Skip navigation

Tag Archives: Eksit

Klik hier voor de korte versie op Zinesters

Ongereguleerde podia die zich onder de radar bevinden en zich weinig of niets van de bestaande regelgeving hoeven aan te trekken zijn de enige plekken die het predicaat ‘broedplaats’ verdienen. Dat zijn ze niet alleen voor lokale bands, maar ook voor toekomstige programmeurs, geluidsmensen en alle andere functies die een poppodium herbergt.
Elke opvolgende generatie lijkt het met het opzetten van dergelijke broedplaatsen moeilijker te krijgen maar desalniettemin komen er nog steeds, en gelukkig maar, overal op deze aardkloot mensen naar voren die het aandurven. De scene herbergt altijd een groepje mensen dat het op een bepaald moment zat is om te klagen “dat er niks te doen is”, de handschoen oppakken en het dan maar zelf gaan doen. Enthousiastelingen die nieuwe locaties opeisen of een oud podium nieuw leven inblazen en de zaken op hun eigen manier aanpakken.

Stoma6 ©DennisWisseWe leven in tijden waarin de bek van de overheid overloopt met de holle frase “dat ondernemers aan teveel regels gebonden zijn”, maar op de keper genomen geldt dat blijkbaar alleen voor multinationals, niet voor het midden en kleinbedrijf en al helemaal niet voor niet op winst gerichte initiatieven. Voor die laatste groep verzint men er maar wat graag nog wat regels bij met als doel ‘amateurs’ buiten de deur te houden.

Maar het soort mensen dat iets voor een undergroundscene wil organiseren wil helemaal geen ondernemer zijn. Een ondernemer weet dat er geen geld aan een underground podium valt te verdienen en die zal er dus niet eens aan beginnen.
En het initiatief zal ook juist niet van mensen moeten komen die een opleiding muziekmanagement hebben gevolgd. Die willen namelijk alles volgens voorgeschreven regels doen en zijn de eersten die afhaken. Bij zo’n opleiding opgedane kennis is allemaal leuk en aardig maar gaat totaal voorbij aan een belangrijk aspect dat alle fanatiekelingen die een eigen tent op zetten gemeen hebben en dat ze zelf het wiel uit willen vinden. Een groep fanatiekelingen heeft als een soort natuurwet een anarchistische inslag. Die gaan allerlei dingen proberen waarvan je van tevoren op een briefje kan geven dat ze gaan mislukken, maar als je ze hun gang niet laat gaan spat je groep sneller uit elkaar dan een zelfmoordenaar van IS.

055_img_3669Het is tegenwoordig steeds moeilijker een locatie te vinden waar je geen overlast veroorzaakt. De binnenstad is volgeplempt met koopwoningen en daarbuiten is het een factor tien moeilijker om publiek naar je tent te trekken. En door het kraakverbod wordt het er niet makkelijker op. Lange tijd was kraken in Nederland makkelijker en meer geaccepteerd daar waar ook ter wereld, nu is het precies andersom. Door de hier gangbare rigide stelling van “regels zijn regels” is kraken nu zo goed als onmogelijk geworden. Dat terwijl het in landen om ons heen, waar kraken nooit semilegaal is geweest, nog steeds mogelijk is een door een particulier opzettelijk leeg gehouden huis/loods/zaal in bezit te nemen en er een cultureel centrum van te maken. Tegenwoordig ben je zowat gedwongen tot een antikraak-constructie, dus ook al is de huur een stuk lager dan je normaal zou moeten betalen, het blijft een extra vaste last en erger nog; een paar klachten van omwonenden zijn genoeg om de antikraak organisatie koude voeten te laten krijgen en je contract op te zeggen.
Vroeger duurde het wat langer voordat je ontruimd werd en was er iets meer tijd om een reputatie op te bouwen. Een reputatie zorgt niet alleen voor meer publiek en beter band-aanbod, het zet je ook op de kaart bij het publiek en pers wat uiteindelijk deuren naar de politiek en ambtenarij kan openen. Wellicht zie je alleen natuurlijke vijanden in dat soort mensen maar uiteindelijk zijn het de enigen die je kunnen helpen zodra de buurt begint te morren of wanneer je toe bent aan een nieuwe locatie.

digital leather exit
Vaak zijn de publieksaantallen in undergroundpodia verrassend goed en komen er massa’s mensen op zo’n podium af. Er kan niet of nauwelijks aan promotie gedaan kan worden, want illegaal dus geen posters, flyers advertenties, maar mond op mond reclame, en tegenwoordig ook de sociale media, werken in dit geval op zijn best. Het komt allemaal super-sympathiek over al is de kans dat je tent nog geen half jaar zal bestaan levensgroot, maar dat trekt ook weer want je moet er geweest zijn voordat het verleden tijd is.
De eerste valkuil waar je voor komt te staan is dat je als initiatiefnemer ervoor moeten waken dat je zelf blijft bepalen hoe de tent georganiseerd wordt en dat je publiek dat niet gaat doen. Sluitingstijden moeten afgesproken worden en je moet jezelf eraan houden. Als je dat niet doet zit je na elke show tot ver na ochtendgloren met een stel zogenaamde ‘vrienden’ je biervoorraad te decimeren. En op een gegeven moment is er altijd wel iemand die zich afvraagt waarom er geen muziekje op kan en als die eenmaal klinkt kunnen jullie de volgende keer ook net zo goed nog wat meer bands neerzetten. Voor je het weet heb je tot 6 uur ’s ochtends programma en gaan de buren serieus plannen voor een lynchmob maken.
Als undergroundpodium loop je allerlei risico’s. Gebrek aan vergunningen en schijt aan verboden al rookverbod etc kan de teller van boetes etc snel doen oplopen. Geen omzet draaien is echter nog erger, want als je het bier bijna voor kostprijs verkoopt en de entreegelden naar de bandjes doet vloeien gaat ’t al snel mis met de vaste lasten.
Als je alcohol aan minderjarigen verkoopt, drugdealers hun gang laat gaan én gesnapt wordt dan hoef je natuurlijk er ook niet op te rekenen dat die antikraak organisatie nog een keer met je in zee gaat. En je hoeft dan ook niet bij de gemeente aan te kloppen voor enige vorm van steun . Andere podia zien je dan al gauw niet meer als waardevolle aanvulling van het culturele aanbod maar terecht als valse concurrentie.

The Phantom Four & The Arguido Foto_ Robert Tjalondo1Lang duurt zo’n locatie dus nooit maar een ervaring rijker gaat een klein deel van de durfals toch weer verder, heeft het één en ander geleerd over wat wel en wat niet werkt, houden zich iets meer aan bepaalde regels en doen op andere gebieden ook wat water bij de wijn.
Maar veel publiek naar een podium trekken waar geen entree geheven wordt maar om een donatie wordt gevraagd en bier een euro kost, daar is geen kunst aan. Dat is de uitdaging ook niet. De uitdaging is om genoeg publiek naar je podium te trekken dat wél bereid is om entree te betalen en een redelijke prijs voor een drankje. Uit die entreegelden en baromzet moet je namelijk de optredende bands een redelijke gage kunnen betalen en je vaste lasten ophoesten.

Doe je dat niet dan ben en blijf je afhankelijk van de goodwill van bands die gratis willen komen spelen, van een grote groep vrijwilligers die constant van samenstelling zal veranderen en van een (anti)kraakconstructie. Na een half jaar heb je alle kleine bands uit de omgeving in je tent gehad en die kan je keer op keer blijven neerzetten maar op een gegeven moment zal je merken dat je publiek alleen nog bestaat uit mensen die zelf ook in bands spelen en het heel leuk vinden om hun collega’s te steunen, maar het feit dat ze op komen dagen wel genoeg vinden en dus geen cent in je tent uitgeven
Tegelijkertijd geven al deze o zo arme studenten en werklozen tien keer zoveel uit aan de maandelijkse kosten van hun smartfoon dan aan uitgaan, want ja die hebben ze gewoon nodig en die krijgen ze niet gratis.
Je maakt jezelf op deze manier medeschuldig aan de devaluatie van muziek. De gages die bands krijgen staan steeds meer onder druk. Tien jaar geleden werd een gage van €200 als laag maar schappelijk gezien, nu moet je blij zijn als je als band nog €50 vangt. Daar huur je goddomme één keer een professionele oefenruimte voor.

Hetzelfde geldt voor personeel. Het wordt steeds normaler dat je werk waar je vroeger gewoon voor betaald werd als vrijwilliger moet gaan doen. Dat geldt zeker in de culturele sector waar bijna alleen nog vrijwilligers en stagiairs werkzaam zijn. Vroeger begon je als vrijwilliger en hadden de meest fanatieke van het clubje kans door te stromen naar betaald werk als barman, programmeur, kassamedewerker, stagemanager, coördinator etc. Mensen die zich voor een good cause helemaal de schompes willen werken zijn echt wel te vinden, maar ze houden het nooit lang vol want uiteindelijk moet bij hun thuis de schoorsteen ook blijven roken.The Phantom Four & The Arguido Foto_ Robert Tjalondo
Natuurlijk klinkt dit alles walgelijk kapitalistisch en dat is t ook maar alles wat gratis aangeboden wordt is waardeloos. Muziek wordt voor steeds lagere prijzen aangeboden door bijna wanhopige bands op zoek naar welke vorm van exposure dan ook. Het kost klauwen met geld om in een band te spelen en het levert geen ene donder op. Daarnaast zijn bekendheid en roem ook aan zware devaluatie onderhevig. Iedereen kan zijn 15 minutes of fame krijgen alleen trekt het allemaal geen belangstellenden meer aan. Probeer tegenwoordig nog maar eens een meisje te versieren met het verhaal dat je in een band zit, grote kans dat ze antwoord met “da’s leuk, ik ook!”

Als dat zo doorgaat wordt spelen in bands een bezigheid die alleen voor rich kids haalbaar is. En de beste muziek komt nu eenmaal niet van rijkeluis kindertjes, kijk maar naar al die weke zogenaamde Indie van tegenwoordig. Rich Kids hebben alles al en ontberen dus verlangens om over te zingen.

En dan heerst er ook nog de mythe dat je een goed podium met een interessante programmering kan voeren zonder subsidie van overheden of fondsen; een illusie die al jaren vanuit het rechtse spectrum van de politiek wordt gevoed. Het staat op hetzelfde niveau als het onvoorwaardelijke geloof in de vrije markt en het is complete bullshit. Als je vindt dat je met je podium een belangrijke service aan de maatschappij levert waarom zou je dan niet gesubsidieerd mogen worden? Alsof je jezelf moet schamen dat je een activiteit organiseert die zichzelf niet 100% kan bedruipen. Hier is het niet de uitdaging om je in allerlei bochten te gaan wringen en precies te gaan leveren waarvan je denkt dat het pegels op zal gaan leveren. Nee, hier moet je stronteigenwijs je eigen visie blijven pushen totdat je de ambtenarij en bovenal de politiek weet te overtuigen dat je gelijk hebt. Dat doe je door je ding te doen en te laten zien dat de manier waarop je het doet werkt. Probeer wel te voorkomen dat je niet volledig afhankelijk van subsidie en je daardoor jezelf in een te kwetsbare positie manoeuvreert. Kijk maar naar Roodkapje; pats boem weg!

saunawestdnl_8862Kunsten zijn altijd afhankelijk geweest van het mecenaat. Subsidies hebben voor een groot deel de aflaten van de rijken vervangen zodat ook kunst die voor deze groep niet zo interessant de mogelijkheid krijgt zich te ontwikkelen(popmuziek in tegenstelling tot bijvoorbeeld opera).  Alternatief is dat je jezelf compleet in de handen legt van sponsoren. Schrikbeeld is dat dit net zoals op SXSW uitloopt op een Chuck D die in een Dorito’s kraam staan op te treden. Dan schaam je jezelf toch een ongeluk?

We moeten allemaal echt superblij zijn dat er, ondanks dat ook in deze tijd de oudere generatie zucht over het gebrek van enig elan bij de jonkies, toch weer een groep jongeren is opgestaan die het traject van de oprichting van een eigen podium gaat afleggen. Natuurlijk was de eerste poging van korte duur en waren ze veel te ideëel en chaotisch, maar de volgende keer maken ze een giant leap forward, let maar op. En dan staan er de politici, ambtenaren en cultureel ondernemers weer met verbazing te kijken wat de power van muziek, jeugd en onvervalst anarchisme vermag.
Nawoord: en natuurlijk volgt ook op dit verhaal over pakweg een jaar of 20 een deel twee waarin geklaagd wordt over het vastgeroeste door regels vervormde culturele klimaat en behoren de initiatiefnemers van nu tot de gevestigde orde. En dan staat er weer een klein groepje op etc. Het aller grappigste van het verhaal is dat het elke keer weer spannend, grappig en bovenal urgent blijft. En nee geen kapitalisten/computer/nazi of reli-staat gaat daar wat aan veranderen.

Klik hieronder om de 108ste  aflevering van ongehoord op 010 FM te beluisteren:

In deze aflevering een interview met Kees Vermeer; schrijver van het boek over Eksit, de legendarische Rotterdamse popzaal die van 1970 tot 1981 het walhalla van de jeugdcultuur in deze stad was. We praten over het boek en de zaal en draaien muziek van bands die ooit in Eksit speelden.

kees vermeerOngehoord wordt elke dinsdagavond van 22:00 uur tot 23:00 uur uitgezonden bij 010 Fm
En zaterdag om 21:00 uur herhaald
Speel je zelf in een band stuur me mp3’s, cd’s of (liever nog) vinyl van je eigen muziek, als ik ze goed vind draai ik ze in de show.
Let op: nieuw adres voor demo’s en ander geluidsmateriaal:
010 FM t.a.v. Leen Steen
Overwolde 46-50
3191 AG Hoogvliet

Playlist Ongehoord
17-2 2015
Producer Wilco Verkerk
Presentatie Leen Steen

The Jam – art school
Dr Feelgood – she does it right
Graham Parker – heat treatment
Stranglers – goodbye Toulouse
Only Ones – from here to eternity
Joan Jett – bad reputation
Paul Collins Beat – waiting out on love
Johnny Thunders – I wanna be loved
The Damned – I fall

Jam

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Dit is het tweede stukje dat ik online zet. Enjoy…

In de tussentijd was iedereen op school alweer gewend geraakt aan mijn nieuwe uiterlijk.

Leren jassen met slogans en bandnamen waren nog steeds leuk, maar het korte geblondeerde kapsel begon me al gauw de keel uit te hangen. Dat was veel te gewoontjes. Daarbij was de helft van de school helemaal dol op The Police en die droegen dat kapsel ook.

Drie maanden later was mijn haar weer wat langer, met de geblondeerde lokken flink uitgegroeid. Ik zat op een avond bij Vincent om mijn haar zwart te laten verven en ondertussen, tijdens de inwerktijd van de verf, plaatjes op cassettes op te nemen. Vincent struinde elke week diverse platenzaken af op zoek naar nieuwe singles en lp’s dus had ik altijd genoeg keuze om een cassette van 90 minuten aan nieuwe muziek op te nemen.

Nu had ik al een tijdje een plannetje, maar ik moest nog even de consequenties van die actie overdenken. Wat ik wilde zou niet alleen alle leraren, de directie en de leerlingen op school in de gordijnen jagen, maar ook mijn ouders. Ik wilde een hanenkam! Ik zou de allereerste gast in Rotterdam met een hanenkam worden. Ik kende wel een meisje die een kam had gehad, maar die was al een tijdje niet meer in Rotterdam gesignaleerd. Waarschijnlijk was ze, zoals zo velen, vertrokken naar de kraakscene in Amsterdam. Verder had ik in Eksit een meisje gezien die een soort paarse pauwenkam had; dus overdwars over haar hoofd. Een prachtig gezicht was dat by the way… Maar de jongens droegen allemaal kort stekelhaar en de favoriete kleur was zwart. Een zwarte kam was dus wel zo origineel.

Voordat ik het wist flapte ik mijn voornemen eruit. Vincent keek me met glanzende ogen aan. “Ik heb wat voor jouwwwww”zei hij op zijn karakteristieke manier. Vincent had de neiging woorden heel lang uit te rekken als iets hem opwond.

Vincent liep de kamer uit en kwam terug met een doosje in zijn hand. “Taddaaaaaa”zei hij en liet een tondeuse zien. Die was natuurlijk van zijn moeder want die schoor haar hoofd ook altijd bijna kaal. “Kom hier met die kop; hiermee is het zo gepiept” zei Vincent. Ik aarzelde echter ineens bij het idee dat ik morgen weer een week bij mijn moeder en haar nieuwe vriend moest intrekken. “Verf het nou eerst maar gewoon, die kam komt nog wel zei ik”. “Schijtert” riep Vincent, je gaat nu die kam nemen anders ben je… Hij bleef even steken. “Chicken”? Probeerde ik met een grapje het ijs te breken. “Wat bedoel je?” vroeg Vincent. Ik was even vergeten dat Vincent weigerde om niet Nederlandse woorden in zijn vocabulaire op te nemen. ( het woord vocabulaire zou hij dus ook nooit en te nimmer gebruikt hebben.) “Laat maar” zei ik dus. Ik ging met mijn rug naar Vincent zitten en deed de handdoek die ik al voor het verven klaar had gelegd om mijn schouders. Vincent stopte de stekker in het stopcontact en klikte de tondeuse aan. Een niet onplezierige trilling zoemde achter mijn oor en de tondeuse raakte mijn nek. Vincent bewoog het apparaat omhoog, maar voorbij mijn nekhaar waar de echte inplant begon was mijn haar volledig dicht gesmeerd met zeep om het omhoog te houden. De tondeuse beet zich erin vast en ik kreeg een gevoel alsof Vincent mijn scalp eraf probeerde te rukken. “Stop” schreeuwde ik, maar de tondeuse kwam niet zo gemakkelijk los. Talloze haren werden op een wel erg kordate manier uit mijn hoofd gerukt voordat de tondeuse weer los kwam.

Ik spoelde mijn haar eerst uit, daarna moesten we wachten totdat het droog genoeg was om de tondeuse weer veilig te kunnen gebruiken. Dat gaf me nog wat extra bedenktijd. Ik wist dat het morgen een moeilijke dag zou worden want dit kapsel zou me de hele dag op de meest uiteenlopende afkeurende reacties gaan opleveren. Maar terwijl mijn haar droogde sloeg mijn vrees om in anticipatie. Ik wist ook van mezelf dat als ik die kam niet vandaag zou laten scheren ik er aan zou blijven denken totdat ik me een mietje zou voelen. Mijn haar was alleen nog niet lang genoeg om een echt mooie dunne kam neer te zetten dus het zou een soort Taxidriver kam moeten worden. “Are you talking to me?” was natuurlijk een prachtige slagzin om morgen op school te gebruiken tegen de eerste de beste sukkel die iets over mijn nieuwe kapsel zou durven zeggen. Ik zat zo nog door te mijmeren toen Vincent plotseling de tondeuse weer op mijn hoofd zette en in een beweging een grote baan haar wegschoor. “Kijk je een beetje uit dat je het midden laat zitten, zei ik verschrikt. Ik heb geen zin om morgen erbij te lopen als een skinhead, OK?”. “Skinhead! Leuk idee” zei Vincent. Het was dat ik op tijd mijn hoofd weg trok anders had hij expres een baan midden over mijn hoofd weggeschoren. “Hé kappen” schreeuwde ik naar Vincent. Nu vertrouw ik je niet meer, ik scheer de rest zelf wel.” “Ik dacht het niet, zei Vincent. Mijn tondeuse en mijn kunstwerk…”

-“Wat bedoel je nou met kunstwerk? Een kam kan iedereen maken”.

– “Ik was anders iets heel speciaals van plan” zei Vincent.

– “Een kale kop is nog makkelijker” beet ik hem toe.

– “Dat bedoelde ik niet” zei Vincent. Ik ga er echt iets moois van maken.”

– “Ik wil een hanenkam en verder niks”, zei ik.

-“Die krijg je van me” zei Vincent, maar ik wilde er nog iets extra’s doen”. Hij pakte twee mallen en een stift erbij. De mallen waren een krakersteken (een cirkel met en bliksem straal erdoorheen) en een radio-actief teken. Hij wuifde de spullen voor mijn gezicht en zei dat hij met de stift de mallen zou aftekenen nadat hij met de tondeuse mijn haar naast de kam zo kort mogelijk had gemaakt en hij ze dan met een mesje uit zou scheren. Ik wist dat het toch geen zin had om hem van dat idee af te brengen en dat, mocht het mislukken, we alles gemakkelijk alsnog weg konden scheren. Dus met een korte handbeweging liet ik mijn instemming blijken en Vincent ging aan de slag.

De vibraties van de tondeuse deden mijn zenuwen op een prettige manier tintelen. De lokken half geblondeerd haar vielen op mijn schouders en ik kon het niet laten om elke verse gekortwiekte baan op mijn hoofd te betasten.

Nadat de twee zijkanten van mijn hoofd gedaan waren pakte Vincent de mallen en tekende met een rode stift de stukken haar af die bij het scheren gespaard moesten blijven. Daarna smeerde haar mijn hoofd in met scheerschuim uit zo’n ‘old spice’ potje daarbij zorgend dat de afgetekende plekken zo weinig mogelijk schuim ingezeept werden.

“Daar gaat ie” jubelde Vincent toen hij uiteindelijk het mes op mijn hoofdhuid kon zetten. Centimeter bij centimeter werd mijn schedel van haar ontdaan. Ik heb echt dik haar dus Vincent moest elk plekje drie of vier keer behandelen voordat al het haar echt verdwenen was. ER zat helaas een ontsmettingsmiddel in het schuim wat we gebruikten en dat prikte als de hel op mijn geteisterde kop. Na een kwartier begon ik echt genoeg te krijgen van het stilzitten en de voortdurende pijn, maar we waren niet eens klaar met de linkerkant van mijn hoofd. Ik had het gevoel dat mijn kop onder de diepe krassen van het mes zat. Vooral de tekens die uitgespaard moesten worden waren lastig. Het leek wel of Vincent de haartjes daar één voor één aan het wegscheren was. En hoe vaker hij hetzelfde stuk huid met het mes behandelde hoe meer het schuim ging prikken. Ik begon steeds meer met mijn kont te draaien op de stoel tot ongenoegen van Vincent die af en toe een pets op de al kale gedeeltes van mijn hoofd gaf om me tot kalmte te manen. Ik besloot dat als ik die kale kop zou houden ik voortaan een elektrisch scheerapparaat zou gaan gebruiken; dat leek me makkelijker en die behandeling kon ik ten minste bij mezelf doen. Maar of ik überhaupt lang met die kam zou gaan lopen was nog te bezien. Het moest allemaal niet te bewerkelijk worden en ik zat mezelf natuurlijk ook nog steeds af te vragen of ik de reacties op dit kapsel wel zou trekken.

Na ruim twee uur op de stoel was Vincent eindelijk tevreden en opgelucht stak ik mijn hoofd onder de kraan om de resten scheerschuim en haar weg te spoelen. Het resultaat zag er opmerkelijk goed uit; er was geen spoortje van enige verwondingen te zien. Mijn hoofdhuid was wel een beetje rood aangelopen; waarschijnlijk door dat stomme ouwe lullen scheerschuim dat we gebruikt hadden. Het radioactief teken en de krakersbliksem zagen er ook mooi scherp afgetekend uit; zoiets kon je wel aan Vincent overlaten. Ik kon niet van de kale hoofdhuid afblijven. Het voelde zo vreemd en zo lekker om op plaatsen waar je, zo lang je het kon heugen, haar hebt gevoeld opeens kaal te zijn.

Het was intussen al na twaalven en omdat ik de volgende dag naar school moest sloop ik over het dak terug naar huis en ging ik naar bed. Ik heb die nacht niet veel geslapen. Morgen zou een moeilijke dag worden. De eerste, maar zeker niet de ergste hindernis was mijn vader. Dan de straat. School zou leuk worden vergeleken met de straat. Die avond zou mijn moeder me met de auto komen halen omdat ik die week bij haar en haar vriend zou wonen en ik zo gemakkelijk al mijn schoolboeken in één keer mee kon nemen. Dat zou de moeilijkste worden.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

T-shirts maak je gewoon zelf

Spuiten

Vincent was twee jaar jonger dan ik en zat bij mijn zus op school. Hij zat op de IVO; een Montessori Mavo. Vincent werd net iets eerder punk en op een of andere manier zag hij er ook altijd wat cooler uit dan ik. Ik deed zo mijn best om er heftig uit te zien. Met spikes, leer, een half stuk zeep in mijn haar om de haarpieken mooi omhoog te houden en slogans en bandnamen op mijn jas getekend. Maar Vincent deed niets van dat alles en zag er toch altijd raarder, uit dan ik. Hij was geen stereotype punk. Hij straalde in alles originaliteit uit.

Vincent had half lang haar; daar zag je bijna nooit andere punks mee lopen. Als hij zich zo in Eksit zou laten zien zouden ze hem een hippie noemen en hem ofwel negeren of voor zijn bek slaan, dacht ik. Hij had zijn haar wel geblondeerd en daarna groen geverfd. Maar die kleur hield hij niet goed bij want na een paar weken begon het eruit te zien als een groot schimmelnest. Hij had ook altijd dezelfde broek aan; een gifgroene broek die hij ooit van zijn moeder had gekregen. Waarschijnlijk gekocht bij ‘the Swindle’, op de Gaffelstraat (later verhuisd naar de Nieuwe Binnenweg en nog altijd bekend als The Black Widow.) Nadat hij die broek van zijn moeder gekregen had heeft hij hem aangetrokken en nooit meer uitgedaan. Het resultaat was een broek die op een bizarre, heel natuurlijke manier ging desintegreren. Ik maakte vaak zelf gaten in mijn kleren, maar Vincent had zo zijn eigen manier. De broek werd na verloop van tijd ook keihard van al het opgeslagen vuil en ging niet scheuren, maar breken. Vooral de bilpartij had daar last van en het duurde dan ook niet echt lang voordat Vincent ’s onderbroek te zien was. Het kon hem werkelijk geen reet schelen wat mensen daarover zeiden of dachten.

Uiteraard kwam ook hij al gauw in aanraking met de autoriteiten. De directeur van zijn school belde Vincents moeder met de mededeling dat Vincent niet meer in zijn beroemde broek op school mocht komen, maar voortaan alleen ‘fatsoenlijk’ gekleed naar binnen mocht, waarop Vincent het vertikte om nog op school te verschijnen. Dat ging een paar maanden goed, totdat de onderwijsinspectie door de IVO op de hoogte werd gesteld en er opeens leerplichtambtenaren bij Vincents moeder op de stoep stonden. Nu was zijn moeder een doorgewinterde activiste die in het vrouwenhuis werkte. Daarom kwamen die ambtenaren ook nooit verder dan de stoep. Omdat ik vier huizen verder woonde en mijn kamer zich op de bovenste verdieping bevond kwam Vincent op dat soort momenten vaak even over het dak aanwaaien voor het geval er een huiszoekingsbevel tevoorschijn kwam en zijn moeder onder dreiging van politiegeweld gedwongen zou worden die lui binnen te laten. Een bevel alleen, zonder hardhandig ingrijpen van de kit zou waarschijnlijk alsnog niet genoeg zijn geweest om voorbij Vincents moeder te komen. Die vrouw was een keiharde en ik vond haar ronduit onaardig. Mannen keek ze nooit in de ogen. Een paar jaar voordat Vincent punk werd had ze van de ene dag op de andere Vincents vader het huis uit gezet en was ze met een vriendin samen gaan wonen. Die man is er volgens mij helemaal aan onderdoor gegaan want ik zag hem daarna nog vaak voor de deur van het huis staan om te proberen zijn kinderen te zien te krijgen. Maar ook Vincent zijn vader kwam niet verder dan de stoep.

Als Vincent, tijdens een bezoek van de onderwijs inspectie, via het dak bij mij wilde schuilen, stampte hij op het dak boven mijn kamer om te laten horen dat hij naar binnen wilde. Het kwam wel eens voor dat ik op zo’n moment niet op mijn kamer was. Dan zat ik beneden tv te kijken of zat ik bij Dirk of andere vrienden. Dan stampte hij heel hard en lang voordat hij het opgaf. Dat heeft ons nog eens een heftige lekkage opgeleverd, want het was een plat dak met van dat teerpapier en kiezels erop en het was eigenlijk niet de bedoeling erop te lopen, laat staan erop te gaan staan stampen. Mijn vader heeft dat dak toen zelf gerepareerd endaarna drie weken aan mijn kop lopen zeiken over hoe die lekkage ontstaan zou kunnen zijn. Natuurlijk wist hij best dat Vincent over het dak naar binnen kwam, maar hij wilde dat ik alles altijd eerlijk  aan hem vertelde, hoe pijnlijk de situatie ook was. Maar geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om hem wat dat betreft zijn zin te geven. Eerlijk zijn was iets voor hippies!

Sinds zijn weigering nog langer naar school te gaan besteedde Vincent zijn dagen met het maken van kleding; vooral T-shirts, en het snijden van spuitmallen. Daarmee verspreidde hij overal door de buurt graffiti. Dat hij daar nooit voor gepakt is een wonder, want hoe dichter bij zijn huisdeur hoe meer van zijn spuitsels er te zien waren. Ze stonden echt overal, die rare mallen van hem. Hij sneed meestal foto’s van het koningshuis of politici tot stencils. Verder zaten er nooit echte statements bij. Hij gebruikte nooit letters. Misschien is hij daarom ook nooit gepakt, want zijn graffiti had in theorie ook van een grote fan van het koningshuis of Hans Wiegel en Van Agt kunnen zijn.

Ik maakte zelf ook mallen en gebruikte juist bijna uitsluitend letters. Mijn vader had een heleboel soorten kistletters op zijn atelier. Hij had zelfs die met dat Belgische lettertype die Crass voor al hun artwork op LP’s en singles gebruikte. Toen ik die ontdekte had ik ze natuurlijk meteen in beslag genomen. Voor mijn vader waren het een soort hebbedingetjes en hij gebruikte die kistletters nooit, dus mistte hij ze ook niet toen ze uit zijn atelier verdwenen. Zoals zoveel andere spullen. Ik wist wat hij zou missen en wat niet, want ik wist precies wat hij voor zijn werk nodig had. Hij vond het ook wel best dat hij mijn creativiteit op deze manier stimuleerde. Ik had zijn tekentalent absoluut niet van hem geërfd, maar ik had wel talent voor het maken van slogans en collages.

Het liefste zaaide ik verwarring en de slogan dat ik het meest gebruikte was ‘I Hate Everything’. Daarmee spoot ik vooral mijn eigen kleding en jassen vol en soms die van vrienden. Ik vond het zonde om dure spuitbussen te verspillen aan muren of stoeptegels. Vincent had dat probleem niet; die jatte zijn spuitbussen.

Ik heb een paar keer geprobeerd om spuitbussen te gappen. Maar zodra ik een willekeurige winkel binnenkwam hijgde er altijd meteen een winkelbediende in mijn nek. Dat deed me afvragen hoe Vincent dit soort dingen voor elkaar kreeg, want hij zag er minstens zo opvallend uit als ik. Als punker werd je overal hinderlijk in de gaten gehouden. Op straat door de kit en in winkels door overijverig personeel.

Toen ik hem vroeg hoe hij dat nou steeds flikte, nam hij me mee naar de winkel en liet het me zien. Vincent nam een vuilniszak vol lege spuitbussen mee. Hij had die bussen allemaal goed schoon gemaakt zodat er geen verfresten op de etiketten zaten. Het eerste wat hij deed toen hij de winkel binnenkwam was naar de toonbank lopen om de baas van de zaak luidkeels te begroeten: “hey ouwe lijmsnuiver!” riep hij en de baas keek naar hem alsof er een goede vriend binnenkwam en begroette Vincent vrolijk met “het groene gevaar is er weer!”. Vincent praatte een tijdje over ditjes en datjes met de baas van de winkel terwijl ik op enige afstand bleef wachten en toekeek. Ik vond die man van de verfwinkel niet aardig en ik was ook niet van plan om te gaan slijmen. Vincent wist door zijn charme, zelfs met mensen bij wie je een soort natuurlijke aversie tegen freaks zoals wij bespeurde, contact te leggen en hen voor zich te winnen. Om ze vervolgens, wanneer dat zo uitkwam, verschrikkelijk te naaien.

Na een tijdje met hem geouwehoerd te hebben vroeg Vincent de baas van de verfwinkel of er nog spuitbussen met nieuwe kleuren  binnen waren gekomen. Dat wist de baas niet uit zijn hoofd en Vincent zei hem dat hij wel even ging kijken wat er aan nieuws in de winkel stond. “Ik heb vandaag al heel wat speciale kleuren op de kop getikt”, zei Vincent, wijzend op zijn vuilniszak en hij liep naar de kast waar de spuitbussen opgesteld stonden. De telefoon van de zaak ging op dat moment en de baas was al snel verwikkeld in wat duidelijk een ingewikkeld gesprek was, want hij nam er allerlei catalogussen bij waar hij lang in moest bladeren. Intussen zag ik Vincent kalmpjes spuitbussen in zijn vuilniszak laden die hij vervolgens verving door lege exemplaren. Zo verving hij alle oude bussen door nieuwe om daarna langs de toonbank te lopen, de mazzel te schreeuwen naar de, door hem even van zijn telefoontje afgeleide, baas. Om vervolgens dood gemoederd de zaak te verlaten.

“Je maakt mij niet wijs dat je dat elke keer op deze manier flikt, man”, beet ik hem toe

“Doe ik ook niet; ik verzin steeds een nieuwe”, zei hij.

“Je had wel enorm veel mazzel dat die vent dat telefoontje net op het goede moment kreeg”.

“Hoezo, mazzel? Dat was mijn moeder aan de andere kant van de lijn” zei Vincent.

“Pleur op! Hoe krijg jij in Jezus’ naam je moeder zover dat ze je helpt om die spuitbussen te jatten?” vroeg ik.

“Makkelijk zat, zei Vincent; ze helpt mee om ze te jatten of ze moet ze betalen. Ik kan niet zonder die spuitbussen werken dus ze heeft weinig keus”.

“Wat doe je dan als je geen spuitbussen krijgt vroeg ik”.

“Dan word ik heel vervelend zei Vincent ernstig”

Ik geloofde hem.

%d bloggers liken dit: