Navigatie overslaan

Tag Archives: Formaline K.

StrorOp donderdag 14 februari is Mario Strör overleden. Strör was een legendarische figuur in de Rotterdamse, punk,muziek en krakers scene. Toen ik begin tachtiger jaren als 15 jarige snotneus in de punkscene verzeild raakte was Strör al actief in door mij bewonderde bands als Formaline K en Debiele Eenheid. Later was hij actief in tientallen bands en solo projecten: Snowball Johnny & the hotshots, Stinksisters, Sole Survivor, André Riool, etc etc.

Het moet destijds een slagveld zijn geweest in de oefenruimte van Debiele Eenheid. Als je persoonlijkheden als Strör, Jorem, Frankzinnig en Kareltje Dops bij elkaar zet gaat het hoe dan ook knetteren van de energie. En zowel positieve als negatieve. Op het podium was Debiele Enheid een fenomeen; ik zal dat optreden wat ze op Koninginnnedag op het Beursplein gaven nooit vergeten. Jorem die poedelnaakt met een enorme kunstpik om tegen Strör zijn kontje aan het oprijden was waarop ik moeders de ogen van hun kroost zag bedekken.

Je hoorde verhalen over hoe Strör verkleed als Adolf Hitler uit een te ontruimen kraakpand stapte, over de bankoverval die hij uit naam van een vage zelfverzonnen terreurgroep had gepleegd en meer van dat leuks. Maar je zag ook een sublieme muzikant die werkelijk alles kon spelen en volledig schijt had aan de grenzen van welk genre dan ook. Ook die van punk want je doet Strör tekort als je hem alleen als punker typeert; Strör was net zo goed een bluesman en kon je zelfs met schlagers prima vermaken.

Strör was een teacher; maar dan wel het soort leraar dat uit principe nooit van zijn leven voor de klas zou (willen) staan. Iemand die altijd bezig was om mensen goede dingen (aan) te leren. En heel belangrijk; hij leerde zichzelf ook onvermoeibaar nieuwe technieken aan. Alles om in het dagelijks leven zo onafhankelijk mogelijk te kunnen opereren. Hij gebruikte computers en internet op een heel eenvoudige en effectieve manier, al was hij totaal wars van enige vorm van zelfpromotie; als je hem zocht vond je hem in een wip, maar je zou nooit van je levensdagen ongevraagd met hem te maken krijgen.

Ik heb Mario de teacher bijna twee jaar in actie mogen meemaken. Dat was in de tijd dat we samen in the No-Men zaten. Ik zocht hem op om hem te vragen een punkband op te richten en die pop/skate punkertjes eens een poepie te laten ruiken. Typisch Mario dat hij bijna pesterig met de meest poppy punknummertjes aan kwam zetten die ik ooit gehoord had. Maar die nummers waren fantastisch en ik werd in een mum in zijn stijl meegezogen. Ik maakte samen met El Jeffe nog wel wat hardere tunes voor No-Men maar qua productiesnelheid legden we het volledig af tegen Mario die soms drie songs per week wist af te leveren. En hij had destijds natuurlijk al een catalogus van bijna duizend songs waaruit hij kon putten. Hij vertelde ronduit waar hij de inspiratie voor nummers vandaan haalde en als ie ze gepikt had ook waarvandaan hij ze stal. Ook pesterig omdat ik me destijds kwaad maakte over het feit dat bandjes als Green Day alles bij the Clash wegpikten. Goede kunst is altijd gejat; een onverkwikkelijke waarheid teached by Strör.

Strör kreeg en passant binnen een week gedaan wat geen van de bands waarin ik voor No-Men actief was voor elkaar gekregen hadden; hij liet me melodieus zingen en damde mijn hardcore brul stevig in. Voor mij was dat een revelatie en zonder Strör zijn lessen had ik later waarschijnlijk nooit met Fetish Joy Division nummers kunnen uitvoeren.

Maar wat No-Men betreft gingen de teachings nog veel verder; onze originele drummer en bassist hielden er  na nog geen jaar allebei mee op. Strör, die in bands toch al liever bas speelde,  switchte naar de 4 snaren en El Jeffe was opeens de lead gitarist ipv tweede. Okkie werd onze nieuwe drummer. Twee supergoede gasten, maar muzikaal op zijn zachtst gezegd nogal ruwe diamantjes. Okkie was bij The Fuzzbrats een prima zanger, maar als drummer nog tamelijk groen en El Jeffe was als tweede gitarist best OK, maar ik betwijfelde of het als enige gitarist met hem zou gaan lukken. Strör legde een engelengeduld tentoon en tegelijk een discipline waar de strengste drill-sergeant nog een puntje aan kon zuigen. We oefenden onze twee minuten songs tien tot twintig keer achter elkaar en dat minimaal twee keer per week. Binnen een maand waren we zo strak als de spreekwoordelijke eendenreet. En strak zonder machinaal te gaan klinken want er zat nog steeds veel leven in de sound en de nummers bleven spannend. De oude punktruc deed het ook hier; gaat een nummer goed dan ga je hem sneller uitvoeren en dan blijft het leuk om het te spelen.no-men8

We hebben een CD met No-Men opgenomen en zover ik weet is dat het enige album van een band met Strör in de gelederen die ooit officieel is uitgekomen, en nog wel op een label, al was dat op Tocado-Records; een label dat door mijzelf bestierd werd. Anders was dat pertinent nooit niet doorgegaan, denk ik. No way dat Strör ooit iets op een commerciële manier uit zou hebben gebracht. Het was al moeilijk genoeg om hem te overtuigen zijn medewerking aan de CD te verlenen. We hadden met No-Men een kleine bandpot bij elkaar gespaard; bijeengeharkt van gages van optredens. We hadden een gratis oefenruimte in Strör zijn huis. (eerst in de kelder en toen het winter werd in zijn huiskamer waar we daarna maar door zijn gegaan te oefenen want die kelder was een galmbak en klonk voor geen meter ) Zonder die eigen oefenruimte zouden we geen cent hebben kunnen sparen, maar ook nu hadden we niet genoeg geld om zowel de opnames als de productie van de CD’s te betalen. Tocado had bijna al het geld wat we met de eerste Heel Erg Punk CD hadden verdiend verloren omdat een promo single van de Tocado-partij gefinancierd moest worden en de rest hadden we in Deuce gestoken (de band van Gareth van Wijk) en dat geld zagen we nooit meer terug.  El Jeffe had echter wat spaarcenten en wilde dat wel in de CD steken. Strör was daar mordicus tegen en pas na een paar weken soebatten van mijn kant ging hij overstag door het argument dat El Jeffe geen leukere manier wist om zijn spaargeld aan te besteden dan aan die No-Men CD. We namen de CD in drie dagen op in studio 195 van en met Patrick DeLabie. We kwamen goed beslagen voor de dag en alles liep vlot en we waren reuze blij met het resultaat. Totdat we ongeveer veertien dagen later wat minder stoned waren geworden. Strör had een vaporizer mee de studio ingenomen. Een vaporizer is een waterpijp waar je door middel van een verfstripper hete lucht van 185 graden de pijp in blaast en THC kristallen in wiet laat verdampen ipv ze te verbranden; je wordt daar zo high als een kanon van. Nu konden wij allemaal best wat hebben maar zowel de band als onze producer/engineer  werden hiervan zo godsallemachtig stoned dat zelfs een scheet echt prachtig klonk. Dus bleek achteraf dat veel van opnames nogal rammelden. Later konden we  er best nog om lachen want het resultaat had een soort weirdness om zich heen die ook wel weer prettig was; het was gewoon het stonedste punkalbum ooit geproduceerd.

Strör was niet alleen een toffe gast; hij kon ook ongelofelijk moeilijk in de omgang zijn. Hij was rechter dan rechtlijnig. Op de dag van de releaseparty van de No-Men CD kwam El Jeffe een paar uur later dan afgesproken aan. Maar afspraak was altijd afspraak bij Strör. Hij stapte direct na de releaseparty uit de band,  hoe hard we ook probeerden hem te vermurwen.  Maar niet zonder dat hij uit zichzelf de kosten van 125 CD’s (zijn kwart) van de CD’s aan El Jeffe terug gaf.

stror8Pas een paar jaar later zag ik Strör weer. Bij iemand als hij maakt het niet uit met hoeveel ruzie je uit elkaar bent gegaan. Hij was zo rete-relaxed dat je binnen tien seconden helemaal weer op dezelfde golflengte zat en met elkaar om ging alsof er niets gebeurd was. Zo kwam ik hem ongeveer twee keer per jaar tegen; hij op de fiets of bakfiets of met zijn gitaar om bij optredens en af en toe ging ik bij hem langs om een bakkie te doen.  13 juli 2012 zag ik hem voor het laatst. Hij woonde in een seniorenflat. Half gedwongen door het kraakverbod en in de hoek geverfd door zijn sluipende ziekte. Niet dat je daar veel van merkte want hij was net zo optimistisch en vrolijk als hij altijd was geweest. Hij vertelde dat hij nachtenlang kon doorspelen met die bejaarden als buren; die waren toch allemaal doof. Hij moest nu huur betalen maar had wel  gratis stroom omdat hij twee zonnecollectoren op zijn balkon had staan waar hij zijn licht,  installatie en computer op kon laten lopen. Verder had hij niks nodig; hij tapte alleen stiekem stroom af voor de boiler en had weer een hilarisch verhaal over hoe hij ruzie zocht met Eneco die wilde dat hij zijn zonnecollectoren op het reguliere netwerk aan zou sluiten zodat hij alsnog vastrecht moest gaan betalen en alleen een korting kreeg omdat hij zelf stroom produceerde. Dat ging natuurlijk mooi niet door.

Ik weet nog dat ik terwijl ik na dat laatste bezoek aan Strör naar huis reed pissig was op al die humorloze klote ambtenaren en medewerkers van Nutsbedrijven die er een sport van maken om figuren als Strör het leven zuur te maken. Hij mag dan misschien bijna heel zijn leven een uitkering hebben ontvangen: desondanks is zijn bijdrage aan deze maatschappij van onschatbare waarde. Hij liet mensen zien dat je je eigen weg moet proberen te gaan, en dat het leven een stuk aangenamer zou zijn als iedereen wat meer waarde zou hechten aan echt belangrijke zaken. Zaken als ongeveinsde aandacht voor elkaar en je leefomgeving ipv de eeuwige jacht naar materiële schijnbevrediging.

Ik zal je missen mafkees…

Check Strör zijn Provessor blog hier…

Check Strör zijn muziek hier

Advertenties

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek. Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Het ruwe materiaal van mijn boek beslaat nu ruim 100.000 woorden waarvan bijna de helft geschrapt moet worden. Schrappen is echter moeilijker dan schrijven….

Onderstaand verhaal komt in drie delen op mijn blog….

Oud en nieuw 1982

Ik had vanaf begin december het rijk alleen gekregen op de zolder. Scherf was dan eindelijk naar de een etage beneden verhuisd waar Peter en Marijke hadden gewoond. Die waren naar Delfshaven vertrokken, waar ze een zeefdrukkerij over hadden genomen. Het was best leuk geweest om de zolder te delen, maar na twee maanden op elkaars lip te hebben gezeten waren we allebei blij dat we wat meer ruimte voor onszelf hadden. Ik vond het vooral fijn dat ik de zolder nu naar eigen believen in kon gaan richten. Er was op de zolder geen plaats geweest voor mijn eigen spullen die voor het grootste gedeelte nog bij mijn ouders stonden, verspreid over twee adressen aangezien mijn ouders gescheiden waren. Bij mijn moeder stond mijn platencollectie, mijn pick-up en een geluidsinstallatie. In de kamer die ik in mijn moeders huis bewoonde lagen een soort rubberen noppentegels op de vloer. Die waren heel fijn omdat spuitbus verf er niet aan hechtte, maar  ze waren te zwaar om in de Braadworst twee trappen op te sjouwen. Ik zag mezelf op die kleine zolder, onder die schuine daken die het vloeroppervlak van de kamer nog kleiner maakte dan hij al was, ook niet vrolijk jassen en T-shirts staan spuiten. Daarbij lag er op mijn zolder al tapijt op de vloer, en dat was maar goed ook, want het was er al koud genoeg. In overleg met mijn moeder besloot ik de tegels bij haar te laten liggen totdat ik een grotere kamer in het pand kon krijgen of ergens anders ging wonen. En ik wilde me ook op andere technieken dan spuitmallen gaan richten.  Ik was erg onder de indruk van het vakmanschap van Peter geweest wat betreft zeefdrukken en ik had me ingeschreven voor een cursus zeefdrukken bij de SKVR. Met zeefdrukken kon je betere resultaten bereiken dan met spuiten. En bijkomend voordeel was dat je geen letters hoefde uit te snijden; daar was ik gewoon niet goed in. Secure werkjes zijn niks voor mij. Ik kan niet tegen priegelen.

De rest van mijn spullen stonden bij mijn vader. Het belangrijkste was mijn bandrecorder, een enorme Grundig waar je aparte sporen mee op kon nemen. Twee sporen slechts maar die kon je met behulp van een andere recorder weer samen voegen en zo kon je in principe eindeloos sporen toevoegen.  Ik had  helaas geen tweede recorder, maar ik kon wel opnames met stereobeeld maken. Op de zolder van het aangrenzende pand, waar Skoeter ooit gewoond had, zouden Scherf en ik een oefenruimte gaan bouwen. We zaten allebei in een band, overigens niet dezelfde, want ik speelde met Kikker, Gino en twee andere maten van school in een band die we Persona Non Grata hadden gedoopt. Persona Non Grata leek in het begin veel op de Rondos en Crass. Scherf was gitarist van Formaline K. Formaline K leek qua sound sterk op Discharge. Discharge was onze favoriete band. Waar Crass teksten van honderden regels voor nodig had kon Discharge het in 5 woorden: ‘free speech for the dumb’. Toen ik die Discharge LP grijs draaide op de kamer bij mijn moeder vroeg Paul, haar toenmalige vriend, eens naar die teringherrie die ik elke dag na thuiskomst van school zo loeihard draaide. Niet dat hij daar last van had, want ik draaide bij gebrek aan speakers met een koptelefoon op. Mijn speakers stonden bij mijn vader, want daar kon ik zo hard draaien als ik wilde. Maar ik had nogal de neiging om met de muziek mee te zingen. Vandaar dat hij vroeg wat ik nou zo staccato de hele dag aan het zingen was. Wel; free speech for the dumb dus. Hij lachte schamper en zei dat als punkers het vrije woord als iets voor de dommen beschouwden het een nog stommere beweging was dan hij al dacht. Ik liet hem maar in zijn waan. Die kut PvdA’er wist niet eens dat dumb stom betekent en niet dom. Het vrije woord voor de stommen.

Mijn moeder reed op een zaterdagmorgen door de besneeuwde stad, met mijn installatie in de achterbak van haar huis naar dat van mijn vader waar ik mijn bandrecorder en boxen ophaalde om daarna door te rijden naar de Braadworst. Ik werd bij mijn oude kamer bij mijn vader aangekomen even bedolven door droefenis. Dit was bijna 15 jaar mijn heiligdom geweest. De laatste drie jaar had de kamer een metamorfose ondergaan. Op mijn 12e werd ik gegrepen door het bouwmodellen virus. Mijn kamer werd een klein museum geweid aan de tweede wereldoorlog, met in alle hoeken diorama’s met bouwmodellen van tanks en soldaten die zo realistisch mogelijk geverfd en in een omgeving vol uitgebrande huizen en andere vernietiging neergezet waren. En  vliegtuigen in verschillende schalen, die aan het plafond aan touwtjes hingen. Op mijn 15e was dat alles plotsklaps voorbij want toen nam een nog sterker virus bezit van mijn hersenpan. Mijn kamer veranderde daarop in een museum voor het pamflettisme. De bouwmodellen maakten plaats voor  posters tegen oorlog en fascisme. Die posters waren nu allemaal netjes door mijn vader van de muur verwijderd en stonden op de gang in een grote tekenmap; klaar om verhuisd te worden. Mijn bandrecorder en  boxen stonden erbij en drie dozen vol kleding. De kamer was een paar weken eerder door de dochter van mijn vaders nieuwe vrouw ingepikt. Verder dan een blik om de deur kwam ik niet. Een golf van gal spoelde door mijn mond door de aanblik van wat eens mijn kamer was geweest. Mijn kamer; de plaats die me 15 jaar lang rust en een veilige plek had geboden, waar mijn ouders vanaf mijn 10e geen voet meer binnen hadden mogen zetten, waar ik voodoo rituelen uitgevoerd had op poppetjes die leraren en vijandelijk gezinde medeleerlingen moesten voorstellen, waar ik voor het eerst never mind the bollocks en disturbing domestic peace had beluisterd, waar ik voor de eerste keer met een vriendinnetje had gevreeën, waar ik voor het eerst mijn haar en T-shirts had geverfd. Die kamer hing nu vol met posters van Coca Cola. Ik heb nooit een ergere heiligschennis moeten aanschouwen. Het was alsof de muren met me mee moesten huilen.

Op mijn geluidsinstallatie na had ik voor de rest eigenlijk niet veel. Ik nam een matras, een dekbed, een kussen en mijn kleding mee. Scherf had een butagaskachel en een gasstel achtergelaten en mijn moeder gaf me nog wat oude pannen en serviesgoed; belachelijk veel serviesgoed. Alsof ik op mijn zolder dinertjes voor 6 personen zou gaan geven.

Wat ik voor de rest nog nodig had zou ik nog wel op straat vinden. Wanneer je in het voorjaar door de wat chiquere delen van de stad reed kon je op straat in een dag een complete huisraad bij elkaar scharrelen. Dan vond traditioneel de voorjaarschoonmaak plaats en werd alle huisraad die niet meer voldeed aan het heersende modebeeld aan de vuilnisman meegegeven. Het was een kwestie van met een bakfiets door Kralingen en Hillegersberg cruisen en dan kon je alles van je gading inladen.  Destijds werden er vooral van die jaren zeventig meubelen weggegooid; vooral bruine bankstellen, die uit grote kussens bestonden en die je tot een bed uit kon klappen, waren nu niet meer populair. Het was alleen zaak om eerst goed aan ze te ruiken en te checken of ze niet onder de katten of hondenpis zaten. Als ik de kat van een stel kakkers was geweest had ik van weeromstuit ook de hele zooi ondergezeken. De mensen van de absurde overvloed. Je kon ruimschoots van hun restjes leven.

Het half jaar dat ik had moeten wachten voordat mijn uitkering in ging was ook eindelijk voorbij. Ik hoefde nu niet meer te leven van de bijdrage die mijn ouders aan me gaven; ik had sinds begin september, toen ik bij Scherf introk, maar 200 gulden per maand te besteden gehad. Omdat ik samen met Scherf had gewoond en we alle kosten hadden gedeeld was ik daar net mee uitgekomen. En nee; het idee om een baan te gaan zoeken was geen moment bij me opgekomen. Ik was 18 jaar slaaf van het schoolsysteem geweest. No more! Ik had me voorgenomen nooit en te nimmer voor een baas gaan werken. Ik had niet zozeer een probleem met werken, hoor. Maar wel met bazen. Fuck ‘m. Ik vertikte het om ergens vakken te gaan vullen. Er waren miljoenen jongeren op zoek naar een baan; welke baan dan ook. Anderen waren misschien blij met wat voor baan dan ook. Ik niet. Ik wist dat ik zonder kon, overleven was makkelijk als je al die consumptietroep links liet liggen. Wat je nodig had kon je gratis vinden of heel goedkoop aanschaffen. Kleding, huisvesting en meubels kon je met wat improvisatietalent bij elkaar scharrelen.  Het enige twee zaken die je moest kopen was voedsel voor het lijf; dat haalde je bij de supermarkt. En voedsel voor het brein; dat haalde je bij Haddock (legendarische platenzaak op de van Oldenbarneveldstraat) en de dealer om de hoek.

Scherf betaalde, net als iedereen in de vier naast elkaar gelegen kraakpanden, voor de stroom. Dat kostte niet veel; er woonden zoveel mensen in de panden die de rekeningen samen deelden dat we 25 gulden per persoon kwijt waren.  Er zat geen gasaansluiting op de zolder. Dat betekende dat ik butagas moest stoken en om de twee weken naar de Bergweg moest om een nieuwe gasfles te scoren. De lege fles wegbrengen was nog te doen, maar een volle fles was echt loodzwaar. Met die fles in je klauwen kon je hooguit twintig passen maken voordat je bijna door je rug ging en hem neer moest zetten. Het voelde ook net alsof je met een vliegtuigbom van 50 kilo door de straat aan het sjouwen was. Het idee dat de inhoud van de fles ontplofbaar was maakte dat karweitje nog onaangenamer. Maar zonder verwarming was die zolder onleefbaar. Met die butagaskachel was het trouwens ook al nauwelijks te doen. Soms zat ik met een deken om de kachel geslagen warm te worden. Uit bed komen was in de wintermaanden een enorme opgave. Ik kon vanuit mijn bed door een smalle spleet vlak boven de dakgoot naar buiten kijken en zag ijspegels hangen. Het gekke was dat ik dat alles toen gewoon accepteerde. Het huis zou sowieso binnen een jaar of twee afgebroken worden, maar dat had me dat er niet van moeten weerhouden om provisorische verbeteringen aan te brengen. Maar in het begin was alles gewoon spannend en kwam het niet eens in je op om iets tegen de elementen uit te voeren. Het was juist een uitdaging om alle nieuwe ontberingen op je pad het hoofd proberen te bieden. Je had toch geen geld, en wat je had ging op aan belangrijkere zaken.

Het eerste wat ik van mijn eerste uitkering aanschafte was een TV. Ik kreeg vanaf nu 685 gulden per maand van de soos. Ik kocht voor 100 gulden een tweedehands kleurenbak bij Corrupt; die zaak heette eigenlijk Correct, maar niemand noemde het zo. Mijn vader had nooit een kleuren TV gehad, maar die had dan ook meer principes dan ik. De TV was bijna even zwaar als een gasfles en had geen handvatten. Ik was rechtstreeks vanaf de sociale dienst waar ik een voorschot van 250 gulden had gekregen naar Corrupt gelopen en had er niet bij stilgestaan dat die driehonderd meter die ik met die TV in mijn klauwen naar huis moest lopen zo’n opgave zou zijn. Dat ding was dan ook enorm. Hij was bijna een meter in het vierkant en gleed na ongeveer vijf passen al bijna uit mijn handen. Ik kreeg opeens spijt dat ik niet op het aanbod de TV thuis te laten bezorgen was ingegaan. Vijfentwintig gulden bezorgkosten vond ik wat overdreven voor die driehonderd meter, maar als die TV uit mijn handen zou pleuren zou ik voor niks 100 gulden hebben uitgegeven. Er zat geen garantie op die tweedehands spullen bij Corrupt. Gelukkig kwamen er een paar punks uit het pand op het Pijnackerplein aanlopen die de TV van me overnamen en hem tot in mijn kamer sjouwden. Ik voelde me een beetje opgelaten omdat ik zelf niet meer hoefde te tillen. Maar ze waren met zijn vieren en namen twee aan twee beurtelings de TV over. Ze sloegen zelfs mijn aanbod af om wat bier te gaan kopen en vertrokken meteen. Vriendelijke lui. Typische jonge punks die, net als ik, net bij hun ouders weg waren. The new breed. Ik nam me voor ze snel eens in hun pand op te gaan zoeken.

Lees deel 2 hier

%d bloggers liken dit: