog niet alle ruimtes waren ingenomen. Amsterdamse kraakgroepen waren voorzichtig met het aannemen van nieuwe bewoners, maar Scherf was via zijn vriendin geïntroduceerd. Daardoor was de procedure een stuk sneller verlopen. Het feit dat hij in de tijd van de Rondos en Raket in een politiek geëngageerde, en tamelijk bekende, Rotterdamse band had gespeeld had het pleit voor hem beslecht. Hij werd al na een paar dagen door de bewonerscommissie van het pand in de groep opgenomen. Het idee van een commissie die balloteerde stond mij persoonlijk absoluut niet aan; ik word van weeromstuit heel erg rechts als mensen gaan vissen naar hoe links georiënteerd ik wel niet ben.

Nu stonden we daar dus met zijn vijven op de Kalverstraat. Klaar had er een goede verklaring voor de geheimzinnige flyer; hier zat vast een reli-organisatie achter. Er was een Amerikaanse sekte bezig om zieltjes te winnen. In Amerika waren de born again christians zo rijk en machtig geworden dat ze van gekkigheid niet meer wisten wat ze in godsnaam met al die ingezamelde poen moesten doen. Hun voorgangers waren intussen al multi-multi miljonairs en het hele Amerikaanse continent was al verzadigd van de religieuze activiteiten. Dus was een van die gristen goochems op het idee gekomen om de pijlen op Amsterdam; het Sodom en Gomorra van de wereld te richten. En om het meteen goed aan te pakken was de punkscene uitverkoren om als eerste bekeerd te worden. Met God aan je zijde en een paar miljard op de bank ga je echt geloven dat je de wereld naar eigen inzicht kan veranderen.

‘We moeten gewoon gaan kijken, zei Heavy, dat kan lachen worden’. Scherf en ik waren nog niet overtuigd dat het een goed idee was om de christen klootzakken de kans te geven met onze hoofden te fucken’. Aan de andere kant moest je wel een knappe jongen zijn om ons alsnog overtuigen dat er ook maar een grond van waarheid zat in dat tweeduizend jaar oude heilige sprookjesboek van die kinderverkrachters. We werden eigenlijk pas enthousiast toen we merkten dat echt alle punks die we op straat tegen kwamen dezelfde flyer hadden gekregen en iedereen van plan was om te gaan kijken met als doel die christenen eens flink op hun ziel te trappen.

wordt vervolgd…

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Hier deel 4 van een verslag van een reis naar Groningen in 1982

GRONINGEN DEEL 4

Tot onze verrassing kregen Gino en ik allebei de vijf gulden die we voor onze overnachting in de sleep-in hadden betaald terug van de beheerder. Als dank voor het sussen van de vechtpartij. ‘Hebben we mooi dat tientje dat het varkentje van je had gejat weer terug’ zei ik tegen Gino. Hij ging er niet op in.

Vanavond was het optreden van Pigbag in Vera maar het was nog vroeg en we hadden de hele dag nog voor ons. Het was heerlijk weer en ik was lui en had het liefst de hele dag ergens in de zon doorgebracht. Maar Gino en ik waren het erover eens dat een tweede nacht in de sleep-in geen optie was, al was het alleen maar omdat we uiterlijk om 12 uur in de sleep-in moesten zijn. De sleep-in sloot op zondag al om middernacht en wij hadden ons verheugd op een lange nacht na het optreden van Pigbag. Daarbij zou het best kunnen dat het optreden om 12 uur nog niet eens voorbij zou zijn. (Toentertijd was er nog geen sprake van concerten die al om 11 uur afgelopen waren zoals tegenwoordig.) We moesten dus allereerst slaapplaats voor de komende nacht vinden. Gino stond erop dat we onderweg naar de lockers op het station langs Vera zouden lopen. Ik zag daar het nut niet van in, maar hij hield voet bij stuk dus stonden we een kwartier later weer voor de deur van het bekendste Groningse podium. Er kwam net een vrouw van een jaar of dertig de deur van Vera uit. Ze sprak ons aan en toen ze hoorde dat we uit Rotterdam kwamen bood ze ons meteen een slaapplaats aan in het kraakpand waar ze woonde. Ik keek Gino even vol ongeloof aan, maar hij grijnsde en haalde zijn schouders op alsof hij wilde zeggen dat hij er ook niks aan kon doen dat hij altijd van die goede ingevingen had. Daarna liepen we onze nieuwe beschermvrouwe achterna.

Het kraakpand lag nog geen drie straten verder en we kregen een volledig gemeubileerde kamer met een groot twee persoons-bed ter beschikking. De bewoners van die kamer was een stel dat momenteel op vakantie was. Het pand bestond uit drie huizen waarvan de krakers de tussenmuren hadden doorgebroken. Zo hadden ze genoeg ruimte geschapen om een woongroep van 12 man te huisvesten. Er was een grote gezamenlijke keuken en woonkamer. Daarnaast waren er negen kamers die door drie stellen en zes singles bewoond werden. Het pand was goed onderhouden en schoon. We zagen nergens graffiti of punkposters. Blijkbaar woonden er geen punks in dit pand. De meeste bewoners waren, zoals het stel van onze kamer, op vakantie en behalve onze gastvrouw was er niemand te bekennen.

We waren nogal beduusd door de gastvrijheid van deze kraakster, die Lillian heette. Dat ze twee volslagen onbekende punkers in huis nam en ook nog eens in een kamer, die niet eens van haar was, liet overnachten was wel héél aardig. Het was even wennen. Lillian was de eerste Groningse die ons tof behandelde. Lillian was absoluut geen punk, maar ook geen hippie. Ze leek ook niet het prototype van een actievoerster. Een actievoerster had ons waarschijnlijk eerst aan een verhoor over onze visie op de samenleving onderworpen. Lillian was een goede ziel en blijkbaar zei haar intuïtie dat Gino en ik O.K. waren. Maar helemaal stabiel leek ze me niet, en haar medebewoners dachten daar blijkbaar hetzelfde over. Toen we even later in de keuken aan de thee zaten kwam er een medebewoner thuis die zich voorstelde als Tobias en de vriend van Lillian bleek te zijn. Hij nam Lillian mee naar de woonkamer en we hoorden hem verwijten maken over hoe naïef ze was om zomaar twee punkers van de straat op te pikken en een kamer toe te wijzen waar ze helemaal geen zeggenschap over had. Twee punkers die ook nog uit Rotterdam kwamen. Alweer was onze woonplaats een probleem. Ik nam me voor toch eens door te vragen wat de mensen hier nou allemaal tegen Rotterdam hadden.

Gino en ik beseften dat onze slaapplaats op de tocht stond en dat we Tobias van onze goede bedoelingen moesten overtuigen. Zonder daar verder een woord over vuil te maken nam Gino het initiatief en liep naar de woonkamer. Ik liep hem maar achterna. Nadat we Tobias confronteerden met zijn wantrouwen naar ons toe en ik aanbood om de kascheque van de giro die ik in geval van financiële noodgevallen bij me had bij hem in bewaring te geven, ging hij snel overstag. Al was het duidelijk met tegenzin. De kascheque afgeven was niet nodig. Exit Tobias. Lillian maakte aanstalten om Tobias te volgen naar de kamer van het pand die ze als stel deelden. Maar niet zonder ons de sleutels van de voordeur van het pand te geven. Alweer waren we stomverbaasd over het volledige vertrouwen van deze kraakster. Geen haar op ons hoofd die eraan dacht misbruik van deze gastvrijheid te maken. Dat was iets dat we sowieso nooit zouden doen. Gino en ik waren geen chaospunkers, junkies of anderszins idioot.

Pas toen we weer door de zonovergoten straten van Groningen liepen bedacht ik me dat ik alsnog vergeten was te vragen wat de mensen hier nou zo tegen Rotterdam hadden. Ik liet het er maar bij. Ik was al blij dat we eindelijk een slaapplaats gevonden hadden.

Het optreden van Pigbag die avond was best nog te doen. De hele zaal was aan het hossen op de instrumentale wereldmuziek. Zelfs ik deed even mee. Het viel me wel op dat Gino er niet helemaal met zijn hoofd bij was. Hij was duidelijk op zoek naar Bulldog girl maar die was deze avond in geen velden of wegen te bekennen. Die gast ging dus speciaal naar Groningen om een band te zien waar hij helemaal fan van was, om op het moment suprême de verliefde paljas uit te gaan hangen. Nu moest ik eigenlijk niks zeggen. De belangrijkste reden dat ik mijn best niet wilde doen om hier meiden te gaan versieren was omdat ik de scherven van mijn hart nog bij elkaar aan het zoeken was na Anouk.

Die nacht sliepen we voor het eerst echt goed in het tweepersoonsbed in het kraakpand. En lang ook want het was al over twee uur voordat we eruit kwamen. We zaten daarna een paar uur aan de koffie in de keuken van het verder uitgestorven pand. Lillian werkte als vrijwilligster op het kantoor van Vera en Tobias had misschien ook wel werk. Ik moest Gino ervan weerhouden om door het hele huis te gaan snuffelen want dat was een tic van hem. Hij was altijd erg nieuwsgierig naar wat mensen aan mooie spulletjes hadden. Zoals al gezegd zou hij nooit wat stelen, maar snuffelen was ook niet netjes. De koffievoorraad van het pand was na de zes koppen die wij beiden dronken wel al behoorlijk geslonken. We namen ons voor die middag als compensatie een pak koffie voor Lillian te kopen. De platenverzameling in de woonkamer moest natuurlijk wel even doorgelopen worden. Maar er stond op de ‘geef voor New Wave’ LP, die we allebei allang hadden en eentje van the Stranglers na, geen punk tussen. Dus verloor ik al snel mijn belangstelling.

We liepen de stad in, maar het was maandag. De winkels die dingen verkochten die wij leuk vonden, zoals platen en punkkleding, waren allemaal dicht. Ook in Groningen was maandag een saaie dag al was in de zon zitten met een joint wel een goed idee. Maar we wisten niet waar we wat te blowen konden halen. We hadden die ochtend ook niet de kans gehad om het adres van een hasjdealer aan Lillian te vragen. En ik had geen zin in bier. De rest van de dag gebeurde er helemaal niks. We kwamen in de stad geen punks tegen. En verder liet iedereen ons met rust. Niemand bood ons hasj of andere drugs te koop aan en niemand schold ons uit.

De dag daarop gingen we langs een platenzaak die een ruime bak punk LP’s en singles had staan. Het meeste spul was bekend en konden we in Rotterdam ook bij Backstreet records kopen. Het had geen zin om die platen hier te kopen en mee naar Rotterdam te sjouwen. Ik probeerde mijn tapes met tamelijk obscure punk die ik bij Vincent had opgenomen en daarna zelf had door gekopieerd te ruilen tegen demo’s van lokale Groningse bands. Maar de uitbater van de platenzaak had geen interesse; die wilde cash zien. Dus begon ik de adressen die op de Groningse tapes stonden te noteren zodat ik zelf contact met die bands op kon nemen om alsnog wat te ruilen. Ik had vier adressen opgeschreven toen de uitbater zag wat ik deed en me sommeerde te stoppen met hoesjes uit tapes te halen en te beduimelen. Even later stonden we hem op straat uit te schelden. Wat een pleurishond was die vent; hij was alleen bezig geld te verdienen. Die nacht ging ik gewapend met mijn spuitbus langs de platenzaak en spoot in zo groot mogelijke letters KOOP HIER VERSE KOMKOMMERS op de etalageruit.

Op woensdag was er wat in Simplon te doen. Simplon was naast Vera de tweede plek in Groningen waar regelmatig punkoptredens plaatsvonden. Helaas was dat die dag niet het geval omdat Mathilde Santink zou optreden, (boring!). Maar het was beter dan niets en het leuke was dat Simplon als jongerencentrum al vanaf 3 uur open was. Een uitstekende plek om eindelijk contact met wat Groningse punks te leggen want dat werd na bijna vijf dagen Groningen toch wel hoog tijd.

Simplon bestond uit een grote zaal op de begane grond, en een café met daarnaast een kleine zaal op de eerste verdieping. De grote zaal was die dag gesloten maar het café zag er goed uit.Al was er om 3 uur natuurlijk nog niet veel volk. Gino en ik dronken een biertje aan de bar. Daarna verdween Gino naar het toilet om te schijten. Hem kennende wist ik dat het wel een tijdje zou duren voordat hij daarmee klaar was. Het café was helemaal leeg totdat een grote skinhead samen met een punk, die ook behoorlijk groot was, aan weerszijden van mij aan de bar plaats namen. Het was duidelijk dat ze niet naar gezelligheid op zoek waren. Daarvoor gingen ze net iets te dicht op me zitten. De skinhead bestelde bier. Terwijl ik keek hoe de barman hun twee biertjes tapten voelde ik de punkers met zijn handen over de met studs bezette schouder van mijn leren jas gaan. Als door een wesp gestoken draaide ik me naar hem om. Ik had echt een tyfushekel aan door vreemden aangeraakt te worden. Ik keek hem aan en hij grijnsde provocerend naar me. Die gast was echt te groot om ruzie me te krijgen, en het feit dat zijn maat me aan de andere kant ingesloten had hielp natuurlijk ook niet mee. De skinhead achter me schraapte zijn keel om mijn aandacht op hem te vestigen. Ik draaide me op en hij tikte met twee vingers mijn hanenkam aan. Die had ik die ochtend, met eiwit en een föhn uit het kraakpand, weer eens goed rechtop gezet. ‘Daar houden wij dus niet zo van’ zei hij dreigend. ‘Waarvan bedoel je’, vroeg ik schaapachtig. ‘Hiervan’, zei hij en tikte de kam weer aan. ‘Pech voor je’, zei ik en wilde me van de bar afwenden om tussen de twee bullies uit te komen. Helaas was de grote punker, achter me, me voor. Hij pakte me bij mijn hanenkam, trok mijn hoofd naar achteren terwijl hij mijn rechterarm in een ijzeren greep nam. De skinhead boog zijn gezicht naar me toe en vroeg de obligate eerste vraag: ‘waar kom je vandaan?’ En alweer maakte het antwoord niet het beste in deze Groningers los. De skinhead pakte me met zijn linkerhand bij de revers van mijn leren jas terwijl hij zijn rechterhand naar achteren trok; hij was duidelijk van plan om me een flinke oplawaai te geven. Maar die linkerhand was een fatale vergissing omdat ik op strategische plekken twee scheermesjes achter mijn revers had bevestigd. Als je er niet van houdt om beetgepakt te worden moet je daar iets op verzinnen, nietwaar? Achteraf was deze maatregel wellicht iets té effectief. Verbaasd keek de skinhead naar zijn bloedende vingers. Ik voelde dat de greep van de punker achter me verslapte en maakte daar gebruik van door me los te rukken en het café uit te lopen. Ik hoorde de woedende skinhead roepen dat hij nog niet met me klaar was, maar voorlopig waren die twee nog wel even bezig met bloed stelpen.

Ik vond Gino in de hal in gesprek met twee punkmeisjes en vertelde in het voorbijgaan wat er in het café was gebeurd. De meisjes kenden die skinhead wel. Hij heette ‘Van Gal’ en ze zeiden dat hij best OK was. Zijn bijnaam klonk in ieder geval passend. Het was zaak het pad te verlaten voordat ik die twee beulen op mijn nek kreeg. Een van de meisjes was vrijwilligster in Simplon en dirigeerde ons naar de backstage waar we konden wachten totdat van Van Gal en zijn kompaan vertrokken waren. Ik had niet het idee dat de wond echt ernstig was;  het bloed spoot er er niet uit, dus was er gen ader geraakt. Maar met een beetje geluk zouden die twee Gorilla’s wel even langs de eerste hulp open, zodat ik er veilig vandoor kon. Een paar minuten later gingen Gino en het meisje even poolshoogte nemen en kwamen terug met het bericht dat de mensapen inderdaad beiden uit het pand vertrokken waren.

Het meisje vertelde dat Van Gal een hardcore FC Groningen supporter was. Daardoor ging ik er andermaal vanuit dat de onvriendelijke behandeling met voetbal te maken had. We kwamen die Gorilla’s de rest van onze tijd in Groningen op miraculeuze wijze niet meer tegen.

%d bloggers liken dit: