Skip navigation

Tag Archives: kraken

Klik hier voor de korte versie op Zinesters

Ongereguleerde podia die zich onder de radar bevinden en zich weinig of niets van de bestaande regelgeving hoeven aan te trekken zijn de enige plekken die het predicaat ‘broedplaats’ verdienen. Dat zijn ze niet alleen voor lokale bands, maar ook voor toekomstige programmeurs, geluidsmensen en alle andere functies die een poppodium herbergt.
Elke opvolgende generatie lijkt het met het opzetten van dergelijke broedplaatsen moeilijker te krijgen maar desalniettemin komen er nog steeds, en gelukkig maar, overal op deze aardkloot mensen naar voren die het aandurven. De scene herbergt altijd een groepje mensen dat het op een bepaald moment zat is om te klagen “dat er niks te doen is”, de handschoen oppakken en het dan maar zelf gaan doen. Enthousiastelingen die nieuwe locaties opeisen of een oud podium nieuw leven inblazen en de zaken op hun eigen manier aanpakken.

Stoma6 ©DennisWisseWe leven in tijden waarin de bek van de overheid overloopt met de holle frase “dat ondernemers aan teveel regels gebonden zijn”, maar op de keper genomen geldt dat blijkbaar alleen voor multinationals, niet voor het midden en kleinbedrijf en al helemaal niet voor niet op winst gerichte initiatieven. Voor die laatste groep verzint men er maar wat graag nog wat regels bij met als doel ‘amateurs’ buiten de deur te houden.

Maar het soort mensen dat iets voor een undergroundscene wil organiseren wil helemaal geen ondernemer zijn. Een ondernemer weet dat er geen geld aan een underground podium valt te verdienen en die zal er dus niet eens aan beginnen.
En het initiatief zal ook juist niet van mensen moeten komen die een opleiding muziekmanagement hebben gevolgd. Die willen namelijk alles volgens voorgeschreven regels doen en zijn de eersten die afhaken. Bij zo’n opleiding opgedane kennis is allemaal leuk en aardig maar gaat totaal voorbij aan een belangrijk aspect dat alle fanatiekelingen die een eigen tent op zetten gemeen hebben en dat ze zelf het wiel uit willen vinden. Een groep fanatiekelingen heeft als een soort natuurwet een anarchistische inslag. Die gaan allerlei dingen proberen waarvan je van tevoren op een briefje kan geven dat ze gaan mislukken, maar als je ze hun gang niet laat gaan spat je groep sneller uit elkaar dan een zelfmoordenaar van IS.

055_img_3669Het is tegenwoordig steeds moeilijker een locatie te vinden waar je geen overlast veroorzaakt. De binnenstad is volgeplempt met koopwoningen en daarbuiten is het een factor tien moeilijker om publiek naar je tent te trekken. En door het kraakverbod wordt het er niet makkelijker op. Lange tijd was kraken in Nederland makkelijker en meer geaccepteerd daar waar ook ter wereld, nu is het precies andersom. Door de hier gangbare rigide stelling van “regels zijn regels” is kraken nu zo goed als onmogelijk geworden. Dat terwijl het in landen om ons heen, waar kraken nooit semilegaal is geweest, nog steeds mogelijk is een door een particulier opzettelijk leeg gehouden huis/loods/zaal in bezit te nemen en er een cultureel centrum van te maken. Tegenwoordig ben je zowat gedwongen tot een antikraak-constructie, dus ook al is de huur een stuk lager dan je normaal zou moeten betalen, het blijft een extra vaste last en erger nog; een paar klachten van omwonenden zijn genoeg om de antikraak organisatie koude voeten te laten krijgen en je contract op te zeggen.
Vroeger duurde het wat langer voordat je ontruimd werd en was er iets meer tijd om een reputatie op te bouwen. Een reputatie zorgt niet alleen voor meer publiek en beter band-aanbod, het zet je ook op de kaart bij het publiek en pers wat uiteindelijk deuren naar de politiek en ambtenarij kan openen. Wellicht zie je alleen natuurlijke vijanden in dat soort mensen maar uiteindelijk zijn het de enigen die je kunnen helpen zodra de buurt begint te morren of wanneer je toe bent aan een nieuwe locatie.

digital leather exit
Vaak zijn de publieksaantallen in undergroundpodia verrassend goed en komen er massa’s mensen op zo’n podium af. Er kan niet of nauwelijks aan promotie gedaan kan worden, want illegaal dus geen posters, flyers advertenties, maar mond op mond reclame, en tegenwoordig ook de sociale media, werken in dit geval op zijn best. Het komt allemaal super-sympathiek over al is de kans dat je tent nog geen half jaar zal bestaan levensgroot, maar dat trekt ook weer want je moet er geweest zijn voordat het verleden tijd is.
De eerste valkuil waar je voor komt te staan is dat je als initiatiefnemer ervoor moeten waken dat je zelf blijft bepalen hoe de tent georganiseerd wordt en dat je publiek dat niet gaat doen. Sluitingstijden moeten afgesproken worden en je moet jezelf eraan houden. Als je dat niet doet zit je na elke show tot ver na ochtendgloren met een stel zogenaamde ‘vrienden’ je biervoorraad te decimeren. En op een gegeven moment is er altijd wel iemand die zich afvraagt waarom er geen muziekje op kan en als die eenmaal klinkt kunnen jullie de volgende keer ook net zo goed nog wat meer bands neerzetten. Voor je het weet heb je tot 6 uur ’s ochtends programma en gaan de buren serieus plannen voor een lynchmob maken.
Als undergroundpodium loop je allerlei risico’s. Gebrek aan vergunningen en schijt aan verboden al rookverbod etc kan de teller van boetes etc snel doen oplopen. Geen omzet draaien is echter nog erger, want als je het bier bijna voor kostprijs verkoopt en de entreegelden naar de bandjes doet vloeien gaat ’t al snel mis met de vaste lasten.
Als je alcohol aan minderjarigen verkoopt, drugdealers hun gang laat gaan én gesnapt wordt dan hoef je natuurlijk er ook niet op te rekenen dat die antikraak organisatie nog een keer met je in zee gaat. En je hoeft dan ook niet bij de gemeente aan te kloppen voor enige vorm van steun . Andere podia zien je dan al gauw niet meer als waardevolle aanvulling van het culturele aanbod maar terecht als valse concurrentie.

The Phantom Four & The Arguido Foto_ Robert Tjalondo1Lang duurt zo’n locatie dus nooit maar een ervaring rijker gaat een klein deel van de durfals toch weer verder, heeft het één en ander geleerd over wat wel en wat niet werkt, houden zich iets meer aan bepaalde regels en doen op andere gebieden ook wat water bij de wijn.
Maar veel publiek naar een podium trekken waar geen entree geheven wordt maar om een donatie wordt gevraagd en bier een euro kost, daar is geen kunst aan. Dat is de uitdaging ook niet. De uitdaging is om genoeg publiek naar je podium te trekken dat wél bereid is om entree te betalen en een redelijke prijs voor een drankje. Uit die entreegelden en baromzet moet je namelijk de optredende bands een redelijke gage kunnen betalen en je vaste lasten ophoesten.

Doe je dat niet dan ben en blijf je afhankelijk van de goodwill van bands die gratis willen komen spelen, van een grote groep vrijwilligers die constant van samenstelling zal veranderen en van een (anti)kraakconstructie. Na een half jaar heb je alle kleine bands uit de omgeving in je tent gehad en die kan je keer op keer blijven neerzetten maar op een gegeven moment zal je merken dat je publiek alleen nog bestaat uit mensen die zelf ook in bands spelen en het heel leuk vinden om hun collega’s te steunen, maar het feit dat ze op komen dagen wel genoeg vinden en dus geen cent in je tent uitgeven
Tegelijkertijd geven al deze o zo arme studenten en werklozen tien keer zoveel uit aan de maandelijkse kosten van hun smartfoon dan aan uitgaan, want ja die hebben ze gewoon nodig en die krijgen ze niet gratis.
Je maakt jezelf op deze manier medeschuldig aan de devaluatie van muziek. De gages die bands krijgen staan steeds meer onder druk. Tien jaar geleden werd een gage van €200 als laag maar schappelijk gezien, nu moet je blij zijn als je als band nog €50 vangt. Daar huur je goddomme één keer een professionele oefenruimte voor.

Hetzelfde geldt voor personeel. Het wordt steeds normaler dat je werk waar je vroeger gewoon voor betaald werd als vrijwilliger moet gaan doen. Dat geldt zeker in de culturele sector waar bijna alleen nog vrijwilligers en stagiairs werkzaam zijn. Vroeger begon je als vrijwilliger en hadden de meest fanatieke van het clubje kans door te stromen naar betaald werk als barman, programmeur, kassamedewerker, stagemanager, coördinator etc. Mensen die zich voor een good cause helemaal de schompes willen werken zijn echt wel te vinden, maar ze houden het nooit lang vol want uiteindelijk moet bij hun thuis de schoorsteen ook blijven roken.The Phantom Four & The Arguido Foto_ Robert Tjalondo
Natuurlijk klinkt dit alles walgelijk kapitalistisch en dat is t ook maar alles wat gratis aangeboden wordt is waardeloos. Muziek wordt voor steeds lagere prijzen aangeboden door bijna wanhopige bands op zoek naar welke vorm van exposure dan ook. Het kost klauwen met geld om in een band te spelen en het levert geen ene donder op. Daarnaast zijn bekendheid en roem ook aan zware devaluatie onderhevig. Iedereen kan zijn 15 minutes of fame krijgen alleen trekt het allemaal geen belangstellenden meer aan. Probeer tegenwoordig nog maar eens een meisje te versieren met het verhaal dat je in een band zit, grote kans dat ze antwoord met “da’s leuk, ik ook!”

Als dat zo doorgaat wordt spelen in bands een bezigheid die alleen voor rich kids haalbaar is. En de beste muziek komt nu eenmaal niet van rijkeluis kindertjes, kijk maar naar al die weke zogenaamde Indie van tegenwoordig. Rich Kids hebben alles al en ontberen dus verlangens om over te zingen.

En dan heerst er ook nog de mythe dat je een goed podium met een interessante programmering kan voeren zonder subsidie van overheden of fondsen; een illusie die al jaren vanuit het rechtse spectrum van de politiek wordt gevoed. Het staat op hetzelfde niveau als het onvoorwaardelijke geloof in de vrije markt en het is complete bullshit. Als je vindt dat je met je podium een belangrijke service aan de maatschappij levert waarom zou je dan niet gesubsidieerd mogen worden? Alsof je jezelf moet schamen dat je een activiteit organiseert die zichzelf niet 100% kan bedruipen. Hier is het niet de uitdaging om je in allerlei bochten te gaan wringen en precies te gaan leveren waarvan je denkt dat het pegels op zal gaan leveren. Nee, hier moet je stronteigenwijs je eigen visie blijven pushen totdat je de ambtenarij en bovenal de politiek weet te overtuigen dat je gelijk hebt. Dat doe je door je ding te doen en te laten zien dat de manier waarop je het doet werkt. Probeer wel te voorkomen dat je niet volledig afhankelijk van subsidie en je daardoor jezelf in een te kwetsbare positie manoeuvreert. Kijk maar naar Roodkapje; pats boem weg!

saunawestdnl_8862Kunsten zijn altijd afhankelijk geweest van het mecenaat. Subsidies hebben voor een groot deel de aflaten van de rijken vervangen zodat ook kunst die voor deze groep niet zo interessant de mogelijkheid krijgt zich te ontwikkelen(popmuziek in tegenstelling tot bijvoorbeeld opera).  Alternatief is dat je jezelf compleet in de handen legt van sponsoren. Schrikbeeld is dat dit net zoals op SXSW uitloopt op een Chuck D die in een Dorito’s kraam staan op te treden. Dan schaam je jezelf toch een ongeluk?

We moeten allemaal echt superblij zijn dat er, ondanks dat ook in deze tijd de oudere generatie zucht over het gebrek van enig elan bij de jonkies, toch weer een groep jongeren is opgestaan die het traject van de oprichting van een eigen podium gaat afleggen. Natuurlijk was de eerste poging van korte duur en waren ze veel te ideëel en chaotisch, maar de volgende keer maken ze een giant leap forward, let maar op. En dan staan er de politici, ambtenaren en cultureel ondernemers weer met verbazing te kijken wat de power van muziek, jeugd en onvervalst anarchisme vermag.
Nawoord: en natuurlijk volgt ook op dit verhaal over pakweg een jaar of 20 een deel twee waarin geklaagd wordt over het vastgeroeste door regels vervormde culturele klimaat en behoren de initiatiefnemers van nu tot de gevestigde orde. En dan staat er weer een klein groepje op etc. Het aller grappigste van het verhaal is dat het elke keer weer spannend, grappig en bovenal urgent blijft. En nee geen kapitalisten/computer/nazi of reli-staat gaat daar wat aan veranderen.

Advertenties

StrorOp donderdag 14 februari is Mario Strör overleden. Strör was een legendarische figuur in de Rotterdamse, punk,muziek en krakers scene. Toen ik begin tachtiger jaren als 15 jarige snotneus in de punkscene verzeild raakte was Strör al actief in door mij bewonderde bands als Formaline K en Debiele Eenheid. Later was hij actief in tientallen bands en solo projecten: Snowball Johnny & the hotshots, Stinksisters, Sole Survivor, André Riool, etc etc.

Het moet destijds een slagveld zijn geweest in de oefenruimte van Debiele Eenheid. Als je persoonlijkheden als Strör, Jorem, Frankzinnig en Kareltje Dops bij elkaar zet gaat het hoe dan ook knetteren van de energie. En zowel positieve als negatieve. Op het podium was Debiele Enheid een fenomeen; ik zal dat optreden wat ze op Koninginnnedag op het Beursplein gaven nooit vergeten. Jorem die poedelnaakt met een enorme kunstpik om tegen Strör zijn kontje aan het oprijden was waarop ik moeders de ogen van hun kroost zag bedekken.

Je hoorde verhalen over hoe Strör verkleed als Adolf Hitler uit een te ontruimen kraakpand stapte, over de bankoverval die hij uit naam van een vage zelfverzonnen terreurgroep had gepleegd en meer van dat leuks. Maar je zag ook een sublieme muzikant die werkelijk alles kon spelen en volledig schijt had aan de grenzen van welk genre dan ook. Ook die van punk want je doet Strör tekort als je hem alleen als punker typeert; Strör was net zo goed een bluesman en kon je zelfs met schlagers prima vermaken.

Strör was een teacher; maar dan wel het soort leraar dat uit principe nooit van zijn leven voor de klas zou (willen) staan. Iemand die altijd bezig was om mensen goede dingen (aan) te leren. En heel belangrijk; hij leerde zichzelf ook onvermoeibaar nieuwe technieken aan. Alles om in het dagelijks leven zo onafhankelijk mogelijk te kunnen opereren. Hij gebruikte computers en internet op een heel eenvoudige en effectieve manier, al was hij totaal wars van enige vorm van zelfpromotie; als je hem zocht vond je hem in een wip, maar je zou nooit van je levensdagen ongevraagd met hem te maken krijgen.

Ik heb Mario de teacher bijna twee jaar in actie mogen meemaken. Dat was in de tijd dat we samen in the No-Men zaten. Ik zocht hem op om hem te vragen een punkband op te richten en die pop/skate punkertjes eens een poepie te laten ruiken. Typisch Mario dat hij bijna pesterig met de meest poppy punknummertjes aan kwam zetten die ik ooit gehoord had. Maar die nummers waren fantastisch en ik werd in een mum in zijn stijl meegezogen. Ik maakte samen met El Jeffe nog wel wat hardere tunes voor No-Men maar qua productiesnelheid legden we het volledig af tegen Mario die soms drie songs per week wist af te leveren. En hij had destijds natuurlijk al een catalogus van bijna duizend songs waaruit hij kon putten. Hij vertelde ronduit waar hij de inspiratie voor nummers vandaan haalde en als ie ze gepikt had ook waarvandaan hij ze stal. Ook pesterig omdat ik me destijds kwaad maakte over het feit dat bandjes als Green Day alles bij the Clash wegpikten. Goede kunst is altijd gejat; een onverkwikkelijke waarheid teached by Strör.

Strör kreeg en passant binnen een week gedaan wat geen van de bands waarin ik voor No-Men actief was voor elkaar gekregen hadden; hij liet me melodieus zingen en damde mijn hardcore brul stevig in. Voor mij was dat een revelatie en zonder Strör zijn lessen had ik later waarschijnlijk nooit met Fetish Joy Division nummers kunnen uitvoeren.

Maar wat No-Men betreft gingen de teachings nog veel verder; onze originele drummer en bassist hielden er  na nog geen jaar allebei mee op. Strör, die in bands toch al liever bas speelde,  switchte naar de 4 snaren en El Jeffe was opeens de lead gitarist ipv tweede. Okkie werd onze nieuwe drummer. Twee supergoede gasten, maar muzikaal op zijn zachtst gezegd nogal ruwe diamantjes. Okkie was bij The Fuzzbrats een prima zanger, maar als drummer nog tamelijk groen en El Jeffe was als tweede gitarist best OK, maar ik betwijfelde of het als enige gitarist met hem zou gaan lukken. Strör legde een engelengeduld tentoon en tegelijk een discipline waar de strengste drill-sergeant nog een puntje aan kon zuigen. We oefenden onze twee minuten songs tien tot twintig keer achter elkaar en dat minimaal twee keer per week. Binnen een maand waren we zo strak als de spreekwoordelijke eendenreet. En strak zonder machinaal te gaan klinken want er zat nog steeds veel leven in de sound en de nummers bleven spannend. De oude punktruc deed het ook hier; gaat een nummer goed dan ga je hem sneller uitvoeren en dan blijft het leuk om het te spelen.no-men8

We hebben een CD met No-Men opgenomen en zover ik weet is dat het enige album van een band met Strör in de gelederen die ooit officieel is uitgekomen, en nog wel op een label, al was dat op Tocado-Records; een label dat door mijzelf bestierd werd. Anders was dat pertinent nooit niet doorgegaan, denk ik. No way dat Strör ooit iets op een commerciële manier uit zou hebben gebracht. Het was al moeilijk genoeg om hem te overtuigen zijn medewerking aan de CD te verlenen. We hadden met No-Men een kleine bandpot bij elkaar gespaard; bijeengeharkt van gages van optredens. We hadden een gratis oefenruimte in Strör zijn huis. (eerst in de kelder en toen het winter werd in zijn huiskamer waar we daarna maar door zijn gegaan te oefenen want die kelder was een galmbak en klonk voor geen meter ) Zonder die eigen oefenruimte zouden we geen cent hebben kunnen sparen, maar ook nu hadden we niet genoeg geld om zowel de opnames als de productie van de CD’s te betalen. Tocado had bijna al het geld wat we met de eerste Heel Erg Punk CD hadden verdiend verloren omdat een promo single van de Tocado-partij gefinancierd moest worden en de rest hadden we in Deuce gestoken (de band van Gareth van Wijk) en dat geld zagen we nooit meer terug.  El Jeffe had echter wat spaarcenten en wilde dat wel in de CD steken. Strör was daar mordicus tegen en pas na een paar weken soebatten van mijn kant ging hij overstag door het argument dat El Jeffe geen leukere manier wist om zijn spaargeld aan te besteden dan aan die No-Men CD. We namen de CD in drie dagen op in studio 195 van en met Patrick DeLabie. We kwamen goed beslagen voor de dag en alles liep vlot en we waren reuze blij met het resultaat. Totdat we ongeveer veertien dagen later wat minder stoned waren geworden. Strör had een vaporizer mee de studio ingenomen. Een vaporizer is een waterpijp waar je door middel van een verfstripper hete lucht van 185 graden de pijp in blaast en THC kristallen in wiet laat verdampen ipv ze te verbranden; je wordt daar zo high als een kanon van. Nu konden wij allemaal best wat hebben maar zowel de band als onze producer/engineer  werden hiervan zo godsallemachtig stoned dat zelfs een scheet echt prachtig klonk. Dus bleek achteraf dat veel van opnames nogal rammelden. Later konden we  er best nog om lachen want het resultaat had een soort weirdness om zich heen die ook wel weer prettig was; het was gewoon het stonedste punkalbum ooit geproduceerd.

Strör was niet alleen een toffe gast; hij kon ook ongelofelijk moeilijk in de omgang zijn. Hij was rechter dan rechtlijnig. Op de dag van de releaseparty van de No-Men CD kwam El Jeffe een paar uur later dan afgesproken aan. Maar afspraak was altijd afspraak bij Strör. Hij stapte direct na de releaseparty uit de band,  hoe hard we ook probeerden hem te vermurwen.  Maar niet zonder dat hij uit zichzelf de kosten van 125 CD’s (zijn kwart) van de CD’s aan El Jeffe terug gaf.

stror8Pas een paar jaar later zag ik Strör weer. Bij iemand als hij maakt het niet uit met hoeveel ruzie je uit elkaar bent gegaan. Hij was zo rete-relaxed dat je binnen tien seconden helemaal weer op dezelfde golflengte zat en met elkaar om ging alsof er niets gebeurd was. Zo kwam ik hem ongeveer twee keer per jaar tegen; hij op de fiets of bakfiets of met zijn gitaar om bij optredens en af en toe ging ik bij hem langs om een bakkie te doen.  13 juli 2012 zag ik hem voor het laatst. Hij woonde in een seniorenflat. Half gedwongen door het kraakverbod en in de hoek geverfd door zijn sluipende ziekte. Niet dat je daar veel van merkte want hij was net zo optimistisch en vrolijk als hij altijd was geweest. Hij vertelde dat hij nachtenlang kon doorspelen met die bejaarden als buren; die waren toch allemaal doof. Hij moest nu huur betalen maar had wel  gratis stroom omdat hij twee zonnecollectoren op zijn balkon had staan waar hij zijn licht,  installatie en computer op kon laten lopen. Verder had hij niks nodig; hij tapte alleen stiekem stroom af voor de boiler en had weer een hilarisch verhaal over hoe hij ruzie zocht met Eneco die wilde dat hij zijn zonnecollectoren op het reguliere netwerk aan zou sluiten zodat hij alsnog vastrecht moest gaan betalen en alleen een korting kreeg omdat hij zelf stroom produceerde. Dat ging natuurlijk mooi niet door.

Ik weet nog dat ik terwijl ik na dat laatste bezoek aan Strör naar huis reed pissig was op al die humorloze klote ambtenaren en medewerkers van Nutsbedrijven die er een sport van maken om figuren als Strör het leven zuur te maken. Hij mag dan misschien bijna heel zijn leven een uitkering hebben ontvangen: desondanks is zijn bijdrage aan deze maatschappij van onschatbare waarde. Hij liet mensen zien dat je je eigen weg moet proberen te gaan, en dat het leven een stuk aangenamer zou zijn als iedereen wat meer waarde zou hechten aan echt belangrijke zaken. Zaken als ongeveinsde aandacht voor elkaar en je leefomgeving ipv de eeuwige jacht naar materiële schijnbevrediging.

Ik zal je missen mafkees…

Check Strör zijn Provessor blog hier…

Check Strör zijn muziek hier

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

pijnackerplein 1982

Oud en Nieuw 1982

Wat hieraan vooraf ging lees je hier

Scherf stond intussen als een bezetene aan het beltouw te trekken in de hoop dat de bewoners hem zouden horen.  Ik wilde hem waarschuwen dat we beter als de sodemieter weg konden wezen voordat het vuur verder ging oplaaien. We stonden nu nog in de schaduw, maar dat ging niet lang meer duren; naarmate er meer bomen op het vuur geworpen werden zag je het licht verder in onze richting opkruipen. Toen gebeurden er vlak achter elkaar drie dingen: op hetzelfde moment dat ik Scherf bereikt had, met het idee hem de dichtstbijzijnde zijstraat in te sleuren, hoorde ik een meisje in het pand krijsen. Er werd een barricade voor het raam op de eerste verdieping weggetrokken, het raam werd geopend waarin een hysterisch gillende kraakster verscheen. ‘Laat ons met rust, kankerlijers’, brulde ze naar buiten. ‘Genoeg!!!’ Heel even leek het alsof alle geluid op het plein verstomde. De atmosfeer leek te verdikken en ik zag alle beweging tot een slow-motion vertragen. Het licht dat door het vreugdevuur werd verspreid laaide op. Het werd zo helder dat de gevel van het kraakpand net zo goed door een krachtige schijnwerper bestraald had kunnen worden. Scherf en ik stonden in het volle licht in het portiek van het pand; als ratten in de val. De silhouetten van de Pijnackerbende staken af tegen de gloed van het vuur. Het waren er echt geen stuk of dertig meer. De meute was aangegroeid tot wel honderd man en ze keken allemaal in onze richting. Omdat die hysterische trut, door het bijna even hysterische aanbellen van Scherf, zo nodig in een flip moest raken waren we nu de pineut. Er was maar één weg hieruit en dat was naar binnen. Maar de bewoners van het kraakpand zouden ons nooit binnenlaten zolang ze niet hadden gezien dat wij het waren. Ik zag de horden langzaam onze richting uit komen; het was nu of nooit. Scherf en ik dachten blijkbaar precies hetzelfde en we sprongen het portiek uit. Net op tijd, want de hysterica werd al door een medebewoner uit het raamgat naar binnen getrokken terwijl een ander het raam begon te sluiten. ‘Laat ons erin’, schreeuwde Scherf en ik keek dat de kraker aan het raam nog net in zijn gezicht voordat het raam sloot en de barricades er weer voor werden geplaatst. Alle vluchtwegen waren intussen door de groep pleiners versperd. Scherf bleef schreeuwen dat ze open moesten doen, totdat ik hem richting de deur duwde. Voor de eerste keer beleefde ik een moment waarin je je leven aan je voorbij ziet trekken en dat moment duurde veel te kort. Ik was godverdomme pas achttien jaar en ik had een paar maanden geleden nog voor de dienstplicht bedankt om uiteindelijk toch nog in een zinloze oorlog te sneuvelen. Scherf bleef de krakers aanroepen en smeken om open te doen. Nu in het gat waar eens de bel in bevestigd gezeten. Er lag niets in het portiek dat ook maar enigszins als verdedigingswapen gebruikt kon worden. Ik merkte op dat moment ook pas dat ik de ketting, die ik altijd als broekriem gebruikte, thuis had achtergelaten. Wapens; je sjouwt er maandenlang nodeloos mee rond en op het moment dat je ze echt nodig hebt heb je ze niet bij je. De pleiners waren ons tot op een meter of vijf genaderd en ik stond op het punt in de laatste seconden van mijn leven me alsnog aan Jezus over te leveren toen de meute de opmars stopte. Een milliseconde verkeerde ik in de hoop dat ze het met ons uit gingen praten, maar dat was niet de reden dat er gestopt werd. Ik zag de steekvlammetjes van tientallen strijkers oplichten en toen begreep ik wat de bedoeling was. Ik draaide me om, dook zover mogelijk de hoek in en trok mijn jas over mijn hoofd. Toen het losbarstte leek het een langgerekte knal, als een twintigponder uit een Stuka in het portiek detoneerde. Toen ik weer bij zinnen kwam lag ik in de gang van het pand naar adem te snakken. Ik zag vaag iemand de deur weer barricaderen met twee grote balken. Ik keek verdwaasd om me hen en zag Scherf naast me liggen. Zijn mond bewoog; waarschijnlijk was hij nog steeds aan het gillen dat ze ons naar binnen moesten laten, maar er drong even geen geluid meer door tot mijn wereld.

Een paar minuten later trok mijn gezichtsveld een beetje bij en zag ik weer tamelijk scherp. Op een zwarte vlek in het beeld van mijn linkeroog na dan. Dat irriteerde me vreselijk. De contactlens die ik droeg had me voor oogletsel behoed. Ik haalde hem eruit en zag dat er een stukje ingebrande zwarte materie in zat. Kruit uit een strijker. Terwijl ik er toch zeker van was dat ik met mijn jas om mijn hoofd en mijn ogen dicht had gehad op het moment dat die strijkers afgingen. Nu kon ik alleen met mijn rechteroog nog scherp zien. Dat was ook irritant, maar in ieder geval beter dan die vlek.

De enorme ruis in mijn oren maakte plaats voor de bekende piep, die ik na optredens ook altijd in mijn oren had. Ik kon in ieder geval, door de piep heen, weer een beetje horen. Iets minder leuk was dat Scherf vlak naast me zat en niet op kon houden met gillen dat hij die hufters buiten wilde vermoorden. Het had op dat moment wellicht verstandiger geweest als hij een de-escalerend geluid had voortgebracht; ik had alleen geen idee hoe dat dan had moeten klinken. Toen volgde een doffe klap en nog een. Het leek erop dat de buitendeur van het pand met een stormram werd bewerkt. Dreun volgde op dreun en elke keer zag ik de voordeur, en de balken ervoor, een beetje verder meegeven. Het was overduidelijk dat het een kwestie van een paar minuten zou worden voordat de deur het zou begeven. Behalve Scherf en ik stonden er twee andere krakers in de gang en we keken allemaal gebiologeerd naar de deur. Alsof we niet meer konden doen dan mindpower in te zetten om de aanval af te weren. Het voelde alsof we konijnen in een hol dat door een stel hondsdolle vossen word uitgegraven waren. Ik schoot uit mijn lethargie en stormde de trap van het pand op. Iemand moest iets doen voordat die deur het begaf en ernaar kijken ging niet helpen. Prioriteit nummer één: wapens. Ik rende de woonkamer op de eerste verdieping in. De ruimte werd slechts door een peertje aan het plafond verlicht. Het meisje die uit het raam had gehangen lag op een kussen in de hoek die het verst van de ramen was verwijderd onbedaarlijk te bibberen. Verder was er niemand. Ik had toch minimaal die vier punkies hier binnen verwacht, maar noppes. Er was ook nergens iets als een honkbal knuppel of ook maar een lange lat te vinden. Ik zocht alle overige kamers af en het beste wat ik kon vinden was een stuk openhaard hout dat veel te dik en te kort was om effectief als wapen ingezet te worden. Scherf kwam intussen ook boven en was ook zichtbaar geschrokken van de afwezigheid van hulp en wapens. ‘We zijn de lul’, mompelde hij ‘we zijn de lul’. Koortsachtig dacht ik over manieren om ons te verdedigen. De ramen waren gebarricadeerd met matrasveren. Voorlopig werd er alleen met vuurwerk naar de ruiten gegooid en zelfs als eens strijker vlak voor de ruit zou ontploffen en de ruit zou breken, waren we redelijk goed beschermd tegen rondvliegend glas. Maar we konden daardoor de aanvallers ook niet vanuit de ramen bekogelen. Nu hadden we ook weinig om ze mee te bekogelen, op die houtblokken en de huisraad na. Ik herinnerde me opeens een opmerking van Schizo toen ik hem bij mij thuis een keer had opgebiecht dat ik geen idee had hoe me te verdedigen mocht mijn huis aangevallen worden. Hij had geopperd dat je in zo’n geval toch gewoon de koelkast voor het trapgat kon zetten en die naar beneden kon kankeren op het moment dat er mensen de trap op komen. Iets beters was er in dit geval ook niet te verzinnen dus ik zocht Scherf en na een korte uitleg begonnen we de koelkast uit de keuken naar het trapgat te slepen. Het was jammer dat er geen wasmachine aanwezig was; die zijn een stuk zwaarder en dodelijker dan koelkasten. Maar de hier aanwezige exemplaar was een behoorlijk oude, en een stuk zwaarder dan die moderne koelers. Scherf schreeuwde naar de krakers in de hal dat ze naar boven moesten komen en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Daarna zat er niets anders op dan te wachten op het onvermijdelijke moment dat de deur het zou begeven en de barbaren de trap zouden bestormen. Dat gaf me tijd om de krakers eindelijk eens goed te bekijken. Ik herkende er een; die had ik al eens in een ander pand gezien. Hij heette Carel, met een c, en na even denken wist ik ook uit welk pand hij kwam; het pand vlak om de hoek bij mijn ouderlijk huis op de Heemraadssingel. Het eerste kraakpand waar ik ooit een voet binnen had gezet. Hij knikte even naar me terwijl ik hem aanstaarde; hij herkende me wel, maar was blijkbaar, en begrijpelijkerwijs,  niet in de stemming voor begroetingsrituelen. Carel was gekleed en gekapt als een typische kraker; gemillimeterd haar, blauwe overall en zware schoenen. Als je hem op een steiger zou zetten zou hij niet opvallen; hij had alleen geen matje en hij zou waarschijnlijk weigeren meisjes na te fluiten.  De andere kraker was zo’n kunstenaarstype met een dikke bril en zwart geverfd haar waar je de schaar die de lange lokken had weggeknipt nog bijna in kon zien. Prototype kunstenaarshippie. Het meisje lag nog altijd in de kamer te bibberen.  Op haar hoefden we niet te rekenen. Ik vroeg waar die vier punks gebleven waren en Carel vertelde dat die vorige week naar een nieuw pand aan de Hooghlandstraat waren verhuisd. Aangezien de reden dat ik hier was gekomen vier, inmiddels verhuisde, punkkameraden was, voelde ik me opeens behoorlijk lullig. Ik zette hier mijn leven op het spel voor een paar gasten die ik nauwelijks kende en die zo dom waren geweest om een pand te kraken dat middenin het territorium van een van de grootste jeugdbendes van de stad lag. Het was dat Scherf keek alsof hij hier ook liever niet wilde zijn, anders had ik hem op dat moment waarschijnlijk een hengst gegeven. En het gevoel dat ik op het totaal verkeerde moment, op de verkeerde plaats aanwezig was, moest natuurlijk, op uitgerekend datzelfde ogenblik, nog even honderdduizendmaal versterkt worden. Want opeens stond dat meisje in de gang. Haar ogen stonden verwilderd en ik merkte nu pas dat ze een tuinpak aanhad. De manier waarop ze me aankeek voorspelde niet veel goeds; ze keek alsof ze me wilde aanvallen.  Er kwam meteen nadat ik haar blik gevangen had een vloedgolf woorden uit haar mond omhoog borrelen waar de ratten geen kaas van hadden gelust. ‘Het was godverdomme net weer rustig toen jullie zo nodig buiten moesten gaan lopen schreeuwen, stelletje kutpunks!’ schreeuwde ze me toe. ‘Het was net voorbij, die gasten buiten hadden hun lolletje gehad en waren weggegaan van het plein en toen moesten jullie ze zo nodig gaan provoceren!’Jullie zijn net zulk gespuis als die klootzakken die hier woonden; we waren net zo blij dat die opgepleurd waren.’ Dat wijf had een stem die dwars door je heen sneed. Dit was wel het laatste wat ik verwacht had, al had ik voor de deur al begrepen dat die muts niet helemaal spoorde. Scherf begon sputterend uit te leggen dat we hier alleen waren gekomen om te helpen, maar bij mij sloeg de vlam opeens in de pan. Mijn rode vriend trok weer eens voor mijn ogen langs, ik moest me inhouden om haar niet op haar bek te timmeren. Ik sprong op en begon tegen haar uit te varen. ‘Houd je bek feministische kutmongool met je grote hysterische kankerbek, we kwamen hier om je uit de rats te helpen maar wat mij betreft kan je de kutschurft krijgen vuile vieze stoephoer’!! Ik had altijd al een harde stem, geoefend door twee jaar brullen in bandjes, maar nu ging ik echt helemaal los en bulderde door de gang. Hysterica kon er echter, zoals al gezegd, ook wat van en liet zich niet door mijn kanonnade uit het veld slaan. Ze schold net zo hard terug: ‘debiele kutpunks met jullie kankergeintjes altijd, zwakzinnige hufters met jullie grote muilen en groen uitgeslagen kankerkapsels, vieze kankerzwerver tyft op uit me huis!! En toen ik weer: ‘Krijg de kanker met je vuile grafhuis, de fucking fik d’r in, ouwe kankertemeier die je bent, krijg de ziekte’. Hysterica riposteerde met: ‘hoerenjong, kanker op met die mietjes van een kankervriendjes van je, jullie verpesten altijd alles, grafmongolen.’ Na deze uitval was het een milliseconde stil, ik nam de tijd om zoveel mogelijk lucht in mijn longen te persen en nam tegelijk de kans waar om wat inspiratie op te doen voor mijn volgende scheldkanonnade. Maar voordat ik uit kon barsten voelde ik een hand van Carel op mijn schouder en nog een op mijn borst. Ik ademde dus maar weer uit en zag dat Carel zijn linkerwijsvinger omhoog hield. Toen drong tot me door wat hij duidelijk probeerde te maken; het geluid van de  oprukkende buurtbewoners was verstomd. Er klonken in de verte nog knallen van vuurwerk maar dat kwam niet van het plein, daar leek het stil. Het was zo’n moment dat eeuwig lijkt te duren. Niemand had een idee wat er precies aan de hand was. We konden niet zien wat er buiten gebeurd en we durfden geen van allen te bewegen uit angst de magie te doorbreken en teruggeworpen te worden in een realiteit waaraan we dolgraag uit wilden ontsnappen. Ik keek hysterica recht in haar gezicht en zag haar woede omslaan in ongeloof. Pas dagen later wilde ik toegeven dat het best een lekker ding was.  De stilte werd uiteindelijk doorbroken door een blauw zwaailicht dat nadat het precies zeven keer de kamer had verlicht versterkt werd door een politiesirene die opeens keihard losbarste. Zoals gewoonlijk kwam de cavalerie te laat en op een vervelend moment. De hippe kunstenaar rende naar het raam en werd onmiddellijk in een zoeklicht gevangen. De sirene maakte plaats voor een mobilofoon. ‘Zouden jullie de deur even open willen maken?’ knetterde het uit de luidspreker. Het magische moment was verbroken. De kunstenaar stond een beetje verdwaasd in het volle licht naar de kit te zwaaien, Scherf slaakte duidelijk hoorbaar een diepe zucht in de wetenschap dat hij ook deze verzoeking had overleefd en Carel schoof de koelkast uit het trapgat en maakte aanstalten om naar beneden te gaan om de deur van de barricades te ontdoen. Ik stond nog altijd tegenover hysterica en pas op dat moment wisten we onze ogen van elkaar af te wenden en draaide ik me half om. Carel keek ons beiden aan met een geheimzinnige glimlach voordat hij de trap af liep. Ik draaide weer terug maar ze was intussen al op weg naar het raam waar ze samen met de hippie voor ging staan. Niemand van ons is er ooit nog over begonnen, maar het leek er sterk op dat mijn ruzie met hysterica de aanvallers van  het pand zo verbaasd had dat ze even waren vergeten waar ze mee bezig waren. Meer voor de hand liggend was natuurlijk dat ze de politie veel eerder dan wij aan hadden zien komen en daardoor de aanval op hadden gegeven. Toch was en bleef het een magisch moment want het voelde honderd procent zeker alsof de agressie van buiten geabsorbeerd werd door ons verbale zwarte gat.

Even later stonden er acht agenten in het pand en werden we tot onze verbazing gesommeerd mee te gaan naar het politiebureau. Natuurlijk maakten de bewoners daar hevig bezwaar tegen omdat het pand onbeschermd achter zou blijven. Daarop werden we zonder omhaal in de boeien geslagen, het pand uit gesleurd en verdeeld over drie politie Chevrolets naar het Haagse Veer vervoerd en werden we pas laat in de ochtend een voor een weer vrijgelaten. Een rechercheur deelde me bij mijn vrijlating vol genoegen mee dat we van een beschermende detentie hadden genoten. Het viel me nog mee dat hij er geen rekening bij presenteerde. Scherf was al een half uur eerder vrij gekomen en wachtte  op de hoek van de Coolsingel op me. Zwijgend liepen we door de uitgestorven stad naar huis.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Oud en Nieuw 1982 Deel 2

Het eerste deel lees je hier

Twee weken later was het Oud en nieuw. 1983 stond op het punt te beginnen. Het laatste jaar voordat het mythische jaartal van 1984 aan zou breken. Voorspeld was dat er een politiestaat zou komen, maar dat zouden we dan nog wel eens zien. Voorlopig knetterde de lucht nog van de rebellie.

Maar op oud en nieuw had iedereen wel wat anders aan zijn hoofd dan de regering omver te werpen. De belangrijkste vraag was altijd: waar was het feest? Ik kon natuurlijk naar mijn moeder gaan en me daar vol gooien met oliebollen, bier en champagne, maar ik was niet voor niks op mezelf gaan wonen. Vannacht wilde ik onder gelijkgestemden zijn. Het was alleen een beetje jammer dat alle gelijkgestemden blijkbaar wel bij hun ouders zaten. Na een vruchteloze zoektocht naar feesten; door de buurt fietsend was ik alle bekende kraakpanden af geweest,  kwam ik uiteindelijk toch bij mijn moeder terecht. Daar kon ik me in ieder geval gratis vol laten lopen. Maar om 1 uur ’s nachts hield ik het voor gezien en fietste ik naar mijn nieuwe huis. Ik had nog een halve fles champagne meegesnaaid die ik in het doodstille pand opdronk. Iedereen was weg en ik voelde me een beetje verloren. Als ik in mijn eentje dronken ben, word ik altijd nogal melancholiek. Ik verviel in een mijmering over mijn verloren kamer en mistte het ouderlijk huis opeens enorm. Om half twee was ik die bui spuugzat en besloot  ik maar te gaan slapen. Ik sliep bijna toen ik Scherf hoorde roepen. Hij stond onderaan de trap en vroeg schreeuwend of ik thuis was. Toen ik dat beaamde stormde hij de trap op onderwijl roepend dat het  kraakpand op het Pijnackerplein aangevallen werd. “ Ze belden net via de telefoonketting;  die gasten hebben hulp nodig” , riep hij. Ik richtte me half op maar de alcoholnevels trokken me terug mijn bed in. “ Pleur op”, was het enige wat ik eruit kreeg.  Scherf bleef nog even staan maar zag in dat het geen zin had om te blijven zeuren. Hij stormde weer naar beneden en ik hoorde hem bij alle vier de andere woningen van de Braadworst aanbellen. Weinig kans dat er iemand thuis was, en nog minder kans dat iemand zich geroepen voelde om het slagveld te betreden. Ik draaide in mijn bed om me weer over te geven aan de slaap, maar plotseling schoot het door mijn kop dat die vier jochies, die mijn TV naar huis gesjouwd hadden, in dat pand aan het Pijnackerplein woonden. Vloekend sprong ik uit bed en kleedde me snel aan, onderwijl naar Scherf schreeuwend dat hij op me moest wachten. Ik had geen tijd genoeg om voor rellen geschikte kleding uit te zoeken en toen ik de straat op kwam merkte ik dat ik zelfs mijn trui vergeten  had aan te trekken. De koude wind greep mijn lijf, ik ritste mijn leren jack zo hoog mogelijk dicht. Scherf was niet meer in de straat, dus zette ik het op een lopen richting Pijnackerplein. Ik hoefde alleen  de hoek om, een stuk 3e Pijnackerstraat door en de Zaagmolenstraat over te steken. Daarna nog een kroeg en vier huizen voorbij voordat de straat zich in het plein verbreedde. Er waren nog redelijk wat mensen op straat die nog niet door hun voorraad vuurwerk heen waren. Oud en nieuw in Rotterdam klonk, ook zonder aanvallen op je huis, verdacht veel als een burgeroorlog waarin iedereen lukraak op iedereen aan het schieten is.  Onderweg bedacht ik me dat het onmogelijk zou zijn het pand te bereiken als het daadwerkelijk belegerd werd. Scherf had hetzelfde bedacht, want hij stond op de hoek van het plein de situatie te overzien toen ik hem inhaalde. Heel even was hij blij me te zien maar daarna schoot hij weer in zijn adrenalinerush. Zijn ogen waren zo groot als schoteltjes en ik wist dat er maar weinig meer voor nodig was om hem door te laten slaan. Scherf had een sterk gevoel voor rechtvaardigheid; dat bracht hem hier en weerhield hem om weer zo snel mogelijk weg te rennen. Maar de situatie was tamelijk hopeloos. Er brandde een vuur midden op het plein en daaromheen stonden enige tientallen buurtbewoners te feesten. Het vuur liep echter op zijn einde bij gebrek aan brandstof. Het lag precies tussen ons en het pand in. Het kraakpand zag er vanaf waar wij stonden niet uit alsof het belegerd werd. Er stond in ieder geval geen massa mensen voor de deur. Er brandde geen licht binnen en het pand zag er verlaten uit. Mijn lust om hier een beetje met buurtbewoners te gaan knokken was al niet erg groot. Dat waren  mensen die je later nog dagelijks tegen zou kunnen komen. En zo te zien was het allemaal een storm in een glas water geweest. Iemand in dat pand had waarschijnlijk teveel geblowd of een verkeerd pilletje geslikt, was paranoia geworden, en had de telefoonketting in werking gesteld. Als er gevaar dreigde lag er in elk pand een telefoonlijst. Zo kon je andere kraakpanden bereiken. De ontvanger van je telefoontje belde dan het eerstvolgende nummer op de lijst en ging daarna op weg naar de brandhaard. Dat systeem werkte over het algemeen best goed. Je kon op deze manier binnen korte tijd minimaal een man of twintig op de been krijgen. Maar dagen als Oud en Nieuw waren hierop een uitzondering. Weinig kans dat er dan krakers op telefoonwacht gingen zitten. Dat het pand op het Pijnackerplein Scherf aan de lijn had gekregen was nog een klein wonder.

Het Pijnackerplein was traditioneel een plaats waar de kerstbomen werden verbrand die in de weken tussen kerst en oud en nieuw door de lokale jeugd verzameld werden. Die jacht was de laatste paar jaar een beetje uit de hand gelopen en had geresulteerd in heuse bendeoorlogen. Elk plein had zijn eigen jeugdbende en die van het Pijnackerplein was de grootste in onze buurt. De politie liet zich op oud en nieuw niet zien, tenminste zolang er geen huizen in de fik gingen.

De krakers en punks in het Oude Noorden hadden nog maar weinig last van die bendes gehad. Het waren echte straatschoffies en aangezien veel punks daar, toen ze wat jonger waren ook bij hadden gehoord, was er altijd een soort gewapende vrede gebleven. Punks waren natuurlijk wel freaks in de ogen van dat soort gasten, maar ze konden ons nog niet zo goed plaatsen. We waren in ieder geval geen hippies. Hippies waren zelfs in de kraakbeweging al een tijdje uit de mode. Zelfs de wat oudere krakers, die vroeger hun haar tot op hun reet droegen, hadden nu meestal fris geknipte koppies. Maar aan de andere kant bestond de jongste generatie punks; de generatie waar Scherf en ik ook bij hoorden, ook niet uit echte straatjongens. Wij waren over het algemeen Havoklanten en geen LTS’ers. Scherf studeerde zelfs op de Sociale Academie. Straatjochies hebben snel door dat je er niet een van hun soort bent. Ik was in ieder geval nog in een buurt opgegroeid waar het er vaak ook ruig aan toe ging. Waar je gebruikte injectienaalden en condooms aan de rand van de trapveldjes kon vinden en ’s avonds hoeren aan het cruisen waren. Waar straatschoffies met spijkers door hun schoenneuzen gingen voetballen en elkaars schenen tot een bloederige pulp trapten. Maar ik was, totdat ik op mijn 15e door het punkvirus werd besprongen, een studiebol geweest. Ik las liever boeken dan dat ik buiten mijn schenen op het spel ging zetten.

Maar behalve de veranderende samenstelling van de punkscene was er ook nog de opkomst van de Centrumpartij. Dat had de stemming in de wijk doen omslaan. En tot de rellen op 30 april 1980 was de Nederlandse bevolking over het algemeen positief gestemd over krakers. Iedereen had last van de woningnood en dat wij oude , in onbruik geraakte, panden bezetten vond men wel een goed idee. Maar die massale oproer op Koninginnedag 1980 had het imago van de krakers weinig goed gedaan. Toen de CP tegen de buitenlanders begon te ageren hadden de krakers duidelijk partij tegen het fascistoïde gedachtegoed genomen.  De straatjeugd was destijds nog roomblank;  buitenlandse jeugd had je nog niet. De gezinsherenigingen waren nog maar net op gang gekomen en het besef dat buitenlanders hier niet slechts tijdelijk zouden blijven, begon nog maar net door te dringen. Het gewauwel dat die buitenlanders de oorzaak van de grote werkloosheid waren ging er bij dit soort gasten in als koek.

Ik was in ieder geval opgelucht dat het allemaal wel mee leek te vallen en wilde eigenlijk liever meteen weer naar huis. Maar Scherf stond erop dat we bij het pand gingen aanbellen om te kijken of alles in orde was. Met zware tegenzin liep ik mee. Ik had het stervenskoud en verlangde naar mijn bed. Maar misschien hadden ze nog wat te drinken bij die gasten, en dit kon nooit lang duren.

We liepen het plein voor de zekerheid niet over, maar namen een omweg langs de huizen. De groep feestgangers op het plein was niet buitengewoon groot; ik schatte dat hij nog uit een mannetje of dertig bestond. Maar dat waren er nog altijd genoeg om voorzichtig te blijven. We liepen zo onopvallend mogelijk in de richting van het pand. Ik zag er nog steeds geen teken van leven. Regelmatig knalden er nog strijkers en ander zwaar vuurwerk op het plein en gingen er vuurpijlen de lucht in. Het was alsof elke knal op ons gericht was, en het leek een eeuwigheid te duren voordat we het pand eindelijk bereikt hadden. Ik keek nog even om naar het vuur en de feestgangers toen we eindelijk voor de deur stonden, terwijl Scherf de vier treden van het portiek op klom om aan te bellen. De situatie op het plein was niet veranderd. Door de gloed van het vuur zag ik de silhouetten van een stuk of tien stomdronken buurtbewoners die rotjes in het vuur aan het gooien waren onderwijl restjes champagne of bier rechtstreeks uit de fles drinkend.

Er hing een trekbel naast de deur; letterlijk. Een stuk touw van ongeveer een meter waar de trekknop nog aan hing. De bel was overduidelijk met veel geweld gesaboteerd want het touw hing er lam bij en er zat een gat naast de deur waar de stang van de bel ooit ingemetseld was geweest.. Er zat een grote brandvlek op de deur en er lagen overdreven veel rode papieren overblijfselen van rotjes op de stoep voor het pand. Er waren nog meer sporen van geweld op de voordeur van het pand aanwezig. Alsof iemand met een bijl de deur had bewerkt. Scherf probeerde of hij de bel nog kon laten rinkelen en dat lukte wonderwel; de bel zat nog aan het touw en was te groot om door het gat naast de deur naar buiten getrokken te worden. Ik hield intussen het plein in de gaten en opeens zag ik beweging; een hele hoop beweging. Een grote groep jongeren kwam joelend vanaf de eerste Pijnackerstraat het plein oprennen. Heel even dacht ik dat het plein door een rivaliserende bende werd aangevallen, maar die gasten werden met gejuich begroet. De meeste nieuwkomers sleepten kerstbomen met zich mee. “Kut; de kerstbomenjacht”, kreunde ik zachtjes.

Klik hier voor het derde en laatste deel

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek. Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Het ruwe materiaal van mijn boek beslaat nu ruim 100.000 woorden waarvan bijna de helft geschrapt moet worden. Schrappen is echter moeilijker dan schrijven….

Onderstaand verhaal komt in drie delen op mijn blog….

Oud en nieuw 1982

Ik had vanaf begin december het rijk alleen gekregen op de zolder. Scherf was dan eindelijk naar de een etage beneden verhuisd waar Peter en Marijke hadden gewoond. Die waren naar Delfshaven vertrokken, waar ze een zeefdrukkerij over hadden genomen. Het was best leuk geweest om de zolder te delen, maar na twee maanden op elkaars lip te hebben gezeten waren we allebei blij dat we wat meer ruimte voor onszelf hadden. Ik vond het vooral fijn dat ik de zolder nu naar eigen believen in kon gaan richten. Er was op de zolder geen plaats geweest voor mijn eigen spullen die voor het grootste gedeelte nog bij mijn ouders stonden, verspreid over twee adressen aangezien mijn ouders gescheiden waren. Bij mijn moeder stond mijn platencollectie, mijn pick-up en een geluidsinstallatie. In de kamer die ik in mijn moeders huis bewoonde lagen een soort rubberen noppentegels op de vloer. Die waren heel fijn omdat spuitbus verf er niet aan hechtte, maar  ze waren te zwaar om in de Braadworst twee trappen op te sjouwen. Ik zag mezelf op die kleine zolder, onder die schuine daken die het vloeroppervlak van de kamer nog kleiner maakte dan hij al was, ook niet vrolijk jassen en T-shirts staan spuiten. Daarbij lag er op mijn zolder al tapijt op de vloer, en dat was maar goed ook, want het was er al koud genoeg. In overleg met mijn moeder besloot ik de tegels bij haar te laten liggen totdat ik een grotere kamer in het pand kon krijgen of ergens anders ging wonen. En ik wilde me ook op andere technieken dan spuitmallen gaan richten.  Ik was erg onder de indruk van het vakmanschap van Peter geweest wat betreft zeefdrukken en ik had me ingeschreven voor een cursus zeefdrukken bij de SKVR. Met zeefdrukken kon je betere resultaten bereiken dan met spuiten. En bijkomend voordeel was dat je geen letters hoefde uit te snijden; daar was ik gewoon niet goed in. Secure werkjes zijn niks voor mij. Ik kan niet tegen priegelen.

De rest van mijn spullen stonden bij mijn vader. Het belangrijkste was mijn bandrecorder, een enorme Grundig waar je aparte sporen mee op kon nemen. Twee sporen slechts maar die kon je met behulp van een andere recorder weer samen voegen en zo kon je in principe eindeloos sporen toevoegen.  Ik had  helaas geen tweede recorder, maar ik kon wel opnames met stereobeeld maken. Op de zolder van het aangrenzende pand, waar Skoeter ooit gewoond had, zouden Scherf en ik een oefenruimte gaan bouwen. We zaten allebei in een band, overigens niet dezelfde, want ik speelde met Kikker, Gino en twee andere maten van school in een band die we Persona Non Grata hadden gedoopt. Persona Non Grata leek in het begin veel op de Rondos en Crass. Scherf was gitarist van Formaline K. Formaline K leek qua sound sterk op Discharge. Discharge was onze favoriete band. Waar Crass teksten van honderden regels voor nodig had kon Discharge het in 5 woorden: ‘free speech for the dumb’. Toen ik die Discharge LP grijs draaide op de kamer bij mijn moeder vroeg Paul, haar toenmalige vriend, eens naar die teringherrie die ik elke dag na thuiskomst van school zo loeihard draaide. Niet dat hij daar last van had, want ik draaide bij gebrek aan speakers met een koptelefoon op. Mijn speakers stonden bij mijn vader, want daar kon ik zo hard draaien als ik wilde. Maar ik had nogal de neiging om met de muziek mee te zingen. Vandaar dat hij vroeg wat ik nou zo staccato de hele dag aan het zingen was. Wel; free speech for the dumb dus. Hij lachte schamper en zei dat als punkers het vrije woord als iets voor de dommen beschouwden het een nog stommere beweging was dan hij al dacht. Ik liet hem maar in zijn waan. Die kut PvdA’er wist niet eens dat dumb stom betekent en niet dom. Het vrije woord voor de stommen.

Mijn moeder reed op een zaterdagmorgen door de besneeuwde stad, met mijn installatie in de achterbak van haar huis naar dat van mijn vader waar ik mijn bandrecorder en boxen ophaalde om daarna door te rijden naar de Braadworst. Ik werd bij mijn oude kamer bij mijn vader aangekomen even bedolven door droefenis. Dit was bijna 15 jaar mijn heiligdom geweest. De laatste drie jaar had de kamer een metamorfose ondergaan. Op mijn 12e werd ik gegrepen door het bouwmodellen virus. Mijn kamer werd een klein museum geweid aan de tweede wereldoorlog, met in alle hoeken diorama’s met bouwmodellen van tanks en soldaten die zo realistisch mogelijk geverfd en in een omgeving vol uitgebrande huizen en andere vernietiging neergezet waren. En  vliegtuigen in verschillende schalen, die aan het plafond aan touwtjes hingen. Op mijn 15e was dat alles plotsklaps voorbij want toen nam een nog sterker virus bezit van mijn hersenpan. Mijn kamer veranderde daarop in een museum voor het pamflettisme. De bouwmodellen maakten plaats voor  posters tegen oorlog en fascisme. Die posters waren nu allemaal netjes door mijn vader van de muur verwijderd en stonden op de gang in een grote tekenmap; klaar om verhuisd te worden. Mijn bandrecorder en  boxen stonden erbij en drie dozen vol kleding. De kamer was een paar weken eerder door de dochter van mijn vaders nieuwe vrouw ingepikt. Verder dan een blik om de deur kwam ik niet. Een golf van gal spoelde door mijn mond door de aanblik van wat eens mijn kamer was geweest. Mijn kamer; de plaats die me 15 jaar lang rust en een veilige plek had geboden, waar mijn ouders vanaf mijn 10e geen voet meer binnen hadden mogen zetten, waar ik voodoo rituelen uitgevoerd had op poppetjes die leraren en vijandelijk gezinde medeleerlingen moesten voorstellen, waar ik voor het eerst never mind the bollocks en disturbing domestic peace had beluisterd, waar ik voor de eerste keer met een vriendinnetje had gevreeën, waar ik voor het eerst mijn haar en T-shirts had geverfd. Die kamer hing nu vol met posters van Coca Cola. Ik heb nooit een ergere heiligschennis moeten aanschouwen. Het was alsof de muren met me mee moesten huilen.

Op mijn geluidsinstallatie na had ik voor de rest eigenlijk niet veel. Ik nam een matras, een dekbed, een kussen en mijn kleding mee. Scherf had een butagaskachel en een gasstel achtergelaten en mijn moeder gaf me nog wat oude pannen en serviesgoed; belachelijk veel serviesgoed. Alsof ik op mijn zolder dinertjes voor 6 personen zou gaan geven.

Wat ik voor de rest nog nodig had zou ik nog wel op straat vinden. Wanneer je in het voorjaar door de wat chiquere delen van de stad reed kon je op straat in een dag een complete huisraad bij elkaar scharrelen. Dan vond traditioneel de voorjaarschoonmaak plaats en werd alle huisraad die niet meer voldeed aan het heersende modebeeld aan de vuilnisman meegegeven. Het was een kwestie van met een bakfiets door Kralingen en Hillegersberg cruisen en dan kon je alles van je gading inladen.  Destijds werden er vooral van die jaren zeventig meubelen weggegooid; vooral bruine bankstellen, die uit grote kussens bestonden en die je tot een bed uit kon klappen, waren nu niet meer populair. Het was alleen zaak om eerst goed aan ze te ruiken en te checken of ze niet onder de katten of hondenpis zaten. Als ik de kat van een stel kakkers was geweest had ik van weeromstuit ook de hele zooi ondergezeken. De mensen van de absurde overvloed. Je kon ruimschoots van hun restjes leven.

Het half jaar dat ik had moeten wachten voordat mijn uitkering in ging was ook eindelijk voorbij. Ik hoefde nu niet meer te leven van de bijdrage die mijn ouders aan me gaven; ik had sinds begin september, toen ik bij Scherf introk, maar 200 gulden per maand te besteden gehad. Omdat ik samen met Scherf had gewoond en we alle kosten hadden gedeeld was ik daar net mee uitgekomen. En nee; het idee om een baan te gaan zoeken was geen moment bij me opgekomen. Ik was 18 jaar slaaf van het schoolsysteem geweest. No more! Ik had me voorgenomen nooit en te nimmer voor een baas gaan werken. Ik had niet zozeer een probleem met werken, hoor. Maar wel met bazen. Fuck ‘m. Ik vertikte het om ergens vakken te gaan vullen. Er waren miljoenen jongeren op zoek naar een baan; welke baan dan ook. Anderen waren misschien blij met wat voor baan dan ook. Ik niet. Ik wist dat ik zonder kon, overleven was makkelijk als je al die consumptietroep links liet liggen. Wat je nodig had kon je gratis vinden of heel goedkoop aanschaffen. Kleding, huisvesting en meubels kon je met wat improvisatietalent bij elkaar scharrelen.  Het enige twee zaken die je moest kopen was voedsel voor het lijf; dat haalde je bij de supermarkt. En voedsel voor het brein; dat haalde je bij Haddock (legendarische platenzaak op de van Oldenbarneveldstraat) en de dealer om de hoek.

Scherf betaalde, net als iedereen in de vier naast elkaar gelegen kraakpanden, voor de stroom. Dat kostte niet veel; er woonden zoveel mensen in de panden die de rekeningen samen deelden dat we 25 gulden per persoon kwijt waren.  Er zat geen gasaansluiting op de zolder. Dat betekende dat ik butagas moest stoken en om de twee weken naar de Bergweg moest om een nieuwe gasfles te scoren. De lege fles wegbrengen was nog te doen, maar een volle fles was echt loodzwaar. Met die fles in je klauwen kon je hooguit twintig passen maken voordat je bijna door je rug ging en hem neer moest zetten. Het voelde ook net alsof je met een vliegtuigbom van 50 kilo door de straat aan het sjouwen was. Het idee dat de inhoud van de fles ontplofbaar was maakte dat karweitje nog onaangenamer. Maar zonder verwarming was die zolder onleefbaar. Met die butagaskachel was het trouwens ook al nauwelijks te doen. Soms zat ik met een deken om de kachel geslagen warm te worden. Uit bed komen was in de wintermaanden een enorme opgave. Ik kon vanuit mijn bed door een smalle spleet vlak boven de dakgoot naar buiten kijken en zag ijspegels hangen. Het gekke was dat ik dat alles toen gewoon accepteerde. Het huis zou sowieso binnen een jaar of twee afgebroken worden, maar dat had me dat er niet van moeten weerhouden om provisorische verbeteringen aan te brengen. Maar in het begin was alles gewoon spannend en kwam het niet eens in je op om iets tegen de elementen uit te voeren. Het was juist een uitdaging om alle nieuwe ontberingen op je pad het hoofd proberen te bieden. Je had toch geen geld, en wat je had ging op aan belangrijkere zaken.

Het eerste wat ik van mijn eerste uitkering aanschafte was een TV. Ik kreeg vanaf nu 685 gulden per maand van de soos. Ik kocht voor 100 gulden een tweedehands kleurenbak bij Corrupt; die zaak heette eigenlijk Correct, maar niemand noemde het zo. Mijn vader had nooit een kleuren TV gehad, maar die had dan ook meer principes dan ik. De TV was bijna even zwaar als een gasfles en had geen handvatten. Ik was rechtstreeks vanaf de sociale dienst waar ik een voorschot van 250 gulden had gekregen naar Corrupt gelopen en had er niet bij stilgestaan dat die driehonderd meter die ik met die TV in mijn klauwen naar huis moest lopen zo’n opgave zou zijn. Dat ding was dan ook enorm. Hij was bijna een meter in het vierkant en gleed na ongeveer vijf passen al bijna uit mijn handen. Ik kreeg opeens spijt dat ik niet op het aanbod de TV thuis te laten bezorgen was ingegaan. Vijfentwintig gulden bezorgkosten vond ik wat overdreven voor die driehonderd meter, maar als die TV uit mijn handen zou pleuren zou ik voor niks 100 gulden hebben uitgegeven. Er zat geen garantie op die tweedehands spullen bij Corrupt. Gelukkig kwamen er een paar punks uit het pand op het Pijnackerplein aanlopen die de TV van me overnamen en hem tot in mijn kamer sjouwden. Ik voelde me een beetje opgelaten omdat ik zelf niet meer hoefde te tillen. Maar ze waren met zijn vieren en namen twee aan twee beurtelings de TV over. Ze sloegen zelfs mijn aanbod af om wat bier te gaan kopen en vertrokken meteen. Vriendelijke lui. Typische jonge punks die, net als ik, net bij hun ouders weg waren. The new breed. Ik nam me voor ze snel eens in hun pand op te gaan zoeken.

Lees deel 2 hier

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Hier deel 4 van een verslag van een reis naar Groningen in 1982

GRONINGEN DEEL 4

Tot onze verrassing kregen Gino en ik allebei de vijf gulden die we voor onze overnachting in de sleep-in hadden betaald terug van de beheerder. Als dank voor het sussen van de vechtpartij. ‘Hebben we mooi dat tientje dat het varkentje van je had gejat weer terug’ zei ik tegen Gino. Hij ging er niet op in.

Vanavond was het optreden van Pigbag in Vera maar het was nog vroeg en we hadden de hele dag nog voor ons. Het was heerlijk weer en ik was lui en had het liefst de hele dag ergens in de zon doorgebracht. Maar Gino en ik waren het erover eens dat een tweede nacht in de sleep-in geen optie was, al was het alleen maar omdat we uiterlijk om 12 uur in de sleep-in moesten zijn. De sleep-in sloot op zondag al om middernacht en wij hadden ons verheugd op een lange nacht na het optreden van Pigbag. Daarbij zou het best kunnen dat het optreden om 12 uur nog niet eens voorbij zou zijn. (Toentertijd was er nog geen sprake van concerten die al om 11 uur afgelopen waren zoals tegenwoordig.) We moesten dus allereerst slaapplaats voor de komende nacht vinden. Gino stond erop dat we onderweg naar de lockers op het station langs Vera zouden lopen. Ik zag daar het nut niet van in, maar hij hield voet bij stuk dus stonden we een kwartier later weer voor de deur van het bekendste Groningse podium. Er kwam net een vrouw van een jaar of dertig de deur van Vera uit. Ze sprak ons aan en toen ze hoorde dat we uit Rotterdam kwamen bood ze ons meteen een slaapplaats aan in het kraakpand waar ze woonde. Ik keek Gino even vol ongeloof aan, maar hij grijnsde en haalde zijn schouders op alsof hij wilde zeggen dat hij er ook niks aan kon doen dat hij altijd van die goede ingevingen had. Daarna liepen we onze nieuwe beschermvrouwe achterna.

Het kraakpand lag nog geen drie straten verder en we kregen een volledig gemeubileerde kamer met een groot twee persoons-bed ter beschikking. De bewoners van die kamer was een stel dat momenteel op vakantie was. Het pand bestond uit drie huizen waarvan de krakers de tussenmuren hadden doorgebroken. Zo hadden ze genoeg ruimte geschapen om een woongroep van 12 man te huisvesten. Er was een grote gezamenlijke keuken en woonkamer. Daarnaast waren er negen kamers die door drie stellen en zes singles bewoond werden. Het pand was goed onderhouden en schoon. We zagen nergens graffiti of punkposters. Blijkbaar woonden er geen punks in dit pand. De meeste bewoners waren, zoals het stel van onze kamer, op vakantie en behalve onze gastvrouw was er niemand te bekennen.

We waren nogal beduusd door de gastvrijheid van deze kraakster, die Lillian heette. Dat ze twee volslagen onbekende punkers in huis nam en ook nog eens in een kamer, die niet eens van haar was, liet overnachten was wel héél aardig. Het was even wennen. Lillian was de eerste Groningse die ons tof behandelde. Lillian was absoluut geen punk, maar ook geen hippie. Ze leek ook niet het prototype van een actievoerster. Een actievoerster had ons waarschijnlijk eerst aan een verhoor over onze visie op de samenleving onderworpen. Lillian was een goede ziel en blijkbaar zei haar intuïtie dat Gino en ik O.K. waren. Maar helemaal stabiel leek ze me niet, en haar medebewoners dachten daar blijkbaar hetzelfde over. Toen we even later in de keuken aan de thee zaten kwam er een medebewoner thuis die zich voorstelde als Tobias en de vriend van Lillian bleek te zijn. Hij nam Lillian mee naar de woonkamer en we hoorden hem verwijten maken over hoe naïef ze was om zomaar twee punkers van de straat op te pikken en een kamer toe te wijzen waar ze helemaal geen zeggenschap over had. Twee punkers die ook nog uit Rotterdam kwamen. Alweer was onze woonplaats een probleem. Ik nam me voor toch eens door te vragen wat de mensen hier nou allemaal tegen Rotterdam hadden.

Gino en ik beseften dat onze slaapplaats op de tocht stond en dat we Tobias van onze goede bedoelingen moesten overtuigen. Zonder daar verder een woord over vuil te maken nam Gino het initiatief en liep naar de woonkamer. Ik liep hem maar achterna. Nadat we Tobias confronteerden met zijn wantrouwen naar ons toe en ik aanbood om de kascheque van de giro die ik in geval van financiële noodgevallen bij me had bij hem in bewaring te geven, ging hij snel overstag. Al was het duidelijk met tegenzin. De kascheque afgeven was niet nodig. Exit Tobias. Lillian maakte aanstalten om Tobias te volgen naar de kamer van het pand die ze als stel deelden. Maar niet zonder ons de sleutels van de voordeur van het pand te geven. Alweer waren we stomverbaasd over het volledige vertrouwen van deze kraakster. Geen haar op ons hoofd die eraan dacht misbruik van deze gastvrijheid te maken. Dat was iets dat we sowieso nooit zouden doen. Gino en ik waren geen chaospunkers, junkies of anderszins idioot.

Pas toen we weer door de zonovergoten straten van Groningen liepen bedacht ik me dat ik alsnog vergeten was te vragen wat de mensen hier nou zo tegen Rotterdam hadden. Ik liet het er maar bij. Ik was al blij dat we eindelijk een slaapplaats gevonden hadden.

Het optreden van Pigbag die avond was best nog te doen. De hele zaal was aan het hossen op de instrumentale wereldmuziek. Zelfs ik deed even mee. Het viel me wel op dat Gino er niet helemaal met zijn hoofd bij was. Hij was duidelijk op zoek naar Bulldog girl maar die was deze avond in geen velden of wegen te bekennen. Die gast ging dus speciaal naar Groningen om een band te zien waar hij helemaal fan van was, om op het moment suprême de verliefde paljas uit te gaan hangen. Nu moest ik eigenlijk niks zeggen. De belangrijkste reden dat ik mijn best niet wilde doen om hier meiden te gaan versieren was omdat ik de scherven van mijn hart nog bij elkaar aan het zoeken was na Anouk.

Die nacht sliepen we voor het eerst echt goed in het tweepersoonsbed in het kraakpand. En lang ook want het was al over twee uur voordat we eruit kwamen. We zaten daarna een paar uur aan de koffie in de keuken van het verder uitgestorven pand. Lillian werkte als vrijwilligster op het kantoor van Vera en Tobias had misschien ook wel werk. Ik moest Gino ervan weerhouden om door het hele huis te gaan snuffelen want dat was een tic van hem. Hij was altijd erg nieuwsgierig naar wat mensen aan mooie spulletjes hadden. Zoals al gezegd zou hij nooit wat stelen, maar snuffelen was ook niet netjes. De koffievoorraad van het pand was na de zes koppen die wij beiden dronken wel al behoorlijk geslonken. We namen ons voor die middag als compensatie een pak koffie voor Lillian te kopen. De platenverzameling in de woonkamer moest natuurlijk wel even doorgelopen worden. Maar er stond op de ‘geef voor New Wave’ LP, die we allebei allang hadden en eentje van the Stranglers na, geen punk tussen. Dus verloor ik al snel mijn belangstelling.

We liepen de stad in, maar het was maandag. De winkels die dingen verkochten die wij leuk vonden, zoals platen en punkkleding, waren allemaal dicht. Ook in Groningen was maandag een saaie dag al was in de zon zitten met een joint wel een goed idee. Maar we wisten niet waar we wat te blowen konden halen. We hadden die ochtend ook niet de kans gehad om het adres van een hasjdealer aan Lillian te vragen. En ik had geen zin in bier. De rest van de dag gebeurde er helemaal niks. We kwamen in de stad geen punks tegen. En verder liet iedereen ons met rust. Niemand bood ons hasj of andere drugs te koop aan en niemand schold ons uit.

De dag daarop gingen we langs een platenzaak die een ruime bak punk LP’s en singles had staan. Het meeste spul was bekend en konden we in Rotterdam ook bij Backstreet records kopen. Het had geen zin om die platen hier te kopen en mee naar Rotterdam te sjouwen. Ik probeerde mijn tapes met tamelijk obscure punk die ik bij Vincent had opgenomen en daarna zelf had door gekopieerd te ruilen tegen demo’s van lokale Groningse bands. Maar de uitbater van de platenzaak had geen interesse; die wilde cash zien. Dus begon ik de adressen die op de Groningse tapes stonden te noteren zodat ik zelf contact met die bands op kon nemen om alsnog wat te ruilen. Ik had vier adressen opgeschreven toen de uitbater zag wat ik deed en me sommeerde te stoppen met hoesjes uit tapes te halen en te beduimelen. Even later stonden we hem op straat uit te schelden. Wat een pleurishond was die vent; hij was alleen bezig geld te verdienen. Die nacht ging ik gewapend met mijn spuitbus langs de platenzaak en spoot in zo groot mogelijke letters KOOP HIER VERSE KOMKOMMERS op de etalageruit.

Op woensdag was er wat in Simplon te doen. Simplon was naast Vera de tweede plek in Groningen waar regelmatig punkoptredens plaatsvonden. Helaas was dat die dag niet het geval omdat Mathilde Santink zou optreden, (boring!). Maar het was beter dan niets en het leuke was dat Simplon als jongerencentrum al vanaf 3 uur open was. Een uitstekende plek om eindelijk contact met wat Groningse punks te leggen want dat werd na bijna vijf dagen Groningen toch wel hoog tijd.

Simplon bestond uit een grote zaal op de begane grond, en een café met daarnaast een kleine zaal op de eerste verdieping. De grote zaal was die dag gesloten maar het café zag er goed uit.Al was er om 3 uur natuurlijk nog niet veel volk. Gino en ik dronken een biertje aan de bar. Daarna verdween Gino naar het toilet om te schijten. Hem kennende wist ik dat het wel een tijdje zou duren voordat hij daarmee klaar was. Het café was helemaal leeg totdat een grote skinhead samen met een punk, die ook behoorlijk groot was, aan weerszijden van mij aan de bar plaats namen. Het was duidelijk dat ze niet naar gezelligheid op zoek waren. Daarvoor gingen ze net iets te dicht op me zitten. De skinhead bestelde bier. Terwijl ik keek hoe de barman hun twee biertjes tapten voelde ik de punkers met zijn handen over de met studs bezette schouder van mijn leren jas gaan. Als door een wesp gestoken draaide ik me naar hem om. Ik had echt een tyfushekel aan door vreemden aangeraakt te worden. Ik keek hem aan en hij grijnsde provocerend naar me. Die gast was echt te groot om ruzie me te krijgen, en het feit dat zijn maat me aan de andere kant ingesloten had hielp natuurlijk ook niet mee. De skinhead achter me schraapte zijn keel om mijn aandacht op hem te vestigen. Ik draaide me op en hij tikte met twee vingers mijn hanenkam aan. Die had ik die ochtend, met eiwit en een föhn uit het kraakpand, weer eens goed rechtop gezet. ‘Daar houden wij dus niet zo van’ zei hij dreigend. ‘Waarvan bedoel je’, vroeg ik schaapachtig. ‘Hiervan’, zei hij en tikte de kam weer aan. ‘Pech voor je’, zei ik en wilde me van de bar afwenden om tussen de twee bullies uit te komen. Helaas was de grote punker, achter me, me voor. Hij pakte me bij mijn hanenkam, trok mijn hoofd naar achteren terwijl hij mijn rechterarm in een ijzeren greep nam. De skinhead boog zijn gezicht naar me toe en vroeg de obligate eerste vraag: ‘waar kom je vandaan?’ En alweer maakte het antwoord niet het beste in deze Groningers los. De skinhead pakte me met zijn linkerhand bij de revers van mijn leren jas terwijl hij zijn rechterhand naar achteren trok; hij was duidelijk van plan om me een flinke oplawaai te geven. Maar die linkerhand was een fatale vergissing omdat ik op strategische plekken twee scheermesjes achter mijn revers had bevestigd. Als je er niet van houdt om beetgepakt te worden moet je daar iets op verzinnen, nietwaar? Achteraf was deze maatregel wellicht iets té effectief. Verbaasd keek de skinhead naar zijn bloedende vingers. Ik voelde dat de greep van de punker achter me verslapte en maakte daar gebruik van door me los te rukken en het café uit te lopen. Ik hoorde de woedende skinhead roepen dat hij nog niet met me klaar was, maar voorlopig waren die twee nog wel even bezig met bloed stelpen.

Ik vond Gino in de hal in gesprek met twee punkmeisjes en vertelde in het voorbijgaan wat er in het café was gebeurd. De meisjes kenden die skinhead wel. Hij heette ‘Van Gal’ en ze zeiden dat hij best OK was. Zijn bijnaam klonk in ieder geval passend. Het was zaak het pad te verlaten voordat ik die twee beulen op mijn nek kreeg. Een van de meisjes was vrijwilligster in Simplon en dirigeerde ons naar de backstage waar we konden wachten totdat van Van Gal en zijn kompaan vertrokken waren. Ik had niet het idee dat de wond echt ernstig was;  het bloed spoot er er niet uit, dus was er gen ader geraakt. Maar met een beetje geluk zouden die twee Gorilla’s wel even langs de eerste hulp open, zodat ik er veilig vandoor kon. Een paar minuten later gingen Gino en het meisje even poolshoogte nemen en kwamen terug met het bericht dat de mensapen inderdaad beiden uit het pand vertrokken waren.

Het meisje vertelde dat Van Gal een hardcore FC Groningen supporter was. Daardoor ging ik er andermaal vanuit dat de onvriendelijke behandeling met voetbal te maken had. We kwamen die Gorilla’s de rest van onze tijd in Groningen op miraculeuze wijze niet meer tegen.

Ik kreeg een aantal reacties op mijn vorige column over de bezuinigingsplannen van Halve Zoolstra. De meeste waren positief, maar er zaten er ook bij die met hapklare VVD propaganda doorspekt waren. Vrije markt mantra’s dat ‘het allemaal wel wat minder kan met die cultuursubsidies’, waarin wordt beweerd dat met minder subsidies het eigen initiatief vanuit de sector gestimuleerd zou worden en dat de bezuinigingen een Blessing in disguise zouden zijn. Als je in deze beweringen mee gaat zie je een belangrijk detail over het hoofd: de markt in Nederland is helemaal niet vrij.

Laat ik me voor de overzichtelijkheid beperken tot de poppodia; de sector waarmee ik zelf de meeste ervaring heb.

Het is mogelijk een poppodium zonder subsidie draaiende te houden. In theorie dan, want in de praktijk valt dat een beetje tegen. Een woud van de regelgeving blokkeert de weg.

Als deze regering poppodia zonder subsidie wil laten draaien mogen ze beginnen met het kraakverbod af te schaffen. Dat geeft kansen aan initiatieven van mensen die geen enorme bedragen kunnen investeren. Als het kraakverbod niet had bestaan hadden mijn vrienden en ik al begin dit jaar een beoogde locatie voor een nieuw poppodium in gebruik kunnen nemen. Een locatie waarover we nu met projectontwikkelaars moeten onderhandelen en waarvoor we een bedrag van ongeveer 2 miljoen bij elkaar moeten zien te krijgen. En dat wordt natuurlijk erg moeilijk; zeker in een stad als Rotterdam die met het WATT debacle geen goede beurt heeft gemaakt richting private investeerders in de cultuur.

Huisvesting is de grootste uitgave voor een poppodium, zeker als het een nieuw pand betreft dat helemaal volgens de regels is opgetuigd.

Om te beginnen heb je de regels t.a.v. de beperking van geluidsoverlast. Dit maakt het opstarten van een podium op een bestaande locatie meteen een stuk moeilijker. Watt ging eraan kapot; daar werd over het hoofd gezien dat het hypermodern, duurzame airco systeem dat in de zaal werd geplaatst geluidsoverlast veroorzaakte omdat de buizen van het systeem het geluid dat uit het gebouw lekte bleken te versterken. (dat was tenminste de officiële lezing)

En vergeet niet dat er, zeker in een stad als Rotterdam, altijd zeikerds in de buurt wonen die hoe dan ook gaan klagen. Want ook al is de zaal zo goed geïsoleerd dat het geluid van optredende bands nergens naar buiten lekt, dan nog blijf je met het probleem van luidruchtig publiek dat ook buiten het pand, wellicht in dronken toestand, lawaai maakt. Dat probleem kan je oplossen door keiharde repressie in te zetten en de straat zwart van de security en blauw van de agenten te laten zien, maar dat kost wat centen, en de sfeer wordt er ook niet beter op.

Een eenvoudigere en meer effectieve oplossing is in de stad uitgaansgebieden aan te wijzen en mensen die gesteld zijn op hun nachtrust ervan te weerhouden zich in dat betreffende gebied te vestigen. Klagende bewoners die al in dit gebied gehuisvest zijn zouden dan een vervangende woning aangeboden moeten krijgen in een rustige randgemeente.

En het allerlaatste wat je als gemeente moet doen is de binnenstad volgooien met yuppenappartementen. Mensen die tonnen voor een woning uitgeven hebben nu eenmaal de neiging over alles te gaan klagen wat de waarde van hun huis omlaag brengt en het woongenot ook maar enigszins aantast.

Maar daarmee ben je er nog niet, want er zijn een boel, door het rijk opgestelde, richtlijnen op het gebied van personeelsbeleid waaraan een zaal moet voldoen.

De Arbo-wet zou afgeschaft moeten worden, want daar staan een boel dure bepalingen in. Je lichtmensen mogen bijvoorbeeld echt niet op een ladder gaan staan om licht in te hangen; daar moet je loopsteigers voor aanschaffen. Zware apparatuur mag je niet zomaar optillen, daar moeten liften voor aangeschaft worden. Etc, etc. Al met al zijn dit regels die vaak ver doorgeschoten zijn, en er m.i. alleen zijn gekomen om te zorgen dat de verzekeringsmaatschappijen minder risico lopen op uitbetaling van binnengekomen premiegelden.

Maar eerlijk is eerlijk; de Arbo-wet behoed je werknemers in veel gevallen voor de WAO. Zonder deze wet was ondergetekende bijvoorbeeld echt stokdoof geworden, want mijn werkgevers vertikten het oordoppen voor het personeel aan te schaffen totdat ze ertoe verplicht werden.

Als ik zie hoe de aanvoer van zware apparatuur in nieuwe zalen als het Paard van Troje in Den Haag tegenwoordig geregeld is (met liften van de ondergrondse garage die rechtstreeks op het podium uitkomen), en ik denk terug aan de trappen die we vroeger in Nighttown moesten nemen met hele mengtafels op onze bult, dan ben ik best wel een beetje trots op het innovatie vermogen in dit landje. Ik heb menig Amerikaanse roadie compleet ‘in awe’ gezien toen ze dat systeem voor het eerst zagen. Made in Holland dude…

Maar in theorie is dat dus allemaal niet nodig, dus strepen we de verworvenheden van die Arbo-wet rücksichtslos weg.

foto: Daniel Baggerman


Een grote slag kan je als zaal slaan door niet met een brouwer in zee te gaan maar je bier gewoon bij de supermarkt in te kopen. Het is echt te bezopen voor woorden, maar bier is in de supermarkt goedkoper dan wanneer je het via een brouwer als Heineken of Inbev inkoopt. Nu is bier via de supermarkt kopen met het doel het weer te verkopen officieel niet toegestaan, maar in theorie zou jouw zaal dus veel goedkoper uit kunnen zijn. Daarbij wordt hier een probleem aangestipt waarover de horeca in Nederland al jaren steen en been klaagt. Uitgaan in Nederland wordt al jaren ontmoedigd door de hoge prijzen van drank in de horeca. Ik moet eerlijk bekennen dat ik al jaren bij concerten helemaal niets meer drink, tenzij ik gratis drank krijg van bevriende uitbaters of bands van wie ik optredens bezoek.

Als de huisvesting en de drankleveranties zijn geregeld is het zaak om de interne organisatie op een andere dan gangbare manier op te zetten.

Personeel

Het is voor een poppodium in theorie niet nodig om professionals in te zetten, al is het in de praktijk wel zo handig. Om te beginnen heeft een zaal een goede geluidsman/vrouw nodig. Die zijn gratis moeilijk te vinden. Je kunt natuurlijk een Pipo achter de geluidstafel zetten die alleen de volumeknoppen weet te vinden, maar daar doe je de optredende bands en vooral je publiek geen plezier mee. Een vaste geluidsman die weet hoe hij een goed geluid kan neerzetten is eigenlijk onontbeerlijk. Maar het moet op zijn goedkoopst, dus zetten we een amateur achter de mengtafel. En nu maar hopen dat deze persoon trouw bij elk georganiseerd optreden blijft komen, ook nadat hij/zij een paar keer bijna is gelyncht vanwege aanhoudende feedback.

Verder moet er iemand achter de bar staan die de benodigde papieren heeft en genoeg verantwoordelijkheidsgevoel bezit om de kas kloppend te houden. Om het goedkoop te houden wordt dat dus ook een vrijwilligers, maar omdat de belasting ook nog poen wil zien wordt de administratie wel erg ingewikkeld. Daarnaast zal je het geluk moeten hebben om iemand te vinden die in zijn taak kan en wil groeien, en dus jarenlang met behoud van uitkering voor je zaal gaat werken. Dat terwijl hij/zij wél in bezit moet zijn van het sociale hygiëne certificaat. Helaas zullen het UWV en/of de Sociale Dienst roet in het eten gaan gooien zodra ze achter deze constructie komen, want werken met behoud van uitkering, en ook Melkert banen bestaan niet meer. Maar nogmaals; we proberen hier puur theoretisch de goedkoopste weg te bewandelen.

Bands en personeel zwart uit betalen is nog een manier om je kosten te beperken. Uiteraard is dat een doodlopende weg, maar poppodia zijn sowieso geen lang leven beschoren, dus jouw tijd duurt het wel. Bij Nighttown duurde het jaren voordat de belastingdienst onraad rook toen deze zaal niet genoeg premies afdroeg.

Maar we zijn er nog niet want ook de programmering komt niet vanzelf tot stand. Als de zaal een goed programma wil hebben waar ook daadwerkelijk publiek op af komt zal er een programmeur in dienst genomen moeten worden. Ook dit kun je in theorie door een vrijwilliger laten doen. Maar als je ziet hoe slecht zaaltjes draaien waar vrijwilligers verantwoordelijk zijn voor het programma kom je hier wel van terug.

Je kunt ook alleen bands programmeren die gratis of voor een gedeelte van het entreegeld komen optreden, maar als je zaal minstens 2x per week vol genoeg moet staan om via de baromzet voldoende geld om de vaste lasten te betalen binnen te krijgen, wordt dat een onmogelijke opdracht. Net begonnen bands trekken over het algemeen alleen bij hun eerste optreden genoeg volk, want dan komt namelijk de hele vrienden en familie schare kijken. Maar die komen dan ook echt maar één keer want familieleden en vrienden zijn over het algemeen wat anders dan fans.

Er is ook nog een midden segment van bands die al een klein beetje naam hebben gemaakt, maar nog geen honderden euro’s voor een optreden vragen. Er is op zich genoeg interesse bij het publiek om dergelijke bands eens te komen bekijken, maar niet als de entree prijs hoger dan een paar euro is omdat er nog andere lasten dan alleen de gage van de band uitgehaald moeten worden.

Er moet dus budget zijn om publiekstrekkers binnen te halen. Een slimme programmeur maakt deals met bands en boekingskantoren die ervoor zorgen dat de zaal door de kaartverkoop aan de deur quitte raakt met de gages voor de bands. De prijzen van publiekstrekkers rijzen tegenwoordig echter de pan uit.

Vroeger kochten mensen massaal geluidsdragers en was een artiest alleen op tour om de verkoop van zijn platen en CD’s te bevorderen. Tegenwoordig is het kaartje wat je voor een optreden koopt 3 tot 10x duurder dan een geluiddrager ooit was omdat de markt voor geluidsdragers is ingestort en artiesten van optredens moeten leven. Daarnaast heeft Live Nation (waar Mojo een dochteronderneming van is) de prijzen die bands vragen ook nog eens kunstmatig opgeklopt door grote acts absurd hoge bedragen te bieden.

Sterker nog; een zaal als Ro-Town die topacts boekt legt tegenwoordig zelfs op uitverkochte concerten geld toe, omdat hun zaal eigenlijk een maatje te klein is. En dat kunnen ze alleen doen omdat de Gemeente Rotterdam dit podium jaarlijks wel een erg grote zak subsidie geeft. En ja, uitkijken naar een wat grotere locatie, de entreeprijzen drastisch omhoog gooien of anders wat minder subsidie geven lijkt mij in dit geval wel een verstandige optie.

En tenslotte hebben we dan nog de publiciteit en marketing die moeten zorgen dat het potentieel publiek op de hoogte is wat er komt optreden. Je kunt de hele afdeling op twee vrijwilligers laten lopen die wekelijks een paar gefotokopieerde flyers in de kroegen om de hoek neerleggen maar dan komt die zaal zelden vol.

Je moet eigenlijk posters laten maken en het liefst posters die een beetje opvallen en daarvoor moet je een goede ontwerper hebben, en die zijn meestal niet echt duur, maar ook niet gratis.

Verder moeten die posters nog verspreid worden. Dat kan je ook door vrijwilligers laten doen, maar je zal, als je een beetje effectieve promotie wilt voeren, toch echt gebruik moeten maken van een gespecialiseerd bedrijf. Een bedrijf dat gebruikt maakt van posters in vaste frames waar andere plakkers niet overheen mogen plakken. Als je tenminste langer dan een dag je posters in het zicht opgehangen wil zien. De meeste posters worden binnen een paar uur door anderen overgeplakt, bij gebrek aan ruimte op de muren in kroegen en aan vrije plakplaatsen.

Weet je wat; we schrappen de promotie en we doen alleen een aankondiging via de sociale media in de hoop dat je uitnodigingen tussen de duizenden anderen opvallen en er zonder grote naam in het programma, zonder aansprekend poster/flyer ontwerp, en met een veel te hoge entreeprijs, toch nog een paar mensen zo gek zullen zijn om naar de door jouw zaal georganiseerde optredens te komen.

Er zijn genoeg kroegen waar met veel succes bands optreden, maar die overtreden bijna allemaal de regels voor geluidsoverlast, nooduitgangen, publieksaantallen en soms zelfs belastingwetten en zijn daardoor eigenlijk afhankelijk van een vreemd soort gedoogbeleid.

Is het kwartje intussen gevallen?

Legaal een zaal runnen zonder subsidie wordt onmogelijk gemaakt en het lijkt me heel sterk dat onze Halve Zoolstra daar wat tegen gaat doen.

Marktwerking is opeens niet meer zo heilig bij de heren politici als het leidt naar een vrolijke vorm van Anarchie.

Deze column werd onder de titel ‘tussen droom en concertzaal’ op 14 juli ook op Kindamuzik gepubliceerd.

%d bloggers liken dit: