Navigatie overslaan

Category Archives: Boek

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Dit is het derde deel van een verslag van een reis naar Groningen in 1982

Groningen Deel 3

De eerste prioriteit van die dag was het vinden van een slaapplaats want  ik wilde in geen geval nog een nacht in een portiek proberen te pitten. Gino vond het een goed idee om meteen naar Vera te gaan, ondanks dat de club ’s middags natuurlijk  niet open was. We wisten dan in ieder geval hoe we er moesten komen, en met wat geluk vonden bij een dergelijke hotspot iemand die ons van slaapplaatsen kon voorzien. We liepen de stad in en we wisten dat Vera in de buurt van de Martinitoren lag. Dus volgden we de toeristische route door de binnenstad van Groningen. Groningen zag er goed uit, veelal oudbouw, kleine huisjes, smalle straten, pittoresk.

Bij de Martinitoren aangekomen vonden we meteen het filiaal van het Groningse VVV. Daar raadden ze ons een sleep-in aan en liepen we daarheen. Het was ons enige betaalbare alternatief, zolang we nog niemand hadden gevonden die ons een slaapplaats in een kraakpand kon bezorgen. Natuurlijk was de sleep-in nog dicht. Ze gingen pas om negen uur s’ avonds open. We liepen terug naar het treinstation zodat we onze plunjezakken in een bagagekluis konden stoppen, want we waren het intussen spuugzat geworden om met die te sjouwen. Bevrijd van de last liepen we even later de stad weer in. De eerste stop was bij een snackbar waar we ons volpropten met patat speciaal en frikadellen. We aten altijd op het moment dat de honger toesloeg, en dan kom je op een of andere manier altijd uit op fastfood. We zagen nadat we onze honger met vette troep hadden gestild natuurlijk allerlei alternatieve bakkerijtjes en reformhuizen waar we gezond voedsel hadden kunnen halen, maar in die tijd was dat soort voer nog voor hippies en haalden wij onze neus ervoor op. En je hebt maar een korte periode last van jeugdpuistjes en je moet die zolang het kan cultiveren…

Er stond zowaar een groepje punks voor de Vera rond te hangen, dus konden we ons geluk niet op. Een slaapplaats lag alsnog in het verschiet. Zoals altijd was contact maken met medepunkers geen enkel probleem; je hoefde elkaar maar te zien. De eerste vraag was altijd “waar kom je vandaan?” en we waren er nog altijd trots op dat we Rotterdam als antwoord konden geven. Rotterdam was destijds de stad van Raket en de Rondo’s, en stond daardoor overal in het land in hoog aanzien. Nu was alles en iedereen die met de Raketbasis te maken had bij de veel Rotterdamse punks intussen al een beetje verdacht. De Rondo’s hadden hun hand een beetje overspeelt met hun pleidooi voor een drugsvrije en alleen op actievoeren gerichte scene. Maar daar dat was in de rest van het land nog niet doorgedrongen. Bij ons twee zelf trouwens ook niet want in 1982 stonden Gino en ik nog helemaal aan de kant van de activistische scene. We waren net van school, ik woonde nog thuis en Gino had net zijn eerste huisje gekraakt. De echte wereld moest zich nog aan ons openbaren en hier in Groningen kregen we een voorproefje. We hadden verwacht dat de Groningers ons met open armen zouden verwelkomen, maar dat viel vies tegen. Zodra ze hoorden dat we Rotterdammers waren liepen ze bij ons weg en één van Gronings punks spuugde zelfs op onze schoenen en gaf ons een vuile blik voordat hij zich omkeerde. We waren daar zo verbaasd over dat het niet eens in ons op kwam om naar de reden van deze afwijzing te vragen. Die gasten leken niet op Nazi-punks en ik kon op dat moment geen andere reden bedenken waarom we zou koud werden afgewezen. Gino stond het groepje na te kijken en besloot dat het met voetbal te maken moest hebben. Hij had gezien had dat een van de Groningers een FC Groningen patch droeg. Ik vond voetbal strontvervelend, maar ik had nog nooit van grote animositeit tussen Feijenoord en FC Groningen gehoord. Maar misschien had Gino wel gelijk. Had Groningen recent van Feijenoord verloren? Fuck it; ook in deze stad moesten genoeg punks en krakers rondlopen die niks met voetbal hadden.

De rest van de dag hingen we wat in de stad, aten we nog meer patat en moesten we wachten tot negen uur om ons bij de sleep-in te melden. De VVV had ons aangeraden om daar vroeg te zijn vanwege het beperkte aantal slaapplaatsen; het was er altijd druk. Dus nadat we de plunjezakken weer uit de lockers hadden opgehaald stonden we stipt om negen uur in een rij, vol met vooral zwervers en junkies, te wachten. Uiteindelijk ging de deur pas om half tien open en er stonden minstens zestig man in de rij. Een portiek leek me toch opeens een beter alternatief. Ik had geen grote hekel aan zwervers, maar junkies kon ik echt niet uitstaan. Het was de bedoeling ons in te schrijven om vervolgens de rest van de avond in de stad door te brengen met achterlating van onze spullen. Er waren echter geen lockers vrij. Ik had niet veel waardevols bij me, maar ik had wel uren aan die cassettes met punkmuziek gewerkt en dat was precies het soort verkoopwaar dat voor junks aantrekkelijk kon zijn. Verder droeg ik destijds alleen zelfgemaakte T-shirts en het idee dat een van mijn kunstwerkjes door zo’n heroïnespuiter gejat kon worden zat me ook niet lekker. Mijn plunje was misschien in geld uitgedrukt niet veel waard, maar ik was erg aan mijn kleding gehecht. De beheerder bezwoer me dat er goed werd opgelet dat er geen diefstallen werden gepleegd, en de plunjezak door de stad mee blijven slepen was ook geen optie, dus liet ik op hoop van zegen alles op mijn matras achter.

Het duurde nog bijna een half uur voordat we aan de beurt waren en we ons in konden schrijven. Het formulier vroeg waarom we een slaapplaats in de sleep-in nodig hadden. Dat was lachen. Ik vulde in dat mijn ouders me op weg naar een vakantieadres uit de auto hadden gezet. “Ja inderdaad meneer; na drie uur rijden waren ze mijn gezeik dat ik op Schiermonnikoog nog niet dood gevonden wilde worden spuugzat, en hebben ze me aan een boom vastgebonden’ zei ik zo stoïcijns mogelijk. De beheerder van de sleep-in kon er wel om lachen, en ook om Gino’s bijdrage want die had ingevuld dat hij die nacht moest bevallen. Helaas was er alleen nog plaats in de grote slaapzaal. Dat betekende een dun blauw matras in een soort gymzaal die we met dertig anderen moesten delen. Er was wel een douche maar die was bijna permanent bezet. Daarom besloot ik het na terugkomst nog eens te proberen, al had ik echt behoefte aan wat warme waterstralen na die nacht in dat portiek in Assen.

We gingen weer naar Vera waar een New wave dansnacht op het programma stond. Niet echt ons koppie thee want er werd vooral van de commerciële Kim Wilde rotzooi gedraaid. Gelukkig kwam er af en toe wel wat beters tussendoor zoals Bauhaus en The Cure. Nu had The Cure bij mij volledig afgedaan na een totaal ongeïnspireerd en superduur optreden dat ik had gezien in een tent bij het Euromastpark . Dat was een zo ongelofelijk kutoptreden geweest dat ik daarna Seventeen Seconds nooit meer heb gedraaid. Dat ondanks dat die plaat lange tijd toch een van mijn lievelingsplaten was geweest. Ik had na dat optreden zelfs nog een T-shirt ontworpen met het hoofd van Robert Smith erop, bedekt met een laag kots, en de letters “sick of the Cure”eronder.

Ik verveelde me al gauw rot daar in de kelder van Vera en hoopte dat het optreden van Pigbag morgen beter zou bevallen. Al was Pigbag ook niet echt mijn ding. Gino hield van blazers. Maar Pigbag was een soort wereldmuziek en ik hield eigenlijk alleen van keiharde en radicale muziek. En niet van dat Afrodance gedoe. Ska kon ik soms nog wel waarderen, maar daar bleef het bij.

Zo stonden we een beetje aan de rand van de dansvloer te wachten totdat we slaap kregen en naar de sleep-in terug konden. We dronken met mate wat bier omdat we beiden nog vijf dagen voor de boeg hadden met nog geen 50 gulden de man op zak. Bummer, dit was een ambiance waar het alleen leuk was als je stomdronken of knetterstoned was en ik had geen hasj meer bij me.

Gino en ik zagen haar op hetzelfde ogenblik, alleen was onze reactie totaal tegenovergesteld. Er stond een klein mokkel op de dansvloer met een grote SM pet op. Wat mij betreft was dit het lelijkste wijf dat ik in jaren had gezien. Ze bewoog zich zo overdreven heftig op de kutwave dat het meteen duidelijk werd dat ze een iets te lang lijntje moest hebben gesnoven. Ze had duidelijk ooit een gebroken neus opgelopen want ze zag eruit als een Bulldog. Gino was echter al naar haar onderweg. Ik besloot het tafereel maar niet aan te blijven zien. Ik ging maar eens  rondkijken op zoek naar wat leuker vrouwelijk schoon. Er waren wel een paar punkmeisjes maar die waren blijkbaar allemaal op een Girls night out want ze dansten alleen met elkaar. Het was wel opvallend dat er zoveel vrouwen aanwezig waren, maar New Wave werd altijd al meer door meiden gewaardeerd dan door jongens. Jongens gingen over het algemeen voor het hardere werk en lieten dit soort wave-nachten aan zich voorbij lieten gaan. Zaterdag was toen ook niet de dag dat er speciaal uitgegaan moest worden. Punkconcerten vonden op elke willekeurige dag plaats, het lag aan het tourschema van de betreffende bands wanneer ze speelden. De punks kwam toch wel omdat bijna niemand doordeweeks moest werken.

Ik had mijn ronde door de zaal gedaan. Er was geen dame aanwezig waar ik moeite voor wilde doen. Het hielp ook niet dat ik de vorige nacht wakker had gelegen. Ik stond te tollen van de slaap en mijn benen deden pijn van het sjokken door de stad.

Ik zag Gino en Bulldog-girl druk met elkaar in gesprek en ging even peilen hoe het ermee stond. Ze stelde zich voor als Bunny. Dat was geen slechte bijnaam, want ze leek wel een beetje op een mislukt konijntje. Haar tanden waren duidelijk door teveel speed aangetast en haar adem stonk naar drank. Helaas moest ik om haar te verstaan mijn hoofd dichtbij haar mond houden. Ze sprak Engels, maar ze vertelde dat ze Française was. Ik kan er ook nooit zo goed tegen als een vrouw binnen een paar minuten te vaak roept dat ze ons Hollanders leuk vind en haar handen niet thuis kan laten. Dat komt hoerig over. En ik zou zelf nooit een vrouw willen betasten tijden de allereerste conversatie, en alleen daarom al vond ik het niet leuk dat ze haar hand herhaaldelijk op mijn borst of buik legde.

Bunny vroeg aan Gino of hij geld voor bier had, en hij gaf haar een tientje mee. Daarna bleef ze weg. Natuurlijk was dat niet tof want we hadden niet bepaald veel geld bij ons, maar misschien was een tientje achteraf geen slechte prijs om van haar af te komen.

Ik kreeg Gino zover om mee terug naar de sleep-in te gaan. Het was achteraf goed dat we toen al weg gingen, want we raakten de weg kwijt en kwamen er net voor de sluitingstijd van 2 uur pas aan. Gino hield maar niet op over Bunny, en nog niet eens zozeer over het feit dat ze hem tijdens hun eerste kennismaking berooft had. Nee, hij was enorm onder de indruk van al haar verhalen. Het was geen wonder dat we de weg kwijt raakten, want ik was meer bezig argumenten te verzinnen waarom hij haar moest vergeten, dan dat ik op de weg lette. Gino volgde alleen maar; die zat mijn zijn hoofd helemaal niet bij de weg, maar eerder tussen haar benen, verzuchtte ik.

Het was pikkedonker in de slaapzaal en ik struikelde tot drie keer toe over een of andere zwerver voordat ik mijn matras bereikte. Gino had een plaats aan de andere kant van de zaal gekregen en lag zeker 10 meter van me vandaan. Mijn plunjezak was onaangeroerd. Dat viel dus alweer mee. Ik rolde mijn slaapzak uit en kroop erin. Mijn plunjezak gebruikte ik als kussen want die kreeg je hier niet uitgereikt. Van de 30 aanwezigen snurkten volgens mij ruim de helft, dus bereide ik me voor op weer een nacht met weinig slaap. Als dat zo een week door zou gaan ging ik deze trip niet overleven.

Na een paar uur doezelde ik dan eindelijk weg. Voor mijn gevoel nog geen tien minuten later werd ik wakker door een hels kabaal. De hele slaapzaal was in rep en roer. Ongeveer op de plaats waar Gino sliep zag ik, in het schijnsel van de zaklantaarns die sommige aanwezigen op het tafereel gericht hadden, dat er een flinke knokpartij uitgebroken was.Het leek wel of de helft van de slaapzaal zich ermee aan het bemoeien was. Sommigen vloekend en tierend, anderen schreeuwend van angst en huilend. Natuurlijk zag ik Gino nergens en ik vroeg me af om het een goed idee was om hem in die kluwen te gaan zoeken. Plotseling ging het licht in de zaal aan en stormden er drie beheerders van de sleep-in naar binnen. Toen deze de omvang van de knokpartij zagen besloten ze echter zich er niet mee te bemoeien en de politie te bellen.

Het was een surrealistisch schouwspel maar nadat ik het een paar minuten aangekeken had en van de eerste schrik bekomen was begon ik er de lol van in te zien. Ik bekeek voor de allereerste keer een bumfight en de kreten die de zwervers en junks uitkraamden waren enorm grappig. Mijn gehoor had een opdoffer gekregen door de harde muziek in Vera en ik had een suis in mijn oren. Misschien was het daarom dat ik meende zinnen als “dat is mijn dunschiller”en “die fles was halfleeg”op te vangen. Dat alles versleuteld door een vet Gronings accent. Ik schoot in de slappe lach. En op hetzelfde moment zag ik Gino met zijn plunjezak en slaapzak samen onder één arm zich als een rugbyspeler door de kluwen wurmen. Hij rende naar me toe en plofte naast me op mijn matras. Mijn lachbui was opeens onstuitbaar en de tranen liepen over mijn gezicht. Gino werd erdoor aangestoken en zo lagen we gierend naast elkaar. Toen de politie enkele minuten later binnen kwam, was de vechtpartij al voorbij.  Het enige wat ze aantroffen waren een kluwen verbaasd kijkende zwervers en junks die twee door het lachten rood aangelopen Rotterdamse punkers aanstaarden.

Advertenties

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Dit is deel 2 van een verslag vaneen reis naar Groningen in 1982

Naar Groningen Deel 2

Voordat we weer aan de kant van de weg gingen staan, gingen we eerst maar naar het tankstation om wat te kanen te halen. De pompbediende was van het soort dat eigenlijk veel te zenuwachtig was om, in zijn uppie, in een door god verlaten pompstation te staan. Zo iemand die te vaak de Telegraaf leest, opsporing verzocht kijkt en daardoor zo paranoïde was geworden dat hij denkt dat iedereen met een donker kleurtje of rare kleding zijn station komt overvallen. We konden het in dit soort gevallen, die ons bijna dagelijks overkwamen, niet laten om op een theatraal verdachte manier door de winkel van het tankstation te gaan scharrelen. We bekeken de uitgestalde koopwaar uitgebreid en op goed uitgekozen momenten staarden we intens naar die bediende achter zijn kogelvrije glas. Kijken of hij keek. Alsof we zodra hij zijn ogen ook maar een seconde van ons af liet dwalen onze zakken en tassen vol zouden proppen met de waardeloze troep die in de winkel van het het tankstation uitgestald stond. Om het nog leuker te maken gingen we zover mogelijk uit elkaar rondneuzen. Het leek wel of de pompbediende naar een ping pong wedstrijd keek terwijl hij krampachtig probeerde om ons beiden in de smiezen te houden. Gino liep uiteindelijk langzaam en met een brutale grijns op hem af en vroeg hem of het station een toilet had. ‘We hebben een toilet maar daar moet je de sleutel voor hebben en die krijg je niet’, zei de bediende dapper. ‘Best hoor’, zei Gino en verdween naar buiten om de zijmuur van het station water te gaan geven.  Omdat ik uit principe geen cent uit gaf in winkels met bediendes die punkers niet als normale mensen behandelden, liet ik de koek en zopie voor wat het was. Al had ik wel een colaatje en een broodje gelust.  Ik besloot dat de grap lang genoeg geduurd had. Zonder de bediende een blik waardig te gunnen liep ik naar buiten. Er was vast wel ergens een kraan op het terrein en ik had nog een halve joint bij me die de honger een tijdje zou dempen.

Er kon echter geen kraan vinden dus ging ik op het gras naast de parkeerplaatsen voor het station zitten en gaf Gino de joint door nadat hij naast me was gaan zitten. We hadden nog even geen zin om weer te gaan liften. Ik begon er goed van te balen dat we niet gewoon met de trein naar Groningen waren gegaan. Ik had nota bene een OV jaarkaart. Mijn vader was principieel tegen auto’s en had, als een van de eersten, voor het hele gezin die OV jaarkaart gekocht. Ik kon op een legale manier zonder te betalen met alle treinen, bussen en metro’s mee, maar nu zat ik hier omdat ik zo nodig avontuurlijk met Gino moest gaan liften. En als hij alleen had gelift, was hij misschien nu ook al lang en breed in Groningen geweest. Al had hij natuurlijk ook door een sadistische nazi opgepikt kunnen worden en nu als een worst aan kettingen in een kelder kunnen hangen. Met Gino was alles mogelijk.

Toen we opstonden, om ons weer aan de weg te vervoegen, kwam er opeens een politieauto aan die in een razende vaart het parkeerterrein op scheurde,  met gierende banden een bocht nam, op ons af reed en met piepende banden vlak achter ons stopte. Het was dat onze haren al rechtop stonden want anders… Desondanks bleven we stoïcijns voor ons uit staren en deden we alsof we niets gehoord of gezien hadden.

Er stapte een boomlange jonge blonde agent uit, gevolgd door een agente die de helft kleiner was, maar haar geringe lengte goed maakte door de indrukwekkende omvang van haar taille. We zagen meteen dat deze twee er zin in hadden. Slecht nieuws dus, want dit kon wel even gaan duren. De lange lijs begon meteen ‘halt‘ te schreeuwen terwijl hij in gestrekte draf en met de hand op zijn pistoolholster de drie meter die ons nog van de deur van de politieauto scheidde overbrugde. Een onzinnige actie omdat Gino en ik als bevroren dit onwerkelijke tafereel bekeken. Ik keek in een reflex rond, half in de verwachting dat er ergens een paar gasten met bivakmutsen en shotguns stonden die een brute overval wilden gaan plegen. Maar nee, hij bedoelde echt ons twee.

‘ Opstaan’, beval de blonde Sturmbahn Fuhrer. De agente liep intussen naar de winkel van het tankstation. Het was duidelijk dat die graflul van dat station ons een geintje geflikt had. Hoe ernstig dat geintje was zouden we zo wel horen. Wel een beetje balen was dat ik, nadat ik opgestaan was, automatisch mijn hand naar mijn mond toebracht en een lange haal nam van wat ik dacht dat een sigaret was. Pas toen ik de scherpe smaak van hasj proefde, besefte dat ik vergeten was dat ik nog een joint in mijn hand had. De rook zat nu al in mijn longen en die kon ik daar onmogelijk houden. Ik gooide de joint, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, achter me in een plasje dat de grens tussen het gras en de weg markeerde. Daarna liet ik langzaam en gecontroleerd de rook via mijn neus ontsnappen. Ik had wind tegen en met een beetje mazzel zou agent Adolf de geur niet ruiken. De rook kwam nog altijd gestaag uit mijn neus zetten toen onze lange vriend zijn gezicht in mijn gezicht duwde. ‘Eerst maar eens fouilleren’, grijnsde hij. Niet om een statement te maken of stoer te doen maar gewoon door een spierreflex vanuit mijn longen blies ik, voordat ik er erg in had, de rest van de hasjrook midden in zijn gezicht uit. En omdat onze Adolf zelf net inademde kreeg hij de volle laag binnen. Ik dacht rook tussen zijn lippen te zien ontsnappen. Zijn gezicht zwol op een alarmerende manier op en werd knalrood. Nu had ik hem nog boos gemaakt ook. Gino zorgde gelukkig op het juiste moment voor afleiding door op een zeurderige toon te gaan mekkeren. Waarom dacht Oom agent dat hij ons deze behandeling moest geven? We hadden in dit land toch nog wel een paar rechten die ons beschermden tegen willekeur van Politieambtenaren? Gino en ik wisten daar wel het nodige vanaf omdat we regelmatig  over deze materie gelezen hadden in bepaalde extreem linkse pamfletten. Mijnheer de agent mocht ons helemaal niet zomaar, zonder enige aanleiding, fouilleren.

De tronie van de blonde dood ademde een verpestende walm in mijn gezicht uit, zo dicht hield hij zijn gezicht bij het mijne. Maar ik zag de agent uit zijn rode waas ontwaken en beseffen dat hij op het punt stond iets te doen dat onverstandig kon zijn voor zijn verdere carrière. Alles moest natuurlijk wel volgens het boekje blijven gaan. Alleen op momenten dat agenten in de M.E. linie staan en er stenen in het rond vliegen mogen ze ongecontroleerd om zich heen gaan hakken. Wat ik had gedaan kon misschien opgevat worden als een belediging van een ambtenaar in functie, maar uitademen was nu eenmaal een lichaamsfunctie die je moeilijk kon overslaan. Een advocaat zou met die redenering wel raad weten.

Op dat moment kwam de omvangrijke agente terug van het pompstation en riep de blonde dood met voldoening in haar stem toe dat de melding klopte en dat hij ‘vers’ was. O.K. mompelde de blonde Gestapo tevreden. Daarop beval hij ons onze plunjezakken open te maken. ‘ Maar dat gaat zomaar niet’, zei Gino. Ik keek naar hem en zag dat hij zich in zijn rol als advocaten begon in te leven. Hij deed die rol vaker op het schoolplein en zette dan altijd een lachwekkende, maar scherpe, advocaat neer. Zoeen die het bloed onder de nagels van officieren van justitie kon halen. Ik moest mijn lach inhouden toen ik deze transformatie zag. Gino zijn neus leek naar boven te groeien, zijn hoofd verdween in zijn nek, zijn stem zakte drie octaven en hij nam een wel zeer zelfverzekerde houding aan met zijn rechterhand achter zijn rug, zijn linker in zijn zij en zijn rechterbeen iets naar voren alsof hij voor de katheter van een rechtbank stond; klaar voor zijn pleidooi. Approach the bench counsellor! Dit kon een leuk spektakel worden.

-“Mag ik allereerst even weten waarom u ons wilt fouilleren en wat u denkt te vinden?”

– ” Er staat een graffiti op de muur achter het tankstation. Die tekening is nog nat en ik weet zeker dat jullie hem gespoten hebben dus zoeken we naar spuitbussen”, zei de omvangrijke agente terwijl ze mijn plunjezak begon te openen. Slecht nieuws want Gino en ik hadden beiden een spuitbus bij ons. Hier konden we ons niet uit lullen. Maar Gino vertrok geen spier; “Mag ik weten wat de graffiti voorstelde”, vroeg hij vervolgens. Ik had geen idee wat hij daarmee wilde bereiken, behalve dat hij misschien wat tijd zou winnen. Even zag ik ons beiden al opgepakt worden, voor de vorm een paar uur in de cel zitten, een boete krijgen en na donker op straat gegooid worden. Dat alles om even later weer voor landloperij of iets anders doms opgepakt te worden. Die twee konden ons eindeloos gaan pesten.

De agenten keken elkaar aan, maar de agente besloot uiteindelijk dat er geen gevaar in school om te vertellen dat het om een hakenkruis ging. ‘ Zoiets zouden wij nooit op een muur spuiten’, verklaarde Gino. ” Wij zijn tegen nazi’ s” , en hij wees op de Anti-Nazi button die ik op mijn jas had. Leuk argument, dacht ik, maar waarschijnlijk niet steekhoudend genoeg. De agente had intussen de sluiting van mijn plunjezak geopend en stond op het punt hem op het gras om te keren. ‘ En mag ik ook even weten welke kleur die graffiti had?’, vroeg Gino. ‘Hij was rood’,  zei de agente. Gino bleek een aas in zijn mouw verborgen te hebben. Ik had een blauwe spuitbus bij me en zover ik wist had Gino alleen een knalgele. De inhoud van mijn plunjezak denderde over het gras. Een paar T-shirts, een toilettas, een schone broek, drie paar sokken en ondergoed, een paar fanzines, en een hele hoop cassettes van allerlei obscure punkbands, bedoeld voor ruilhandel in Groningen. Maar natuurlijk ook de in een handdoek gewikkelde spuitbus en het ‘ Holland is a mess’  stencil.

‘Aha’,  riep de blonde Gestapo triomfantelijk toen de agente de spuitbus uit de handdoek trok. ‘Jammer dat hij niet de goede kleur is’, antwoordde Gino, op de blauwe dop wijzend. Daarop nam de blonde Gestapo de spuitbus van de agente over en richtte op een graspol die smurfenblauw gespoten werd. Daarop rende de SS’er bijna naar Gino zijn plunjezak, strooide ook die inhoud over het gras en wierp zich op Gino zijn spuitbus zodra die tussen de spullen tevoorschijn kwam. Het was een gele spuitbus, dus werd er ook een pol zo geel als Tweety geverfd. Triomfantelijk kijken wij beiden de agenten aan . De blonde Gestapo zei dat hij de spuitbussen in beslag nam, want hij wist dat deze voor vandalistische doeleinden bedoeld waren. Maar Gino wilde daar niets van weten. Wij gebruiken deze spuitbussen alleen binnenshuis in kraakpanden waar wij met toestemming van de bewoners graffiti achter laten. De agent riposteerde die opmerking door te onderstrepen dat krakers geen eigenaar van een pand zijn en onze Grafitti dus nog steeds vandalistisch waren. Hij pakte beide spuitbussen, gooide ze achter in zijn auto en beide agenten reden weg. We waren het erover eens dat we er nog tamelijk goed afgekomen waren. We stopten onze spullen weer in de plunjezakken en toen zag ik ineens dat Gino op de rug van zijn rechterhand een flinke smet van rode verf had zitten. Die houding die hij zo-even aangenomen had was bestudeerd. Het was altijd lachen geblazen met die jongen en daarnaast kon je niet ontkennen dat hij een soort magische charme om zich heen had die hij bijna tot in perfectie wist te gebruiken. Ik liet hem maar in de waan dat ik niets gezien had al vroeg ik me wel af waar die rode spuitbus dan gebleven was.

Tot mijn schrik zag ik dat het nu al over vieren was. Dat gaf de klok aan, die ik nog net in de winkel van het tankstation kon zien hangen. We waren nog altijd maar op de helft van de reis. De kans dat we Groningen voor donker gingen bereiken werd steeds kleiner. Dit was een waardeloze plek om te liften omdat alleen mensen die bij het tankstation stopten ons op konden pikken. En er was behalve de politieauto nog niemand gestopt. Er kwam een stadsbus voorbij die richting Zwolle ging. Dat betekende dat we op een busroute zaten en niet lang daarna stonden we bij een halte en zagen dat er een bus langs kwam die tot Assen ging. Ik reisde gratis dus als ik met Gino de kosten van een buskaartje zou delen schoten we alweer wat beter op. We besloten de bus naar Assen te nemen. Ik hoopte dat ik tijdens die reis Gino kon overtuigen om de rest van het traject naar Groningen met de trein te reizen. Maar dat lukte me niet dus uiteindelijk brachten we de nacht als een stel zwervers in de hal van een flatgebouw door en stonden we de volgende ochtend om 8 uur alweer aan de snelweg te liften. We bereikten Groningen om 2 uur s’ middags. Het was zaterdag 19 juni 1982.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Naar Groningen is een beschrijving van een reis naar die stad in 1982.

Poison Girls State Control   Rubella Ballet – Money Talks    Pigbag – Papa’s Got A Brand New Pig Bag  Crass – Shaved Women

Naar Groningen

In 1982 was muziekkrant Oor nog relevant. Er stonden af en toe mooie artikelen in over punkbands. Swie Tio schreef destijds de artikelen en recensies over punkbands en platen. Eén stuk dat me altijd is bijgebleven was een lang artikel over Crass. Al was het maar voor de prachtige opmaak van de pagina met het weergaloze artwork van De Baucher. Ik had alleen de Reality Asylum/Shaved Women single in mijn bezit toen dat artikel destijds verscheen. Maar nadat het bewuste artikel in Oor gelezen had ging ik op zoek naar meer en kocht The Feeding Of the Five Thousand; nog altijd een van de beste punkplaten ooit gemaakt. Hard, compromisloos, geen spoor van Rock ’n Roll op te bekennen en teksten die je gewoonweg ging oefenen totdat je ze net zo snel als Steve Ignorant uit je bek kon krijgen. Steve was een rapper avant la lettre…

Gino zat eind mei 1982 buiten op de trap van het Lyceum in de Oor te bladeren terwijl de rest van ons groepje deden wat we altijd tijdens tussenuren deden; een beetje loos kletsen en nieuwe punkmode accessoires bekijken, die altijd wel iemand voor het eerst aangetrokken had.

De eindexamens waren zo goed als voorbij. Alleen het schriftelijk geschiedenis moest nog afgenomen worden. Een eitje; ik keek ernaar uit. Gino maakte zich nooit ergens druk over en Dirk, Guido en Arthur hadden ook weinig problemen met de examens. We stonden er zo goed voor dat het bijna zeker was dat we allemaal zouden slagen en schepten er groot genoegen in naar de blokkende kakkers te kijken die wanhopig aan het stampen waren. Alsof dat nu nog uitmaakte.

De meeste meisjes in ons groepje waren een jaar of twee jonger dan wij en hadden nog geen eindexamens dus waren lekker ontspannen met de zomervakantie voor de boeg. Anouk, Marieke, Masha en Stien bliezen alle vier met regelmatige tussenpozen lange rookwolken uit, wetend dat onze aandacht nooit echt ver van hun persoontjes afdwaalden. Arthur had Stien als vast vriendinnetje, en ik had iets met Anouk, al was dat blijkbaar alleen op momenten dat zij daar behoefte aan had. Maar voor de rest hadden we geen relaties met elkaar. Maar er was natuurlijk wel volop wederzijdse interesse.

“Pigbag op zondag 20 juni in Groningen, zei Gino. Daar ga ik heen”. Ik keek over zijn rug mee naar de concertagenda in de Oor en mijn oog viel op een ander aangekondigd optreden; donderdag 24 juni Poison Girls en Rubella Ballet in Vera Groningen. Daar ga ík heen zei ik terwijl ik het optreden aanwees. We besloten dat we er een weekje van gingen maken. De eindexamens waren in juni al achter de rug. Onze diploma-uitreiking en het eindexamenfeest zou in de week voor het optreden van Pigbag plaatsvinden. De timing kon niet beter. We hadden al veel over Groningen gehoord. De scene daar was hartstikke tof; veel gave bands en veel kraakpanden waarin we vast wel een slaapplek zouden vinden. En naar Groningen liften moest te doen zijn. De reis zou in elk avontuurlijk worden. Het leukste aspect van de voorpret, wat betreft de reis naar Groningen, was dat ik plannen maakte om met een vriend een week ertussenuit te gaan en dat ik zogenaamd geen moment erover dacht dat ik ook samen met Anouk iets voor die periode had kunnen plannen. Een streek terug, trut. Maar natuurlijk deed ze net alsof haar neus bloedde.

Gino en ik besloten op de vrijdag voor het optreden van Pigbag naar Groningen te liften. We waren er van overtuigd dat we als we ’s ochtends vroeg vertrokken Groningen diezelfde avond wel zouden bereiken. Maar dat viel mooi tegen. Uiteraard begon de dag een stuk later dan gepland omdat Gino zich, zoals altijd, versliep. Ik stond om 8 uur bijna tien minuten te bellen voordat die lul open deed. Voordat meneer klaar was met zijn ochtendritueel dat bestond uit espresso maken en aankleden, wat ik zelf in tien minuten doe, waren we een uur verder. Hij ging steeds even erbij zitten en kwam dan vervolgens tot volledige stilstand. Die jongen kon echt zittend in een soort slaapwandelaar veranderen als hij niet minimaal tien uur lang op zijn nest had gelegen. Hij zat zo dus een uur te keutelen totdat ik in zijn oor begon te gillen dat hij op moest schieten en hem richting de buitendeur begon te duwen. We zouden anders de ochtendspits missen.

Maar het was al ruim over tienen, en dus te laat voor de spits, toen we eindelijk bij de ringweg stonden. Natuurlijk waren we ook nog eens vergeten liftbordjes te maken. Ik zocht daarom bijna een half uur naar een goed stuk karton om onze bestemming op te kalken met de viltstift, die ik wél altijd bij me had. Ik had ook een spuitbus met blauwe autolak bij me. Die had ik van Vincent gekregen. Blauw was niet mijn favoriete kleur maar een gegeven paard kijk je niet in de mond. Ik had ook een spuitmal waarin ‘Holland is a mess’ uitgestanst was; mijn slogan van de maand.

Terwijl ik aan het zoeken was ging Gino alvast aan de kant van de weg staan en hield zijn duim omhoog. Net toen ik een stuk wit karton zag liggen hoorde ik Gino schreeuwen. Toen ik opkeek zag ik hem van me vandaan rennen. Er stond iets verderop een auto in de berm. Onze eerste rit! Ik rende achter hem aan en toen ik halverwege was wenkte Gino me om me tot spoed aan te zetten; de bestuurder was duidelijk van goede wil om ons mee te nemen. Ik trok een sprintje maar was nog niet halverwege toen de auto opeens optrok en met grote snelheid verdween, Gino en mij achterlatend. Vloekend stond Gino de auto na te kijken. “Volgens mij schrok die eikel van jou” zei hij. Het was waar dat ik er wat heftiger uitzag dan Gino met mijn hanenkam en en colbert waarover zeven kleuren verf uitgegoten waren. Gino zag er wat dat betreft aangepast alternatief uit, met zijn leren jas en korte zwarte haar. Om discussies te voorkomen ging ik alsnog het stuk karton pakken om een goed liftbordje te maken. Maar nadat ik terug kwam moesten we eerst bekvechten of er nu Groningen op het bord moest staan, of dat het beter was om eerst Utrecht te proberen te bereiken. Gino vond dat het Groningen moest zijn omdat auto’s die naar Utrecht gingen ons dan ook wel op zouden pikken. Ik was daar niet zo zeker van. Uiteindelijk zocht hij ook een stuk karton en stond hij  met een bordje Groningen en ik met Utrecht langs de kant van de weg. Er stopten geen auto’s.

Na een uur bedacht Gino dat we meer kans zou hebben als hij alleen ging staan, en ik me verscholen zou houden. Er stopten daarna inderdaad binnen een half uur drie auto’s maar geen van allen wilden ons beiden meenemen. Toen was Gino het zat. ‘Doe die jas uit en die kam plat’ beval hij. Anders komen we hier nooit meer weg. Ik begon net tegen te sputteren toen er een auto stopte en naar ons toeterde. Gino rende erop af en nadat hij nog geen drie woorden met de bestuurder had gewisseld begon hij verwoed naar me te wenken. Ik kwam op mijn gemak aangelopen, want ik was het geloof in deze onderneming intussen helemaal kwijt geraakt. Maar Gino wenkte nog een keer dringend, dus zette ik het met tegenzin op een sukkeldrafje. Het was een auto met een Duits kenteken en de onvermijdelijke Duitse hippie zat achter het stuur. Ik klom snel achterin voordat hij de kans kreeg me goed te bekijken. Dat bleek onnodig want zodra we weg reden vertelde deze hippie dat hij “Panks gern magte”. Het was misschien aardiger geweest als ik zelf voorin was gaan zitten want Gino sprak geen woord Duits. Die taal zat niet in zijn schoolpakket. Maar ik had geen zin om te praten. Mijn humeur was ver beneden vriespunt geraakt door het verloop van deze dag.

De hippie was op weg terug naar Duitsland dus zou hij ons in Zwolle eruit gooien. Dat schoot zowaar op. De hippie raakte al gauw in een lange monoloog verdwaald. Gino zei in de zeldzame stiltes die onze langharige vriend liet vallen, de drie Duitse woorden die hij kende: nah, zowar en klar. En niet altijd op de meest correcte plaats maar de spraakwaterval van de hippie werd er alleen maar heftiger door. Ik kon nog net,  boven het geluid van de motor van de kever, opvangen dat de hippie het vooral over de RAF en de repressie in Duitsland had. Ik neuriede een nummer van Doormekaar: Duitsland, Duitsland daar is het beter, nog meer zwijnen dan in Den Haag. En wat wij hier morgen vreten, vreten ze in Bonn vandaag.De hippie zweeg opeens, draaide zijn hoofd om naar mij en terwijl de auto gevaarlijk over de weg zwierde vroeg hij wat ik zong. Dus zong ik uit volle borst de hele tekst voor hem want die kende ik uit mijn hoofd: “Gudrun en Andreas, ze noemen het zellefmoord.

– maar iedereen moet weten; de staat heeft hen vermoord.

– Holger is verhongerd, Siegfried wat te lang verhoord.

– Ulrieke is gehangen, ze zijn allemaal vermoord”.

Zelfs een Duitse hippie die nauwelijks Nederlands sprak, kon hieruit opmaken dat ik wist waar ik het over had. Maar dat wist ik helemaal niet. Ik kende alleen die tekst omdat ik dat nummer tof vond. Ik vond de RAF verder niet zo bijster interessant. Het was leuk om leraren te laten flippen door buttons of T-shirts met het logo van de RAF te dragen; onze generatie zou in staat kunnen zijn grof geweld te gaan gebruiken. De nauwelijks verholen angst ook maar zijdelings te maken te hebben gehad met de opvoeding van een nieuwe generatie terroristen, moest een nachtmerrie voor elke leraar zijn. Mijn ouders deden er altijd een pijnlijk zwijgen toe als de RAF ter sprake kwam. Het viel niet uit te leggen, laat staan goed te praten wat die lui hadden gedaan. Niet dat ik principieel moeite had met terrorisme als middel om een staat omver te werpen, maar wat er in Duitsland gebeurde leidde alleen maar tot een politiestaat. Geen slimme actie dus. Terreur om fascistische staten als Zuid Afrika, Argentinië en Chili omver te werpen vond ik wel OK, maar hier in Europa moest je wat slimmer zijn met de geboden alternatieven. Maar ja, wat verwacht je van Maoïsten? In grote roergangers geloven die miljoenen mensen hun graf in helpen is pathetisch. Maar in deze auto de aandacht op mezelf vestigen was dus ook geen slimme actie, want die hippie richtte zich nu op mij, en dat maakte het rijden erg gevaarlijk. Hij sprak in van die lange volzinnen en terwijl hij praatte keek hij niet naar de weg. Gino en ik hielden de weg wél in de gaten en waarschuwden elke keer als de auto uit de bocht dreigde te vliegen of op de verkeerde weghelft terecht kwam. Mijn kennis van de Duitse taal was ook lang niet voldoende om de door de opwinding steeds sneller pratende RAF sympathisant te kunnen volgen. Hij had namelijk ook nog eens een zwaar accent. Gino en ik stonden opeens doodsangsten uit en ik kreeg visioenen van het onvermijdelijke zware ongeval dat een einde aan ons, veel te korte, leven ging maken.

De redding kwam uit een onverwachte hoek. We hoorden een sirene achter ons en zagen we het blauwe schijnsel van een zwaailicht door de cabine van de auto flitsen. De politie komt normaal nooit als je ze nodig hebt. En jammer dat ze dan meteen te lang blijven hangen en domme vragen gaan stellen. En het wordt pas echt leuk als er iemand paniekerig gaat doen. Dat was precies wat onze hippievriend deed. Zijn eerste impuls was een dot gas te geven om te proberen te ontsnappen. Gelukkig zag hij op tijd in dan hij nooit van zijn leven de Porsche van de politie voor kon blijven. Hij liet het gas los en stuurde de auto het terrein van een pompstation op, dat toevalligerwijs net om de volgende bocht opdoemde. De witte Porsche stopte achter ons en we zagen het prototype oude rot van de rijkspolitie uitstappen en naar de bestuurderskant van onze auto lopen. De agent klopte zonder zich te bukken op het zijraampje. De hippie verkeerde in een soort lethargie en keek strak de andere kant uit alsof de agent vanzelf in rook zou opgaan als hij hem maar lang genoeg wist te negeren. Gino besloot dat nu het perfecte moment aangebroken was om uit te stappen. Ik besloot zijn voorbeeld te volgen. Toen de agent hoorde dat we lifters waren aarzelde hij even, waarschijnlijk omdat hij de kans groot achtte dat we, ons uiterlijk op de keper genomen, drugs bij ons hadden. Maar hij wuifde ons weg. De kans dat onze Duitse hippie in Amsterdam flink gescoord had was natuurlijk 100 maal hoger. Op een afstandje bekeken we het tafereel dat daarop volgde. De agent klopte nog een keer op het raam en opende daarna het portier dat blijkbaar niet op slot zat. Raus zei hij kort en de hippie gehoorzaamde. Hij draaide zich meteen om nadat hij de auto verlaten had, leunde over de kever en hield zijn handen op zijn rug. De agent sloeg hem in de boeien en leidde hem naar de Porsche. Met open mond keken we de politieauto na toen die met de hippie en agent aan boord verdween. Het leek ons sterk dat onze hippie deze behandeling alleen vanwege roekeloos rijden kreeg. Daar moest meer achter zitten. “Misschien had hij echt wat met de RAF te maken, zei Gino en stond hij op de telex.” “Gelul zei ik, als die gast verdacht zou zijn bij de RAF te horen waren ze met een zwaar bewapend arrestatieteam van honderd man gekomen en zouden er nu twee helikopters boven ons hangen.” Leer mij de politie kennen, als ze niet zwaarbewapend en met een overmacht zijn, durven ze niks.

Het geval met die hippie was intrigerend maar uiteindelijk was ik blij dat we die dollemansrit hadden overleefd en dat we lastige vragen en een fouillering bespaard gebleven waren. Jammer dat we allebei geen auto konden rijden want de Kever van die hippie was niet op slot. Een auto zonder sleutels aan de praat krijgen konden we toch ook niet dus een joyride zat er sowieso niet in. Er zat niets anders op dan een nieuwe lift te pakken zien te krijgen die ons alsnog naar Zwolle, of liever nog verder naar het Noorden, moest brengen. Volgens de verkeersborden waren we nog geen kilometer van Zwolle verwijderd. Maar die stad leek me ook geen geschikte plaats om te stranden. Het was al drie uur en we waren nog maar net iets meer dan halverwege Groningen gekomen.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Over een Kam geschoren Deel 3

De dag daarop had ik een zware ketting van een fietsslot met een, al zeg ik het zelf, tamelijk ingenieus systeem met een haak aan mijn koppelriem vastgemaakt. De ketting zat om mijn middel en ik had een sterke veter aan de op vijf na laatste schakel geknoopt. Die veter liep door het zware slot van de ketting heen, waarvan ik de sleutel overigens al lang kwijt was, en hing aan een haak die ik met behulp van een blokje hout dat ik tussen de banden van de koppelriem had gestoken was bevestigd. Met een simpele ruk aan het uiteinde van de ketting schoot die van mijn middel en had ik een verdedigingswapen in mijn hand. Ik vertrouwde erop dat de afschrikking van het wapen genoeg was om ellendelingen als die kutpooier af te schrikken want een rake lel van die ketting op iemands zijn hoofd zou wel eens kunnen leiden tot een beschuldiging van poging tot doodslag.

Mijn haar groeit snel en een maand later was de kam al zo lang geworden dat Vincent hem smaller kon gaan scheren. Na de scheerbeurt probeerde ik de kam weer met zeep omhoog te zetten. Maar dat was echt niks. Er moest zoveel van dat spul in om de dunne kam omhoog te houden dat er zich een buitenlaag van zeep om het haar vormde. Het zag er niet uit en ik stonk naar de palmolive. Tot overmaat van ramp was ik een allergie tegen zeep aan het opbouwen, want ik had al een paar weken kleine blaasjes op mijn polsen. Precies op de plekken die ik niet goed afspoelde nadat ik mijn haar had verzorgd.

Het werd dus tijd om te experimenteren met andere middelen.

Haarlak viel als eerste af. Ik stak de moord in de wolken lak en het lukte me alleen met hulp van Vincent of een vriendinnetje om mijn kam met dat spul omhoog te krijgen. Ik snap dan ook niet hoe die hedendaagse punks het wel voor elkaar krijgen om hun kam met lak omhoog te zetten. De lak die tegenwoordig te koop is moet een stuk beter zijn dan die uit begin jaren tachtig. Maar het is ook opvallend dat je  tegenwoordig hanenkammenpunks die een relatie op de klippen zien lopen vaak met hun kam plat naar achter gekamd ziet rondlopen totdat ze een nieuwe vriendin hebben. Maar ik zall niet de Richard Attenborough uit gaan hangen wat het lokale wildlife betreft, dus markeer deze opmerking maar als onzin.

Suikerwater was de tweede optie en was ook compleet waardeloos. Als je van insecten, en vooral van wespen, houdt is suikerwater het middel voor jou. Daar kwam nog bij dat het bijna een half uur duurde voordat je genoeg suiker in water had opgelost om met de coiffure te beginnen. Ik was natuurlijk geen wijf of mietje die elke dag een uur voor de spiegel wil gaan staan.

De laatste optie die ik had was eiwit. Daar verwachtte ik echt niks van, maar ik had ergens gelezen dat als je de föhn op eiwit zette, het hard zou worden. Ik brak dus een eitje en zorgde zorgvuldig dat er geen eigeel in het papje terecht kwam want dat zou ongetwijfeld vreselijk gaan stinken. Ik klopte het spul een beetje los en smeerde het in mijn haar. Ik trok een pluk zo hard mogelijk omhoog en zette de föhn erop. De pluk bleef zowaar al na een paar seconden recht omhoog staan. Ik behandelde de rest van de kam op dezelfde manier en drukte alle haren daarna nog een keer extra aan met en smeerde nog een dun laagje eiwit erover en föhnde het meteen. Zowaar had ik in nog geen vijf minuten een perfecte kam staan. Misschien hielp het dat ik, voordat ik de föhn uitzette, de kraan van het fonteintje in mijn kamer beet pakte, omdat ik hem alvast open wilde draaien om mijn handen te gaan wassen, waardoor ik een opdonder van 220 volt door mijn lijf gejaagd kreeg. Maar niettemin was ie perfect.

Ik experimenteerde nog wat meer met die kam in het weekend. Het eiwit bleef reukloos maar ik ontdekte dat de substantie taaier werd als ik wat shampoo toevoegde. Eiwit had de neiging na een dag wat poederig te worden en dat voorkwam ik zo. Ook makkelijk was dat ik s’ morgens alleen de haren in mijn nek weer overeind hoefde te zetten; de kam bleef op de top, ook na het slapen, minimaal twee dagen goed overeind staan.

De zomer brak die week aan en ik ontdekte een klein nadeel van een kale hoofdhuid; verbrandingsverschijnselen. Soms maar op één helft van mijn hoofd omdat de kam de andere kant in de schaduw hield. Ik kreeg het voor elkaar om na een half uurtje in de zon bijna blaren op mijn kop te krijgen en moest daarom de hele dag zonnebrand op mijn hoofd smeren. Ik besloot voorlopig mijn hoofd niet meer te scheren. Dat kon ook bijna niet want ik stierf van de pijn zodra ik het scheerapparaat om mijn hoofdhuid zette. Dat was een groot nadeel maar ik ontdekte die dag dat er meer nadelen aan hanenkammen zaten, vooral aan hanenkammen die met eiwit omhoog gehouden werden.

Ik zat in de Engels les lekker in het zonnetje. Engels was als de makkelijkste taal in mijn lespakket en ik kon de tijd die meneer Thompson, onze leraar, gebruikte om de meeste van de leerlingen in zijn klas nog bij te spijkeren over grammatica besteden aan het lezen van 1984 van Orwell; een boek dat het onderwerp van mijn mondeling examen moest worden. Dat examen viel over vier weken. Ik zat aan het raam van de klas en het zonnetje scheen lekker. Er stonden intussen al flink wat stoppels op mijn hoofd dus hoefde ik niet meer bang te zijn voor verbranding. Mijn kop jeukte wel nog een beetje en ik pulkte zonder erbij na te denken een beetje aan mijn jeukende hoofdhuid terwijl ik volledig in beslag werd genomen door mijn boek. Opeens had ik een stukje hoofdhuid tussen mijn vingers. Nog altijd volledig door mijn boek opgeëist trok ik zachtjes aan het stuk huid en trok een strook van wel 5 bij 10 cm van mijn kop. De verbranding had gezorgd dat mijn huid ging schilferen. Maar het eiwit plakte alle losse stukje huid aan elkaar. Ik keek op van mijn boek en hield het stuk huid vol interesse voor mijn ogen. Ik zag alle kleine gaatjes waar een haartje door de huid had gestoken. Het was fascinerend. Ik leek wel een slang die aan het vervellen was. Ik werd uit mijn mijmeringen losgerukt door een ingehouden oprisping naast me. Karin, die een bank verder zat had de hele actie gezien en was zo geschokt dat ze op het punt stond te gaan braken. ‘Hier vangen’ zei ik zachtjes en gooide het stuk huid in haar richting waarop ze kreunend naar de toiletten rende.

Ik mocht de rest van de middag op de stoep van de school verder lezen. Ach, eruit gezet worden was niet echt een ramp. Ik moest alleen voor straf na schooltijd voor de vorm de conciërge een uurtje helpen vegen in de hal. Dat werd shag paffen en ouwehoeren want de goede man deed dat karwei liever zelf na een paar slechte ervaringen met mijn veegkunsten.

Toen ik de volgende ochtend door de wekker gewekt werd en ik automatisch door mijn haar wilde woelen voelde ik mijn kale huid en drong het pas goed tot me door dat dit een spannende dag ging worden. Heel even had ik spijt dat ik die kop had laten scheren, maar het enige wat ik er nog aan kon doen was de kam eraf halen en de komende weken als skinhead rond gaan lopen, en dat ging dus absoluut niet gebeuren. Het had weinig zin om nu nog spijt te hebben, dus ik besloot er het beste van te maken, mijn rug recht te houden en mijn tanden te scherpen. Ik besloot zelfs maar naar school te gaan lopen en zou het lot nog extra tarten door de tram te nemen als die op mijn route mocht passeren. Ik hield niet van wachten bij een halte en dat deed ik dan ook nooit. Maar lijn negen reed wel tot vlakbij het Lyceum. Ik had er daarom een gewoonte van gemaakt om, als ik langs de halte op de hoek van mijn straat liep, op het bordje waarop de aankomsttijden stonden te kijken. Als de tram binnen 2 minuten geacht was te komen bleef ik wachten. Was hij er niet stipt op tijd dan liep ik alsnog door.

Na een douche smeerde ik een grote hoeveelheid zeep door mijn kam en zette hem zo mooi mogelijk omhoog. Wee de sukkels die me vandaag op de huid zouden gaan zitten. Ik was klaar voor ze.

Vlak voordat ik de voordeur opende voelde ik me alsof ik in de coulisse van een theater stond vlak voordat ik op moest komen en mezelf, gekleed in een volslagen belachelijk kostuum, aan het publiek moest gaan vertonen. Het was alsof er vlak achter de voordeur van het huis van mijn vader zich een menigte kritische buurtbewoners, kinderen en politie kon hebben verzameld. Maar natuurlijk was er in de straat geen hond te bekennen. Dat zou wel anders worden zodra ik linksaf de Claes de Vrieselaan op zou lopen. Toen ik vlakbij de hoek van de straat was, kwam er een man de hoek om lopen; type zakenman. Hij werd volledig in beslag genomen door een pak paperassen, dat hij in zijn hand had en al lopend probeerde te lezen. Hij merkte me helemaal niet op en liep me strak voorbij. Dat is een behoorlijke anti climax bedacht ik me nog, totdat ik de man opeens achter me in indianen gehuil hoorde uitbarsten; wowowowoh. Daarna moest hij hard lachen. Heel even lachte ik met hem mee, bijna blij dat ik tenminste niet iemand was die je zomaar voorbij liep. Totdat het besef tot me doordrong dat hij me op een veilige afstand uit, en niet toelachte. Mijn stemming sloeg meteen om en ik zette het op een schelden. “Rot op ouwe tyfus lul” en ik deed een beweging alsof ik hem aan wilde vliegen waarop hij hinnikend doorliep. Damn, nog geen minuut op straat en ik werd door de eerste de beste pissig gemaakt. Ik boomde de Claes de Vrieselaan in en het onweer stond blijkbaar zo zwaar  op mijn gezicht afgetekend dat alle voorbijgangers tot aan de Mathenesserlaan het op blikken uit de ooghoeken hielden. Dat deed ik zelf trouwens ook. Ik keek echter niet naar de mensen die me passeerden maar probeerde mijn eigen reflectie in elke winkelruit waar ik langs liep op te vangen. Stond ie nog rechtop? Stond ie goed? Ja, hij stond fantastisch… De tram reed voorbij en ik bedacht me te laat dat ik mezelf beloofd had hem te pakken.

Onderweg naar school moest ik nog langs een steiger met bouwvakkers; indianen gehuil, een groep schoolmeisjes; dom gegiechel en een flauwe “je hebt een scheur in je broek” en een groepje disco’s die ook op weg naar school waren maar gelukkig naar een andere. Maar dat waren jochies en een vuile blik van mij was genoeg om te zorgen dat niemand wat zei voordat ik de hoek omliep. Daarna hoorde ik ze onder elkaar gillen van ”zag je dat? Die gozer is helemaal gestoord!!” Maar dat was niets bijzonders; aan dat soort opmerkingen was ik allang gewend.

Het effect dat de kam op school had was precies wat ik ervan had verwacht. De conciërge wenste me sterkte toe. Die man had wel humor en dat zei ik hem dan ook…

Het eerste uur van de dag had ik Frans. Dat betekende dat ik les kreeg van de conrector. Die man was meestal stoïcijns over uiterlijkheden, maar misschien dat hij zich nu toch gedwongen zou voelen iets over mijn, nu toch wel erg radicale, uiterlijk te gaan zeggen. Maar tot mijn ergernis besloot hij me te negeren. Hij dacht waarschijnlijk dat de aandacht  op mijn uiterlijk vestigen precies was waar ik op uit was, en het negeren ervan de beste tactiek om te zorgen dat ik niet op een dag, door zijn reactie aangemoedigd, poedelnaakt de klas binnen zou komen. Dat alle leerlingen uit mijn Franse klas me warm onthaalden met een mengeling van kreten van verbazing en afkeer hielp gelukkig. Ta gueule !

Het eerste uur van mijn rooster viel vlak voor de korte pauze van 11 uur. Ik had niet alleen een pretpakket wat schoolvakken betreft, ook mijn rooster was erg prettig. Ik hoefde maar één dag per week om negen uur te beginnen en dat was op dinsdag. De rest van de dagen hoefde ik pas om 10 en op vrijdag zelfs pas om 12 uur te beginnen. Vandaag was het maandag en had ik sowieso maar drie uur les. Ik had echt het ideale rooster om vaak uit te kunnen gaan. Jammer dat er zo weinig te doen was in die kutstad.

Ik liep de rookruimte in op zoek naar mijn vrienden en wat te paffen. Ik had zo’n trek in een sigaret dat ik bijna vergat dat ik voor het eerst met die kam door de school liep. Starende blikken was ik al gewend. Brugsmurfen die geschrokken opzij sprongen ook.

Voor de in de rookruimte altijd aanwezige groepje alternatievelingen, pauze of geen pauze, was ik natuurlijk de held van de dag, al waren er ook een paar mensen uit ons groepje die een beetje zenuwachtig werden van deze nieuwe radicale stap naar de totale anarchie op school. Een tegenreactie van het schoolbestuur kon nooit meer lang uitblijven. Er was al eens een afvaardiging van alternativo’s bij de rector ontboden en daar was te kennen gegeven dat er klachten over ons uiterlijk binnen waren gekomen van ouders die de school jaarlijks met substantiële bedragen sponsorden. Maar fuck; ik zat in mijn eindexamenjaar en de examens waren al over drie maanden. Het leek me sterk dat ze een leerling die verder goed presteerde zo vlak voor de examens van school zouden kunnen trappen.

Later die dag liep ik, op weg naar huis, helemaal in mezelf opgaand en mijmerend over toch wel een geslaagde dag over de Claes de Vriesselaan. Een straat die jammer genoeg geen echte winkelstraat was. Te weinig etalages om je reflectie in te bekijken. Een paar minuten later kruiste ik de Mathernesserlaan. Vlak om de hoek van die straat was een nachtclub genaamd ‘ The Lido’ gevestigd. Voor de deur van die club stond een enorme cabriolet met een bekleding van het soort dat waar maar één soort mens mee gezien wil worden; tijgerprint. Als dat geen pooiermobiel is ben ik Bobby Farrel dacht ik nog. De eigenaar van de wagen zat breeduit achter het stuur. Een man van rond de 40 met een vetkuif, veter om zijn nek en drapes. Een meer stereotype pooier kon je bijna niet voorstellen. Onze blikken kruisten elkaar en ik zag hem zijn ogen open sperren van verbazing. Ik moest ervan grijnzen en liet hem mijn blinkende tanden zien. Op dat moment kwam er een dame vanuit de club naar de pooiermobiel lopen. Ik denk achteraf dat het bij de verbaasde blik van pimpdaddy was gebleven als zij niet op dat moment naar buiten was gelopen. Maar blijkbaar moest het hier en nu gebeuren dat ik de eerste echt onvriendelijke reactie op mijn nieuwe uiterlijk moest ontvangen. Pimpdaddy vond het blijkbaar nodig om de stoere kerel uit te hangen in het bijzijn van dat meisje dat waarschijnlijk een van de hoertjes was die voor hem werkte.

“Kukeleku!!” riep hij. “Kijk nou; wat een lekker kippetje. Dat kippie is nog lekkerderder dan jij Moon”, schreeuwde hij naar het hoertje, die me aankeek en me niet eens onvriendelijk toelachte. Pimpdaddy ging echter door met beledigingen schreeuwen en dat deed hij net iets te lang. Ik was al halverwege het zebrapad over de Mathenesserlaan toen hij een opmerking over mijn moeder en opvoeding maakte. De bekende rode waas verscheen voor mijn ogen, angst werd vervangen door woede en ik draaide me om en liep terug richting de pooierbak. “Jij moet nodig wat zeggen over opvoeding, kankerpatser, Fuck you” en ik hield mijn middelvinger voor zijn smoel. Stom genoeg stond ik al iets te dicht bij de wagen van die lul dus toen hij met een zwaai het portier opengooide knalde het tegen mijn rechterknie. De pijn schoot door mijn been en even afgeleid boog ik naar voren om uit een reflex mijn knie vast te pakken. Daarop kreeg ik een keiharde trap in mijn ribbenkast en stortte snakkend naar adem op de grond. Het was dat het hoertje pimpdaddy tegenhield anders had hij me waarschijnlijk helemaal lens geschopt. Zij hield hem tegen totdat ik mijn adem terug vond en met gekwetste trots de straat over wist te steken en om de hoek te verdwijnen.

Vlak om de hoek bleef ik staan totdat de pijn draaglijk werd. Ik bloedde uit een schram op mijn pols die ik aan mijn val over had gehouden. Ik zwoer wraak op die hufter. Vechtend tegen de tranen, trillend van machteloze woede en vloekend liep ik naar huis en toen het ook nog begon te regenen en het regenwater zich met de zeep van mijn kam vermengde en in mijn ogen begon te brandden voelde ik me behoorlijk zielig en in de zeik gezet. Ook bedacht ik me dat ik een verdedigingswapen aan moest schaffen tegen lui als die pooier, want ik had er geen trek in om vaker in elkaar geslagen te worden. En ik moest een alternatief voor zeep vinden om de kam omhoog te houden want rooie oogjes door de sop was natuurlijk geen porum.

klik hier voor deel 3

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Dit is het tweede stukje dat ik online zet. Enjoy…

In de tussentijd was iedereen op school alweer gewend geraakt aan mijn nieuwe uiterlijk.

Leren jassen met slogans en bandnamen waren nog steeds leuk, maar het korte geblondeerde kapsel begon me al gauw de keel uit te hangen. Dat was veel te gewoontjes. Daarbij was de helft van de school helemaal dol op The Police en die droegen dat kapsel ook.

Drie maanden later was mijn haar weer wat langer, met de geblondeerde lokken flink uitgegroeid. Ik zat op een avond bij Vincent om mijn haar zwart te laten verven en ondertussen, tijdens de inwerktijd van de verf, plaatjes op cassettes op te nemen. Vincent struinde elke week diverse platenzaken af op zoek naar nieuwe singles en lp’s dus had ik altijd genoeg keuze om een cassette van 90 minuten aan nieuwe muziek op te nemen.

Nu had ik al een tijdje een plannetje, maar ik moest nog even de consequenties van die actie overdenken. Wat ik wilde zou niet alleen alle leraren, de directie en de leerlingen op school in de gordijnen jagen, maar ook mijn ouders. Ik wilde een hanenkam! Ik zou de allereerste gast in Rotterdam met een hanenkam worden. Ik kende wel een meisje die een kam had gehad, maar die was al een tijdje niet meer in Rotterdam gesignaleerd. Waarschijnlijk was ze, zoals zo velen, vertrokken naar de kraakscene in Amsterdam. Verder had ik in Eksit een meisje gezien die een soort paarse pauwenkam had; dus overdwars over haar hoofd. Een prachtig gezicht was dat by the way… Maar de jongens droegen allemaal kort stekelhaar en de favoriete kleur was zwart. Een zwarte kam was dus wel zo origineel.

Voordat ik het wist flapte ik mijn voornemen eruit. Vincent keek me met glanzende ogen aan. “Ik heb wat voor jouwwwww”zei hij op zijn karakteristieke manier. Vincent had de neiging woorden heel lang uit te rekken als iets hem opwond.

Vincent liep de kamer uit en kwam terug met een doosje in zijn hand. “Taddaaaaaa”zei hij en liet een tondeuse zien. Die was natuurlijk van zijn moeder want die schoor haar hoofd ook altijd bijna kaal. “Kom hier met die kop; hiermee is het zo gepiept” zei Vincent. Ik aarzelde echter ineens bij het idee dat ik morgen weer een week bij mijn moeder en haar nieuwe vriend moest intrekken. “Verf het nou eerst maar gewoon, die kam komt nog wel zei ik”. “Schijtert” riep Vincent, je gaat nu die kam nemen anders ben je… Hij bleef even steken. “Chicken”? Probeerde ik met een grapje het ijs te breken. “Wat bedoel je?” vroeg Vincent. Ik was even vergeten dat Vincent weigerde om niet Nederlandse woorden in zijn vocabulaire op te nemen. ( het woord vocabulaire zou hij dus ook nooit en te nimmer gebruikt hebben.) “Laat maar” zei ik dus. Ik ging met mijn rug naar Vincent zitten en deed de handdoek die ik al voor het verven klaar had gelegd om mijn schouders. Vincent stopte de stekker in het stopcontact en klikte de tondeuse aan. Een niet onplezierige trilling zoemde achter mijn oor en de tondeuse raakte mijn nek. Vincent bewoog het apparaat omhoog, maar voorbij mijn nekhaar waar de echte inplant begon was mijn haar volledig dicht gesmeerd met zeep om het omhoog te houden. De tondeuse beet zich erin vast en ik kreeg een gevoel alsof Vincent mijn scalp eraf probeerde te rukken. “Stop” schreeuwde ik, maar de tondeuse kwam niet zo gemakkelijk los. Talloze haren werden op een wel erg kordate manier uit mijn hoofd gerukt voordat de tondeuse weer los kwam.

Ik spoelde mijn haar eerst uit, daarna moesten we wachten totdat het droog genoeg was om de tondeuse weer veilig te kunnen gebruiken. Dat gaf me nog wat extra bedenktijd. Ik wist dat het morgen een moeilijke dag zou worden want dit kapsel zou me de hele dag op de meest uiteenlopende afkeurende reacties gaan opleveren. Maar terwijl mijn haar droogde sloeg mijn vrees om in anticipatie. Ik wist ook van mezelf dat als ik die kam niet vandaag zou laten scheren ik er aan zou blijven denken totdat ik me een mietje zou voelen. Mijn haar was alleen nog niet lang genoeg om een echt mooie dunne kam neer te zetten dus het zou een soort Taxidriver kam moeten worden. “Are you talking to me?” was natuurlijk een prachtige slagzin om morgen op school te gebruiken tegen de eerste de beste sukkel die iets over mijn nieuwe kapsel zou durven zeggen. Ik zat zo nog door te mijmeren toen Vincent plotseling de tondeuse weer op mijn hoofd zette en in een beweging een grote baan haar wegschoor. “Kijk je een beetje uit dat je het midden laat zitten, zei ik verschrikt. Ik heb geen zin om morgen erbij te lopen als een skinhead, OK?”. “Skinhead! Leuk idee” zei Vincent. Het was dat ik op tijd mijn hoofd weg trok anders had hij expres een baan midden over mijn hoofd weggeschoren. “Hé kappen” schreeuwde ik naar Vincent. Nu vertrouw ik je niet meer, ik scheer de rest zelf wel.” “Ik dacht het niet, zei Vincent. Mijn tondeuse en mijn kunstwerk…”

-“Wat bedoel je nou met kunstwerk? Een kam kan iedereen maken”.

– “Ik was anders iets heel speciaals van plan” zei Vincent.

– “Een kale kop is nog makkelijker” beet ik hem toe.

– “Dat bedoelde ik niet” zei Vincent. Ik ga er echt iets moois van maken.”

– “Ik wil een hanenkam en verder niks”, zei ik.

-“Die krijg je van me” zei Vincent, maar ik wilde er nog iets extra’s doen”. Hij pakte twee mallen en een stift erbij. De mallen waren een krakersteken (een cirkel met en bliksem straal erdoorheen) en een radio-actief teken. Hij wuifde de spullen voor mijn gezicht en zei dat hij met de stift de mallen zou aftekenen nadat hij met de tondeuse mijn haar naast de kam zo kort mogelijk had gemaakt en hij ze dan met een mesje uit zou scheren. Ik wist dat het toch geen zin had om hem van dat idee af te brengen en dat, mocht het mislukken, we alles gemakkelijk alsnog weg konden scheren. Dus met een korte handbeweging liet ik mijn instemming blijken en Vincent ging aan de slag.

De vibraties van de tondeuse deden mijn zenuwen op een prettige manier tintelen. De lokken half geblondeerd haar vielen op mijn schouders en ik kon het niet laten om elke verse gekortwiekte baan op mijn hoofd te betasten.

Nadat de twee zijkanten van mijn hoofd gedaan waren pakte Vincent de mallen en tekende met een rode stift de stukken haar af die bij het scheren gespaard moesten blijven. Daarna smeerde haar mijn hoofd in met scheerschuim uit zo’n ‘old spice’ potje daarbij zorgend dat de afgetekende plekken zo weinig mogelijk schuim ingezeept werden.

“Daar gaat ie” jubelde Vincent toen hij uiteindelijk het mes op mijn hoofdhuid kon zetten. Centimeter bij centimeter werd mijn schedel van haar ontdaan. Ik heb echt dik haar dus Vincent moest elk plekje drie of vier keer behandelen voordat al het haar echt verdwenen was. ER zat helaas een ontsmettingsmiddel in het schuim wat we gebruikten en dat prikte als de hel op mijn geteisterde kop. Na een kwartier begon ik echt genoeg te krijgen van het stilzitten en de voortdurende pijn, maar we waren niet eens klaar met de linkerkant van mijn hoofd. Ik had het gevoel dat mijn kop onder de diepe krassen van het mes zat. Vooral de tekens die uitgespaard moesten worden waren lastig. Het leek wel of Vincent de haartjes daar één voor één aan het wegscheren was. En hoe vaker hij hetzelfde stuk huid met het mes behandelde hoe meer het schuim ging prikken. Ik begon steeds meer met mijn kont te draaien op de stoel tot ongenoegen van Vincent die af en toe een pets op de al kale gedeeltes van mijn hoofd gaf om me tot kalmte te manen. Ik besloot dat als ik die kale kop zou houden ik voortaan een elektrisch scheerapparaat zou gaan gebruiken; dat leek me makkelijker en die behandeling kon ik ten minste bij mezelf doen. Maar of ik überhaupt lang met die kam zou gaan lopen was nog te bezien. Het moest allemaal niet te bewerkelijk worden en ik zat mezelf natuurlijk ook nog steeds af te vragen of ik de reacties op dit kapsel wel zou trekken.

Na ruim twee uur op de stoel was Vincent eindelijk tevreden en opgelucht stak ik mijn hoofd onder de kraan om de resten scheerschuim en haar weg te spoelen. Het resultaat zag er opmerkelijk goed uit; er was geen spoortje van enige verwondingen te zien. Mijn hoofdhuid was wel een beetje rood aangelopen; waarschijnlijk door dat stomme ouwe lullen scheerschuim dat we gebruikt hadden. Het radioactief teken en de krakersbliksem zagen er ook mooi scherp afgetekend uit; zoiets kon je wel aan Vincent overlaten. Ik kon niet van de kale hoofdhuid afblijven. Het voelde zo vreemd en zo lekker om op plaatsen waar je, zo lang je het kon heugen, haar hebt gevoeld opeens kaal te zijn.

Het was intussen al na twaalven en omdat ik de volgende dag naar school moest sloop ik over het dak terug naar huis en ging ik naar bed. Ik heb die nacht niet veel geslapen. Morgen zou een moeilijke dag worden. De eerste, maar zeker niet de ergste hindernis was mijn vader. Dan de straat. School zou leuk worden vergeleken met de straat. Die avond zou mijn moeder me met de auto komen halen omdat ik die week bij haar en haar vriend zou wonen en ik zo gemakkelijk al mijn schoolboeken in één keer mee kon nemen. Dat zou de moeilijkste worden.

%d bloggers liken dit: