Navigatie overslaan

Tag Archives: krakers

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

pijnackerplein 1982

Oud en Nieuw 1982

Wat hieraan vooraf ging lees je hier

Scherf stond intussen als een bezetene aan het beltouw te trekken in de hoop dat de bewoners hem zouden horen.  Ik wilde hem waarschuwen dat we beter als de sodemieter weg konden wezen voordat het vuur verder ging oplaaien. We stonden nu nog in de schaduw, maar dat ging niet lang meer duren; naarmate er meer bomen op het vuur geworpen werden zag je het licht verder in onze richting opkruipen. Toen gebeurden er vlak achter elkaar drie dingen: op hetzelfde moment dat ik Scherf bereikt had, met het idee hem de dichtstbijzijnde zijstraat in te sleuren, hoorde ik een meisje in het pand krijsen. Er werd een barricade voor het raam op de eerste verdieping weggetrokken, het raam werd geopend waarin een hysterisch gillende kraakster verscheen. ‘Laat ons met rust, kankerlijers’, brulde ze naar buiten. ‘Genoeg!!!’ Heel even leek het alsof alle geluid op het plein verstomde. De atmosfeer leek te verdikken en ik zag alle beweging tot een slow-motion vertragen. Het licht dat door het vreugdevuur werd verspreid laaide op. Het werd zo helder dat de gevel van het kraakpand net zo goed door een krachtige schijnwerper bestraald had kunnen worden. Scherf en ik stonden in het volle licht in het portiek van het pand; als ratten in de val. De silhouetten van de Pijnackerbende staken af tegen de gloed van het vuur. Het waren er echt geen stuk of dertig meer. De meute was aangegroeid tot wel honderd man en ze keken allemaal in onze richting. Omdat die hysterische trut, door het bijna even hysterische aanbellen van Scherf, zo nodig in een flip moest raken waren we nu de pineut. Er was maar één weg hieruit en dat was naar binnen. Maar de bewoners van het kraakpand zouden ons nooit binnenlaten zolang ze niet hadden gezien dat wij het waren. Ik zag de horden langzaam onze richting uit komen; het was nu of nooit. Scherf en ik dachten blijkbaar precies hetzelfde en we sprongen het portiek uit. Net op tijd, want de hysterica werd al door een medebewoner uit het raamgat naar binnen getrokken terwijl een ander het raam begon te sluiten. ‘Laat ons erin’, schreeuwde Scherf en ik keek dat de kraker aan het raam nog net in zijn gezicht voordat het raam sloot en de barricades er weer voor werden geplaatst. Alle vluchtwegen waren intussen door de groep pleiners versperd. Scherf bleef schreeuwen dat ze open moesten doen, totdat ik hem richting de deur duwde. Voor de eerste keer beleefde ik een moment waarin je je leven aan je voorbij ziet trekken en dat moment duurde veel te kort. Ik was godverdomme pas achttien jaar en ik had een paar maanden geleden nog voor de dienstplicht bedankt om uiteindelijk toch nog in een zinloze oorlog te sneuvelen. Scherf bleef de krakers aanroepen en smeken om open te doen. Nu in het gat waar eens de bel in bevestigd gezeten. Er lag niets in het portiek dat ook maar enigszins als verdedigingswapen gebruikt kon worden. Ik merkte op dat moment ook pas dat ik de ketting, die ik altijd als broekriem gebruikte, thuis had achtergelaten. Wapens; je sjouwt er maandenlang nodeloos mee rond en op het moment dat je ze echt nodig hebt heb je ze niet bij je. De pleiners waren ons tot op een meter of vijf genaderd en ik stond op het punt in de laatste seconden van mijn leven me alsnog aan Jezus over te leveren toen de meute de opmars stopte. Een milliseconde verkeerde ik in de hoop dat ze het met ons uit gingen praten, maar dat was niet de reden dat er gestopt werd. Ik zag de steekvlammetjes van tientallen strijkers oplichten en toen begreep ik wat de bedoeling was. Ik draaide me om, dook zover mogelijk de hoek in en trok mijn jas over mijn hoofd. Toen het losbarstte leek het een langgerekte knal, als een twintigponder uit een Stuka in het portiek detoneerde. Toen ik weer bij zinnen kwam lag ik in de gang van het pand naar adem te snakken. Ik zag vaag iemand de deur weer barricaderen met twee grote balken. Ik keek verdwaasd om me hen en zag Scherf naast me liggen. Zijn mond bewoog; waarschijnlijk was hij nog steeds aan het gillen dat ze ons naar binnen moesten laten, maar er drong even geen geluid meer door tot mijn wereld.

Een paar minuten later trok mijn gezichtsveld een beetje bij en zag ik weer tamelijk scherp. Op een zwarte vlek in het beeld van mijn linkeroog na dan. Dat irriteerde me vreselijk. De contactlens die ik droeg had me voor oogletsel behoed. Ik haalde hem eruit en zag dat er een stukje ingebrande zwarte materie in zat. Kruit uit een strijker. Terwijl ik er toch zeker van was dat ik met mijn jas om mijn hoofd en mijn ogen dicht had gehad op het moment dat die strijkers afgingen. Nu kon ik alleen met mijn rechteroog nog scherp zien. Dat was ook irritant, maar in ieder geval beter dan die vlek.

De enorme ruis in mijn oren maakte plaats voor de bekende piep, die ik na optredens ook altijd in mijn oren had. Ik kon in ieder geval, door de piep heen, weer een beetje horen. Iets minder leuk was dat Scherf vlak naast me zat en niet op kon houden met gillen dat hij die hufters buiten wilde vermoorden. Het had op dat moment wellicht verstandiger geweest als hij een de-escalerend geluid had voortgebracht; ik had alleen geen idee hoe dat dan had moeten klinken. Toen volgde een doffe klap en nog een. Het leek erop dat de buitendeur van het pand met een stormram werd bewerkt. Dreun volgde op dreun en elke keer zag ik de voordeur, en de balken ervoor, een beetje verder meegeven. Het was overduidelijk dat het een kwestie van een paar minuten zou worden voordat de deur het zou begeven. Behalve Scherf en ik stonden er twee andere krakers in de gang en we keken allemaal gebiologeerd naar de deur. Alsof we niet meer konden doen dan mindpower in te zetten om de aanval af te weren. Het voelde alsof we konijnen in een hol dat door een stel hondsdolle vossen word uitgegraven waren. Ik schoot uit mijn lethargie en stormde de trap van het pand op. Iemand moest iets doen voordat die deur het begaf en ernaar kijken ging niet helpen. Prioriteit nummer één: wapens. Ik rende de woonkamer op de eerste verdieping in. De ruimte werd slechts door een peertje aan het plafond verlicht. Het meisje die uit het raam had gehangen lag op een kussen in de hoek die het verst van de ramen was verwijderd onbedaarlijk te bibberen. Verder was er niemand. Ik had toch minimaal die vier punkies hier binnen verwacht, maar noppes. Er was ook nergens iets als een honkbal knuppel of ook maar een lange lat te vinden. Ik zocht alle overige kamers af en het beste wat ik kon vinden was een stuk openhaard hout dat veel te dik en te kort was om effectief als wapen ingezet te worden. Scherf kwam intussen ook boven en was ook zichtbaar geschrokken van de afwezigheid van hulp en wapens. ‘We zijn de lul’, mompelde hij ‘we zijn de lul’. Koortsachtig dacht ik over manieren om ons te verdedigen. De ramen waren gebarricadeerd met matrasveren. Voorlopig werd er alleen met vuurwerk naar de ruiten gegooid en zelfs als eens strijker vlak voor de ruit zou ontploffen en de ruit zou breken, waren we redelijk goed beschermd tegen rondvliegend glas. Maar we konden daardoor de aanvallers ook niet vanuit de ramen bekogelen. Nu hadden we ook weinig om ze mee te bekogelen, op die houtblokken en de huisraad na. Ik herinnerde me opeens een opmerking van Schizo toen ik hem bij mij thuis een keer had opgebiecht dat ik geen idee had hoe me te verdedigen mocht mijn huis aangevallen worden. Hij had geopperd dat je in zo’n geval toch gewoon de koelkast voor het trapgat kon zetten en die naar beneden kon kankeren op het moment dat er mensen de trap op komen. Iets beters was er in dit geval ook niet te verzinnen dus ik zocht Scherf en na een korte uitleg begonnen we de koelkast uit de keuken naar het trapgat te slepen. Het was jammer dat er geen wasmachine aanwezig was; die zijn een stuk zwaarder en dodelijker dan koelkasten. Maar de hier aanwezige exemplaar was een behoorlijk oude, en een stuk zwaarder dan die moderne koelers. Scherf schreeuwde naar de krakers in de hal dat ze naar boven moesten komen en dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Daarna zat er niets anders op dan te wachten op het onvermijdelijke moment dat de deur het zou begeven en de barbaren de trap zouden bestormen. Dat gaf me tijd om de krakers eindelijk eens goed te bekijken. Ik herkende er een; die had ik al eens in een ander pand gezien. Hij heette Carel, met een c, en na even denken wist ik ook uit welk pand hij kwam; het pand vlak om de hoek bij mijn ouderlijk huis op de Heemraadssingel. Het eerste kraakpand waar ik ooit een voet binnen had gezet. Hij knikte even naar me terwijl ik hem aanstaarde; hij herkende me wel, maar was blijkbaar, en begrijpelijkerwijs,  niet in de stemming voor begroetingsrituelen. Carel was gekleed en gekapt als een typische kraker; gemillimeterd haar, blauwe overall en zware schoenen. Als je hem op een steiger zou zetten zou hij niet opvallen; hij had alleen geen matje en hij zou waarschijnlijk weigeren meisjes na te fluiten.  De andere kraker was zo’n kunstenaarstype met een dikke bril en zwart geverfd haar waar je de schaar die de lange lokken had weggeknipt nog bijna in kon zien. Prototype kunstenaarshippie. Het meisje lag nog altijd in de kamer te bibberen.  Op haar hoefden we niet te rekenen. Ik vroeg waar die vier punks gebleven waren en Carel vertelde dat die vorige week naar een nieuw pand aan de Hooghlandstraat waren verhuisd. Aangezien de reden dat ik hier was gekomen vier, inmiddels verhuisde, punkkameraden was, voelde ik me opeens behoorlijk lullig. Ik zette hier mijn leven op het spel voor een paar gasten die ik nauwelijks kende en die zo dom waren geweest om een pand te kraken dat middenin het territorium van een van de grootste jeugdbendes van de stad lag. Het was dat Scherf keek alsof hij hier ook liever niet wilde zijn, anders had ik hem op dat moment waarschijnlijk een hengst gegeven. En het gevoel dat ik op het totaal verkeerde moment, op de verkeerde plaats aanwezig was, moest natuurlijk, op uitgerekend datzelfde ogenblik, nog even honderdduizendmaal versterkt worden. Want opeens stond dat meisje in de gang. Haar ogen stonden verwilderd en ik merkte nu pas dat ze een tuinpak aanhad. De manier waarop ze me aankeek voorspelde niet veel goeds; ze keek alsof ze me wilde aanvallen.  Er kwam meteen nadat ik haar blik gevangen had een vloedgolf woorden uit haar mond omhoog borrelen waar de ratten geen kaas van hadden gelust. ‘Het was godverdomme net weer rustig toen jullie zo nodig buiten moesten gaan lopen schreeuwen, stelletje kutpunks!’ schreeuwde ze me toe. ‘Het was net voorbij, die gasten buiten hadden hun lolletje gehad en waren weggegaan van het plein en toen moesten jullie ze zo nodig gaan provoceren!’Jullie zijn net zulk gespuis als die klootzakken die hier woonden; we waren net zo blij dat die opgepleurd waren.’ Dat wijf had een stem die dwars door je heen sneed. Dit was wel het laatste wat ik verwacht had, al had ik voor de deur al begrepen dat die muts niet helemaal spoorde. Scherf begon sputterend uit te leggen dat we hier alleen waren gekomen om te helpen, maar bij mij sloeg de vlam opeens in de pan. Mijn rode vriend trok weer eens voor mijn ogen langs, ik moest me inhouden om haar niet op haar bek te timmeren. Ik sprong op en begon tegen haar uit te varen. ‘Houd je bek feministische kutmongool met je grote hysterische kankerbek, we kwamen hier om je uit de rats te helpen maar wat mij betreft kan je de kutschurft krijgen vuile vieze stoephoer’!! Ik had altijd al een harde stem, geoefend door twee jaar brullen in bandjes, maar nu ging ik echt helemaal los en bulderde door de gang. Hysterica kon er echter, zoals al gezegd, ook wat van en liet zich niet door mijn kanonnade uit het veld slaan. Ze schold net zo hard terug: ‘debiele kutpunks met jullie kankergeintjes altijd, zwakzinnige hufters met jullie grote muilen en groen uitgeslagen kankerkapsels, vieze kankerzwerver tyft op uit me huis!! En toen ik weer: ‘Krijg de kanker met je vuile grafhuis, de fucking fik d’r in, ouwe kankertemeier die je bent, krijg de ziekte’. Hysterica riposteerde met: ‘hoerenjong, kanker op met die mietjes van een kankervriendjes van je, jullie verpesten altijd alles, grafmongolen.’ Na deze uitval was het een milliseconde stil, ik nam de tijd om zoveel mogelijk lucht in mijn longen te persen en nam tegelijk de kans waar om wat inspiratie op te doen voor mijn volgende scheldkanonnade. Maar voordat ik uit kon barsten voelde ik een hand van Carel op mijn schouder en nog een op mijn borst. Ik ademde dus maar weer uit en zag dat Carel zijn linkerwijsvinger omhoog hield. Toen drong tot me door wat hij duidelijk probeerde te maken; het geluid van de  oprukkende buurtbewoners was verstomd. Er klonken in de verte nog knallen van vuurwerk maar dat kwam niet van het plein, daar leek het stil. Het was zo’n moment dat eeuwig lijkt te duren. Niemand had een idee wat er precies aan de hand was. We konden niet zien wat er buiten gebeurd en we durfden geen van allen te bewegen uit angst de magie te doorbreken en teruggeworpen te worden in een realiteit waaraan we dolgraag uit wilden ontsnappen. Ik keek hysterica recht in haar gezicht en zag haar woede omslaan in ongeloof. Pas dagen later wilde ik toegeven dat het best een lekker ding was.  De stilte werd uiteindelijk doorbroken door een blauw zwaailicht dat nadat het precies zeven keer de kamer had verlicht versterkt werd door een politiesirene die opeens keihard losbarste. Zoals gewoonlijk kwam de cavalerie te laat en op een vervelend moment. De hippe kunstenaar rende naar het raam en werd onmiddellijk in een zoeklicht gevangen. De sirene maakte plaats voor een mobilofoon. ‘Zouden jullie de deur even open willen maken?’ knetterde het uit de luidspreker. Het magische moment was verbroken. De kunstenaar stond een beetje verdwaasd in het volle licht naar de kit te zwaaien, Scherf slaakte duidelijk hoorbaar een diepe zucht in de wetenschap dat hij ook deze verzoeking had overleefd en Carel schoof de koelkast uit het trapgat en maakte aanstalten om naar beneden te gaan om de deur van de barricades te ontdoen. Ik stond nog altijd tegenover hysterica en pas op dat moment wisten we onze ogen van elkaar af te wenden en draaide ik me half om. Carel keek ons beiden aan met een geheimzinnige glimlach voordat hij de trap af liep. Ik draaide weer terug maar ze was intussen al op weg naar het raam waar ze samen met de hippie voor ging staan. Niemand van ons is er ooit nog over begonnen, maar het leek er sterk op dat mijn ruzie met hysterica de aanvallers van  het pand zo verbaasd had dat ze even waren vergeten waar ze mee bezig waren. Meer voor de hand liggend was natuurlijk dat ze de politie veel eerder dan wij aan hadden zien komen en daardoor de aanval op hadden gegeven. Toch was en bleef het een magisch moment want het voelde honderd procent zeker alsof de agressie van buiten geabsorbeerd werd door ons verbale zwarte gat.

Even later stonden er acht agenten in het pand en werden we tot onze verbazing gesommeerd mee te gaan naar het politiebureau. Natuurlijk maakten de bewoners daar hevig bezwaar tegen omdat het pand onbeschermd achter zou blijven. Daarop werden we zonder omhaal in de boeien geslagen, het pand uit gesleurd en verdeeld over drie politie Chevrolets naar het Haagse Veer vervoerd en werden we pas laat in de ochtend een voor een weer vrijgelaten. Een rechercheur deelde me bij mijn vrijlating vol genoegen mee dat we van een beschermende detentie hadden genoten. Het viel me nog mee dat hij er geen rekening bij presenteerde. Scherf was al een half uur eerder vrij gekomen en wachtte  op de hoek van de Coolsingel op me. Zwijgend liepen we door de uitgestorven stad naar huis.

Advertenties

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Oud en Nieuw 1982 Deel 2

Het eerste deel lees je hier

Twee weken later was het Oud en nieuw. 1983 stond op het punt te beginnen. Het laatste jaar voordat het mythische jaartal van 1984 aan zou breken. Voorspeld was dat er een politiestaat zou komen, maar dat zouden we dan nog wel eens zien. Voorlopig knetterde de lucht nog van de rebellie.

Maar op oud en nieuw had iedereen wel wat anders aan zijn hoofd dan de regering omver te werpen. De belangrijkste vraag was altijd: waar was het feest? Ik kon natuurlijk naar mijn moeder gaan en me daar vol gooien met oliebollen, bier en champagne, maar ik was niet voor niks op mezelf gaan wonen. Vannacht wilde ik onder gelijkgestemden zijn. Het was alleen een beetje jammer dat alle gelijkgestemden blijkbaar wel bij hun ouders zaten. Na een vruchteloze zoektocht naar feesten; door de buurt fietsend was ik alle bekende kraakpanden af geweest,  kwam ik uiteindelijk toch bij mijn moeder terecht. Daar kon ik me in ieder geval gratis vol laten lopen. Maar om 1 uur ’s nachts hield ik het voor gezien en fietste ik naar mijn nieuwe huis. Ik had nog een halve fles champagne meegesnaaid die ik in het doodstille pand opdronk. Iedereen was weg en ik voelde me een beetje verloren. Als ik in mijn eentje dronken ben, word ik altijd nogal melancholiek. Ik verviel in een mijmering over mijn verloren kamer en mistte het ouderlijk huis opeens enorm. Om half twee was ik die bui spuugzat en besloot  ik maar te gaan slapen. Ik sliep bijna toen ik Scherf hoorde roepen. Hij stond onderaan de trap en vroeg schreeuwend of ik thuis was. Toen ik dat beaamde stormde hij de trap op onderwijl roepend dat het  kraakpand op het Pijnackerplein aangevallen werd. “ Ze belden net via de telefoonketting;  die gasten hebben hulp nodig” , riep hij. Ik richtte me half op maar de alcoholnevels trokken me terug mijn bed in. “ Pleur op”, was het enige wat ik eruit kreeg.  Scherf bleef nog even staan maar zag in dat het geen zin had om te blijven zeuren. Hij stormde weer naar beneden en ik hoorde hem bij alle vier de andere woningen van de Braadworst aanbellen. Weinig kans dat er iemand thuis was, en nog minder kans dat iemand zich geroepen voelde om het slagveld te betreden. Ik draaide in mijn bed om me weer over te geven aan de slaap, maar plotseling schoot het door mijn kop dat die vier jochies, die mijn TV naar huis gesjouwd hadden, in dat pand aan het Pijnackerplein woonden. Vloekend sprong ik uit bed en kleedde me snel aan, onderwijl naar Scherf schreeuwend dat hij op me moest wachten. Ik had geen tijd genoeg om voor rellen geschikte kleding uit te zoeken en toen ik de straat op kwam merkte ik dat ik zelfs mijn trui vergeten  had aan te trekken. De koude wind greep mijn lijf, ik ritste mijn leren jack zo hoog mogelijk dicht. Scherf was niet meer in de straat, dus zette ik het op een lopen richting Pijnackerplein. Ik hoefde alleen  de hoek om, een stuk 3e Pijnackerstraat door en de Zaagmolenstraat over te steken. Daarna nog een kroeg en vier huizen voorbij voordat de straat zich in het plein verbreedde. Er waren nog redelijk wat mensen op straat die nog niet door hun voorraad vuurwerk heen waren. Oud en nieuw in Rotterdam klonk, ook zonder aanvallen op je huis, verdacht veel als een burgeroorlog waarin iedereen lukraak op iedereen aan het schieten is.  Onderweg bedacht ik me dat het onmogelijk zou zijn het pand te bereiken als het daadwerkelijk belegerd werd. Scherf had hetzelfde bedacht, want hij stond op de hoek van het plein de situatie te overzien toen ik hem inhaalde. Heel even was hij blij me te zien maar daarna schoot hij weer in zijn adrenalinerush. Zijn ogen waren zo groot als schoteltjes en ik wist dat er maar weinig meer voor nodig was om hem door te laten slaan. Scherf had een sterk gevoel voor rechtvaardigheid; dat bracht hem hier en weerhield hem om weer zo snel mogelijk weg te rennen. Maar de situatie was tamelijk hopeloos. Er brandde een vuur midden op het plein en daaromheen stonden enige tientallen buurtbewoners te feesten. Het vuur liep echter op zijn einde bij gebrek aan brandstof. Het lag precies tussen ons en het pand in. Het kraakpand zag er vanaf waar wij stonden niet uit alsof het belegerd werd. Er stond in ieder geval geen massa mensen voor de deur. Er brandde geen licht binnen en het pand zag er verlaten uit. Mijn lust om hier een beetje met buurtbewoners te gaan knokken was al niet erg groot. Dat waren  mensen die je later nog dagelijks tegen zou kunnen komen. En zo te zien was het allemaal een storm in een glas water geweest. Iemand in dat pand had waarschijnlijk teveel geblowd of een verkeerd pilletje geslikt, was paranoia geworden, en had de telefoonketting in werking gesteld. Als er gevaar dreigde lag er in elk pand een telefoonlijst. Zo kon je andere kraakpanden bereiken. De ontvanger van je telefoontje belde dan het eerstvolgende nummer op de lijst en ging daarna op weg naar de brandhaard. Dat systeem werkte over het algemeen best goed. Je kon op deze manier binnen korte tijd minimaal een man of twintig op de been krijgen. Maar dagen als Oud en Nieuw waren hierop een uitzondering. Weinig kans dat er dan krakers op telefoonwacht gingen zitten. Dat het pand op het Pijnackerplein Scherf aan de lijn had gekregen was nog een klein wonder.

Het Pijnackerplein was traditioneel een plaats waar de kerstbomen werden verbrand die in de weken tussen kerst en oud en nieuw door de lokale jeugd verzameld werden. Die jacht was de laatste paar jaar een beetje uit de hand gelopen en had geresulteerd in heuse bendeoorlogen. Elk plein had zijn eigen jeugdbende en die van het Pijnackerplein was de grootste in onze buurt. De politie liet zich op oud en nieuw niet zien, tenminste zolang er geen huizen in de fik gingen.

De krakers en punks in het Oude Noorden hadden nog maar weinig last van die bendes gehad. Het waren echte straatschoffies en aangezien veel punks daar, toen ze wat jonger waren ook bij hadden gehoord, was er altijd een soort gewapende vrede gebleven. Punks waren natuurlijk wel freaks in de ogen van dat soort gasten, maar ze konden ons nog niet zo goed plaatsen. We waren in ieder geval geen hippies. Hippies waren zelfs in de kraakbeweging al een tijdje uit de mode. Zelfs de wat oudere krakers, die vroeger hun haar tot op hun reet droegen, hadden nu meestal fris geknipte koppies. Maar aan de andere kant bestond de jongste generatie punks; de generatie waar Scherf en ik ook bij hoorden, ook niet uit echte straatjongens. Wij waren over het algemeen Havoklanten en geen LTS’ers. Scherf studeerde zelfs op de Sociale Academie. Straatjochies hebben snel door dat je er niet een van hun soort bent. Ik was in ieder geval nog in een buurt opgegroeid waar het er vaak ook ruig aan toe ging. Waar je gebruikte injectienaalden en condooms aan de rand van de trapveldjes kon vinden en ’s avonds hoeren aan het cruisen waren. Waar straatschoffies met spijkers door hun schoenneuzen gingen voetballen en elkaars schenen tot een bloederige pulp trapten. Maar ik was, totdat ik op mijn 15e door het punkvirus werd besprongen, een studiebol geweest. Ik las liever boeken dan dat ik buiten mijn schenen op het spel ging zetten.

Maar behalve de veranderende samenstelling van de punkscene was er ook nog de opkomst van de Centrumpartij. Dat had de stemming in de wijk doen omslaan. En tot de rellen op 30 april 1980 was de Nederlandse bevolking over het algemeen positief gestemd over krakers. Iedereen had last van de woningnood en dat wij oude , in onbruik geraakte, panden bezetten vond men wel een goed idee. Maar die massale oproer op Koninginnedag 1980 had het imago van de krakers weinig goed gedaan. Toen de CP tegen de buitenlanders begon te ageren hadden de krakers duidelijk partij tegen het fascistoïde gedachtegoed genomen.  De straatjeugd was destijds nog roomblank;  buitenlandse jeugd had je nog niet. De gezinsherenigingen waren nog maar net op gang gekomen en het besef dat buitenlanders hier niet slechts tijdelijk zouden blijven, begon nog maar net door te dringen. Het gewauwel dat die buitenlanders de oorzaak van de grote werkloosheid waren ging er bij dit soort gasten in als koek.

Ik was in ieder geval opgelucht dat het allemaal wel mee leek te vallen en wilde eigenlijk liever meteen weer naar huis. Maar Scherf stond erop dat we bij het pand gingen aanbellen om te kijken of alles in orde was. Met zware tegenzin liep ik mee. Ik had het stervenskoud en verlangde naar mijn bed. Maar misschien hadden ze nog wat te drinken bij die gasten, en dit kon nooit lang duren.

We liepen het plein voor de zekerheid niet over, maar namen een omweg langs de huizen. De groep feestgangers op het plein was niet buitengewoon groot; ik schatte dat hij nog uit een mannetje of dertig bestond. Maar dat waren er nog altijd genoeg om voorzichtig te blijven. We liepen zo onopvallend mogelijk in de richting van het pand. Ik zag er nog steeds geen teken van leven. Regelmatig knalden er nog strijkers en ander zwaar vuurwerk op het plein en gingen er vuurpijlen de lucht in. Het was alsof elke knal op ons gericht was, en het leek een eeuwigheid te duren voordat we het pand eindelijk bereikt hadden. Ik keek nog even om naar het vuur en de feestgangers toen we eindelijk voor de deur stonden, terwijl Scherf de vier treden van het portiek op klom om aan te bellen. De situatie op het plein was niet veranderd. Door de gloed van het vuur zag ik de silhouetten van een stuk of tien stomdronken buurtbewoners die rotjes in het vuur aan het gooien waren onderwijl restjes champagne of bier rechtstreeks uit de fles drinkend.

Er hing een trekbel naast de deur; letterlijk. Een stuk touw van ongeveer een meter waar de trekknop nog aan hing. De bel was overduidelijk met veel geweld gesaboteerd want het touw hing er lam bij en er zat een gat naast de deur waar de stang van de bel ooit ingemetseld was geweest.. Er zat een grote brandvlek op de deur en er lagen overdreven veel rode papieren overblijfselen van rotjes op de stoep voor het pand. Er waren nog meer sporen van geweld op de voordeur van het pand aanwezig. Alsof iemand met een bijl de deur had bewerkt. Scherf probeerde of hij de bel nog kon laten rinkelen en dat lukte wonderwel; de bel zat nog aan het touw en was te groot om door het gat naast de deur naar buiten getrokken te worden. Ik hield intussen het plein in de gaten en opeens zag ik beweging; een hele hoop beweging. Een grote groep jongeren kwam joelend vanaf de eerste Pijnackerstraat het plein oprennen. Heel even dacht ik dat het plein door een rivaliserende bende werd aangevallen, maar die gasten werden met gejuich begroet. De meeste nieuwkomers sleepten kerstbomen met zich mee. “Kut; de kerstbomenjacht”, kreunde ik zachtjes.

Klik hier voor het derde en laatste deel

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Enjoy…

Hier deel 4 van een verslag van een reis naar Groningen in 1982

GRONINGEN DEEL 4

Tot onze verrassing kregen Gino en ik allebei de vijf gulden die we voor onze overnachting in de sleep-in hadden betaald terug van de beheerder. Als dank voor het sussen van de vechtpartij. ‘Hebben we mooi dat tientje dat het varkentje van je had gejat weer terug’ zei ik tegen Gino. Hij ging er niet op in.

Vanavond was het optreden van Pigbag in Vera maar het was nog vroeg en we hadden de hele dag nog voor ons. Het was heerlijk weer en ik was lui en had het liefst de hele dag ergens in de zon doorgebracht. Maar Gino en ik waren het erover eens dat een tweede nacht in de sleep-in geen optie was, al was het alleen maar omdat we uiterlijk om 12 uur in de sleep-in moesten zijn. De sleep-in sloot op zondag al om middernacht en wij hadden ons verheugd op een lange nacht na het optreden van Pigbag. Daarbij zou het best kunnen dat het optreden om 12 uur nog niet eens voorbij zou zijn. (Toentertijd was er nog geen sprake van concerten die al om 11 uur afgelopen waren zoals tegenwoordig.) We moesten dus allereerst slaapplaats voor de komende nacht vinden. Gino stond erop dat we onderweg naar de lockers op het station langs Vera zouden lopen. Ik zag daar het nut niet van in, maar hij hield voet bij stuk dus stonden we een kwartier later weer voor de deur van het bekendste Groningse podium. Er kwam net een vrouw van een jaar of dertig de deur van Vera uit. Ze sprak ons aan en toen ze hoorde dat we uit Rotterdam kwamen bood ze ons meteen een slaapplaats aan in het kraakpand waar ze woonde. Ik keek Gino even vol ongeloof aan, maar hij grijnsde en haalde zijn schouders op alsof hij wilde zeggen dat hij er ook niks aan kon doen dat hij altijd van die goede ingevingen had. Daarna liepen we onze nieuwe beschermvrouwe achterna.

Het kraakpand lag nog geen drie straten verder en we kregen een volledig gemeubileerde kamer met een groot twee persoons-bed ter beschikking. De bewoners van die kamer was een stel dat momenteel op vakantie was. Het pand bestond uit drie huizen waarvan de krakers de tussenmuren hadden doorgebroken. Zo hadden ze genoeg ruimte geschapen om een woongroep van 12 man te huisvesten. Er was een grote gezamenlijke keuken en woonkamer. Daarnaast waren er negen kamers die door drie stellen en zes singles bewoond werden. Het pand was goed onderhouden en schoon. We zagen nergens graffiti of punkposters. Blijkbaar woonden er geen punks in dit pand. De meeste bewoners waren, zoals het stel van onze kamer, op vakantie en behalve onze gastvrouw was er niemand te bekennen.

We waren nogal beduusd door de gastvrijheid van deze kraakster, die Lillian heette. Dat ze twee volslagen onbekende punkers in huis nam en ook nog eens in een kamer, die niet eens van haar was, liet overnachten was wel héél aardig. Het was even wennen. Lillian was de eerste Groningse die ons tof behandelde. Lillian was absoluut geen punk, maar ook geen hippie. Ze leek ook niet het prototype van een actievoerster. Een actievoerster had ons waarschijnlijk eerst aan een verhoor over onze visie op de samenleving onderworpen. Lillian was een goede ziel en blijkbaar zei haar intuïtie dat Gino en ik O.K. waren. Maar helemaal stabiel leek ze me niet, en haar medebewoners dachten daar blijkbaar hetzelfde over. Toen we even later in de keuken aan de thee zaten kwam er een medebewoner thuis die zich voorstelde als Tobias en de vriend van Lillian bleek te zijn. Hij nam Lillian mee naar de woonkamer en we hoorden hem verwijten maken over hoe naïef ze was om zomaar twee punkers van de straat op te pikken en een kamer toe te wijzen waar ze helemaal geen zeggenschap over had. Twee punkers die ook nog uit Rotterdam kwamen. Alweer was onze woonplaats een probleem. Ik nam me voor toch eens door te vragen wat de mensen hier nou allemaal tegen Rotterdam hadden.

Gino en ik beseften dat onze slaapplaats op de tocht stond en dat we Tobias van onze goede bedoelingen moesten overtuigen. Zonder daar verder een woord over vuil te maken nam Gino het initiatief en liep naar de woonkamer. Ik liep hem maar achterna. Nadat we Tobias confronteerden met zijn wantrouwen naar ons toe en ik aanbood om de kascheque van de giro die ik in geval van financiële noodgevallen bij me had bij hem in bewaring te geven, ging hij snel overstag. Al was het duidelijk met tegenzin. De kascheque afgeven was niet nodig. Exit Tobias. Lillian maakte aanstalten om Tobias te volgen naar de kamer van het pand die ze als stel deelden. Maar niet zonder ons de sleutels van de voordeur van het pand te geven. Alweer waren we stomverbaasd over het volledige vertrouwen van deze kraakster. Geen haar op ons hoofd die eraan dacht misbruik van deze gastvrijheid te maken. Dat was iets dat we sowieso nooit zouden doen. Gino en ik waren geen chaospunkers, junkies of anderszins idioot.

Pas toen we weer door de zonovergoten straten van Groningen liepen bedacht ik me dat ik alsnog vergeten was te vragen wat de mensen hier nou zo tegen Rotterdam hadden. Ik liet het er maar bij. Ik was al blij dat we eindelijk een slaapplaats gevonden hadden.

Het optreden van Pigbag die avond was best nog te doen. De hele zaal was aan het hossen op de instrumentale wereldmuziek. Zelfs ik deed even mee. Het viel me wel op dat Gino er niet helemaal met zijn hoofd bij was. Hij was duidelijk op zoek naar Bulldog girl maar die was deze avond in geen velden of wegen te bekennen. Die gast ging dus speciaal naar Groningen om een band te zien waar hij helemaal fan van was, om op het moment suprême de verliefde paljas uit te gaan hangen. Nu moest ik eigenlijk niks zeggen. De belangrijkste reden dat ik mijn best niet wilde doen om hier meiden te gaan versieren was omdat ik de scherven van mijn hart nog bij elkaar aan het zoeken was na Anouk.

Die nacht sliepen we voor het eerst echt goed in het tweepersoonsbed in het kraakpand. En lang ook want het was al over twee uur voordat we eruit kwamen. We zaten daarna een paar uur aan de koffie in de keuken van het verder uitgestorven pand. Lillian werkte als vrijwilligster op het kantoor van Vera en Tobias had misschien ook wel werk. Ik moest Gino ervan weerhouden om door het hele huis te gaan snuffelen want dat was een tic van hem. Hij was altijd erg nieuwsgierig naar wat mensen aan mooie spulletjes hadden. Zoals al gezegd zou hij nooit wat stelen, maar snuffelen was ook niet netjes. De koffievoorraad van het pand was na de zes koppen die wij beiden dronken wel al behoorlijk geslonken. We namen ons voor die middag als compensatie een pak koffie voor Lillian te kopen. De platenverzameling in de woonkamer moest natuurlijk wel even doorgelopen worden. Maar er stond op de ‘geef voor New Wave’ LP, die we allebei allang hadden en eentje van the Stranglers na, geen punk tussen. Dus verloor ik al snel mijn belangstelling.

We liepen de stad in, maar het was maandag. De winkels die dingen verkochten die wij leuk vonden, zoals platen en punkkleding, waren allemaal dicht. Ook in Groningen was maandag een saaie dag al was in de zon zitten met een joint wel een goed idee. Maar we wisten niet waar we wat te blowen konden halen. We hadden die ochtend ook niet de kans gehad om het adres van een hasjdealer aan Lillian te vragen. En ik had geen zin in bier. De rest van de dag gebeurde er helemaal niks. We kwamen in de stad geen punks tegen. En verder liet iedereen ons met rust. Niemand bood ons hasj of andere drugs te koop aan en niemand schold ons uit.

De dag daarop gingen we langs een platenzaak die een ruime bak punk LP’s en singles had staan. Het meeste spul was bekend en konden we in Rotterdam ook bij Backstreet records kopen. Het had geen zin om die platen hier te kopen en mee naar Rotterdam te sjouwen. Ik probeerde mijn tapes met tamelijk obscure punk die ik bij Vincent had opgenomen en daarna zelf had door gekopieerd te ruilen tegen demo’s van lokale Groningse bands. Maar de uitbater van de platenzaak had geen interesse; die wilde cash zien. Dus begon ik de adressen die op de Groningse tapes stonden te noteren zodat ik zelf contact met die bands op kon nemen om alsnog wat te ruilen. Ik had vier adressen opgeschreven toen de uitbater zag wat ik deed en me sommeerde te stoppen met hoesjes uit tapes te halen en te beduimelen. Even later stonden we hem op straat uit te schelden. Wat een pleurishond was die vent; hij was alleen bezig geld te verdienen. Die nacht ging ik gewapend met mijn spuitbus langs de platenzaak en spoot in zo groot mogelijke letters KOOP HIER VERSE KOMKOMMERS op de etalageruit.

Op woensdag was er wat in Simplon te doen. Simplon was naast Vera de tweede plek in Groningen waar regelmatig punkoptredens plaatsvonden. Helaas was dat die dag niet het geval omdat Mathilde Santink zou optreden, (boring!). Maar het was beter dan niets en het leuke was dat Simplon als jongerencentrum al vanaf 3 uur open was. Een uitstekende plek om eindelijk contact met wat Groningse punks te leggen want dat werd na bijna vijf dagen Groningen toch wel hoog tijd.

Simplon bestond uit een grote zaal op de begane grond, en een café met daarnaast een kleine zaal op de eerste verdieping. De grote zaal was die dag gesloten maar het café zag er goed uit.Al was er om 3 uur natuurlijk nog niet veel volk. Gino en ik dronken een biertje aan de bar. Daarna verdween Gino naar het toilet om te schijten. Hem kennende wist ik dat het wel een tijdje zou duren voordat hij daarmee klaar was. Het café was helemaal leeg totdat een grote skinhead samen met een punk, die ook behoorlijk groot was, aan weerszijden van mij aan de bar plaats namen. Het was duidelijk dat ze niet naar gezelligheid op zoek waren. Daarvoor gingen ze net iets te dicht op me zitten. De skinhead bestelde bier. Terwijl ik keek hoe de barman hun twee biertjes tapten voelde ik de punkers met zijn handen over de met studs bezette schouder van mijn leren jas gaan. Als door een wesp gestoken draaide ik me naar hem om. Ik had echt een tyfushekel aan door vreemden aangeraakt te worden. Ik keek hem aan en hij grijnsde provocerend naar me. Die gast was echt te groot om ruzie me te krijgen, en het feit dat zijn maat me aan de andere kant ingesloten had hielp natuurlijk ook niet mee. De skinhead achter me schraapte zijn keel om mijn aandacht op hem te vestigen. Ik draaide me op en hij tikte met twee vingers mijn hanenkam aan. Die had ik die ochtend, met eiwit en een föhn uit het kraakpand, weer eens goed rechtop gezet. ‘Daar houden wij dus niet zo van’ zei hij dreigend. ‘Waarvan bedoel je’, vroeg ik schaapachtig. ‘Hiervan’, zei hij en tikte de kam weer aan. ‘Pech voor je’, zei ik en wilde me van de bar afwenden om tussen de twee bullies uit te komen. Helaas was de grote punker, achter me, me voor. Hij pakte me bij mijn hanenkam, trok mijn hoofd naar achteren terwijl hij mijn rechterarm in een ijzeren greep nam. De skinhead boog zijn gezicht naar me toe en vroeg de obligate eerste vraag: ‘waar kom je vandaan?’ En alweer maakte het antwoord niet het beste in deze Groningers los. De skinhead pakte me met zijn linkerhand bij de revers van mijn leren jas terwijl hij zijn rechterhand naar achteren trok; hij was duidelijk van plan om me een flinke oplawaai te geven. Maar die linkerhand was een fatale vergissing omdat ik op strategische plekken twee scheermesjes achter mijn revers had bevestigd. Als je er niet van houdt om beetgepakt te worden moet je daar iets op verzinnen, nietwaar? Achteraf was deze maatregel wellicht iets té effectief. Verbaasd keek de skinhead naar zijn bloedende vingers. Ik voelde dat de greep van de punker achter me verslapte en maakte daar gebruik van door me los te rukken en het café uit te lopen. Ik hoorde de woedende skinhead roepen dat hij nog niet met me klaar was, maar voorlopig waren die twee nog wel even bezig met bloed stelpen.

Ik vond Gino in de hal in gesprek met twee punkmeisjes en vertelde in het voorbijgaan wat er in het café was gebeurd. De meisjes kenden die skinhead wel. Hij heette ‘Van Gal’ en ze zeiden dat hij best OK was. Zijn bijnaam klonk in ieder geval passend. Het was zaak het pad te verlaten voordat ik die twee beulen op mijn nek kreeg. Een van de meisjes was vrijwilligster in Simplon en dirigeerde ons naar de backstage waar we konden wachten totdat van Van Gal en zijn kompaan vertrokken waren. Ik had niet het idee dat de wond echt ernstig was;  het bloed spoot er er niet uit, dus was er gen ader geraakt. Maar met een beetje geluk zouden die twee Gorilla’s wel even langs de eerste hulp open, zodat ik er veilig vandoor kon. Een paar minuten later gingen Gino en het meisje even poolshoogte nemen en kwamen terug met het bericht dat de mensapen inderdaad beiden uit het pand vertrokken waren.

Het meisje vertelde dat Van Gal een hardcore FC Groningen supporter was. Daardoor ging ik er andermaal vanuit dat de onvriendelijke behandeling met voetbal te maken had. We kwamen die Gorilla’s de rest van onze tijd in Groningen op miraculeuze wijze niet meer tegen.

Ik ben een boek aan het schrijven dat zich afspeelt in de punk/krakers scène van de jaren tachtig. Het boek begint vorm te krijgen maar zoals gebruikelijk is vallen er nogal wat spaanders in het schrijfproces. Dit zijn op zich leuke stukjes maar ze passen niet (meer) in het totaalconcept van het boek.

Omdat ik het zonde vind om ze weg te gooien zet ik ze op mijn blog als een soort teasers voor het boek. Ik zou het heel leuk vinden om feedback te krijgen dus schroom niet je mening over deze kleine hoofdstukjes te geven. Dit is het tweede stukje dat ik online zet. Enjoy…

In de tussentijd was iedereen op school alweer gewend geraakt aan mijn nieuwe uiterlijk.

Leren jassen met slogans en bandnamen waren nog steeds leuk, maar het korte geblondeerde kapsel begon me al gauw de keel uit te hangen. Dat was veel te gewoontjes. Daarbij was de helft van de school helemaal dol op The Police en die droegen dat kapsel ook.

Drie maanden later was mijn haar weer wat langer, met de geblondeerde lokken flink uitgegroeid. Ik zat op een avond bij Vincent om mijn haar zwart te laten verven en ondertussen, tijdens de inwerktijd van de verf, plaatjes op cassettes op te nemen. Vincent struinde elke week diverse platenzaken af op zoek naar nieuwe singles en lp’s dus had ik altijd genoeg keuze om een cassette van 90 minuten aan nieuwe muziek op te nemen.

Nu had ik al een tijdje een plannetje, maar ik moest nog even de consequenties van die actie overdenken. Wat ik wilde zou niet alleen alle leraren, de directie en de leerlingen op school in de gordijnen jagen, maar ook mijn ouders. Ik wilde een hanenkam! Ik zou de allereerste gast in Rotterdam met een hanenkam worden. Ik kende wel een meisje die een kam had gehad, maar die was al een tijdje niet meer in Rotterdam gesignaleerd. Waarschijnlijk was ze, zoals zo velen, vertrokken naar de kraakscene in Amsterdam. Verder had ik in Eksit een meisje gezien die een soort paarse pauwenkam had; dus overdwars over haar hoofd. Een prachtig gezicht was dat by the way… Maar de jongens droegen allemaal kort stekelhaar en de favoriete kleur was zwart. Een zwarte kam was dus wel zo origineel.

Voordat ik het wist flapte ik mijn voornemen eruit. Vincent keek me met glanzende ogen aan. “Ik heb wat voor jouwwwww”zei hij op zijn karakteristieke manier. Vincent had de neiging woorden heel lang uit te rekken als iets hem opwond.

Vincent liep de kamer uit en kwam terug met een doosje in zijn hand. “Taddaaaaaa”zei hij en liet een tondeuse zien. Die was natuurlijk van zijn moeder want die schoor haar hoofd ook altijd bijna kaal. “Kom hier met die kop; hiermee is het zo gepiept” zei Vincent. Ik aarzelde echter ineens bij het idee dat ik morgen weer een week bij mijn moeder en haar nieuwe vriend moest intrekken. “Verf het nou eerst maar gewoon, die kam komt nog wel zei ik”. “Schijtert” riep Vincent, je gaat nu die kam nemen anders ben je… Hij bleef even steken. “Chicken”? Probeerde ik met een grapje het ijs te breken. “Wat bedoel je?” vroeg Vincent. Ik was even vergeten dat Vincent weigerde om niet Nederlandse woorden in zijn vocabulaire op te nemen. ( het woord vocabulaire zou hij dus ook nooit en te nimmer gebruikt hebben.) “Laat maar” zei ik dus. Ik ging met mijn rug naar Vincent zitten en deed de handdoek die ik al voor het verven klaar had gelegd om mijn schouders. Vincent stopte de stekker in het stopcontact en klikte de tondeuse aan. Een niet onplezierige trilling zoemde achter mijn oor en de tondeuse raakte mijn nek. Vincent bewoog het apparaat omhoog, maar voorbij mijn nekhaar waar de echte inplant begon was mijn haar volledig dicht gesmeerd met zeep om het omhoog te houden. De tondeuse beet zich erin vast en ik kreeg een gevoel alsof Vincent mijn scalp eraf probeerde te rukken. “Stop” schreeuwde ik, maar de tondeuse kwam niet zo gemakkelijk los. Talloze haren werden op een wel erg kordate manier uit mijn hoofd gerukt voordat de tondeuse weer los kwam.

Ik spoelde mijn haar eerst uit, daarna moesten we wachten totdat het droog genoeg was om de tondeuse weer veilig te kunnen gebruiken. Dat gaf me nog wat extra bedenktijd. Ik wist dat het morgen een moeilijke dag zou worden want dit kapsel zou me de hele dag op de meest uiteenlopende afkeurende reacties gaan opleveren. Maar terwijl mijn haar droogde sloeg mijn vrees om in anticipatie. Ik wist ook van mezelf dat als ik die kam niet vandaag zou laten scheren ik er aan zou blijven denken totdat ik me een mietje zou voelen. Mijn haar was alleen nog niet lang genoeg om een echt mooie dunne kam neer te zetten dus het zou een soort Taxidriver kam moeten worden. “Are you talking to me?” was natuurlijk een prachtige slagzin om morgen op school te gebruiken tegen de eerste de beste sukkel die iets over mijn nieuwe kapsel zou durven zeggen. Ik zat zo nog door te mijmeren toen Vincent plotseling de tondeuse weer op mijn hoofd zette en in een beweging een grote baan haar wegschoor. “Kijk je een beetje uit dat je het midden laat zitten, zei ik verschrikt. Ik heb geen zin om morgen erbij te lopen als een skinhead, OK?”. “Skinhead! Leuk idee” zei Vincent. Het was dat ik op tijd mijn hoofd weg trok anders had hij expres een baan midden over mijn hoofd weggeschoren. “Hé kappen” schreeuwde ik naar Vincent. Nu vertrouw ik je niet meer, ik scheer de rest zelf wel.” “Ik dacht het niet, zei Vincent. Mijn tondeuse en mijn kunstwerk…”

-“Wat bedoel je nou met kunstwerk? Een kam kan iedereen maken”.

– “Ik was anders iets heel speciaals van plan” zei Vincent.

– “Een kale kop is nog makkelijker” beet ik hem toe.

– “Dat bedoelde ik niet” zei Vincent. Ik ga er echt iets moois van maken.”

– “Ik wil een hanenkam en verder niks”, zei ik.

-“Die krijg je van me” zei Vincent, maar ik wilde er nog iets extra’s doen”. Hij pakte twee mallen en een stift erbij. De mallen waren een krakersteken (een cirkel met en bliksem straal erdoorheen) en een radio-actief teken. Hij wuifde de spullen voor mijn gezicht en zei dat hij met de stift de mallen zou aftekenen nadat hij met de tondeuse mijn haar naast de kam zo kort mogelijk had gemaakt en hij ze dan met een mesje uit zou scheren. Ik wist dat het toch geen zin had om hem van dat idee af te brengen en dat, mocht het mislukken, we alles gemakkelijk alsnog weg konden scheren. Dus met een korte handbeweging liet ik mijn instemming blijken en Vincent ging aan de slag.

De vibraties van de tondeuse deden mijn zenuwen op een prettige manier tintelen. De lokken half geblondeerd haar vielen op mijn schouders en ik kon het niet laten om elke verse gekortwiekte baan op mijn hoofd te betasten.

Nadat de twee zijkanten van mijn hoofd gedaan waren pakte Vincent de mallen en tekende met een rode stift de stukken haar af die bij het scheren gespaard moesten blijven. Daarna smeerde haar mijn hoofd in met scheerschuim uit zo’n ‘old spice’ potje daarbij zorgend dat de afgetekende plekken zo weinig mogelijk schuim ingezeept werden.

“Daar gaat ie” jubelde Vincent toen hij uiteindelijk het mes op mijn hoofdhuid kon zetten. Centimeter bij centimeter werd mijn schedel van haar ontdaan. Ik heb echt dik haar dus Vincent moest elk plekje drie of vier keer behandelen voordat al het haar echt verdwenen was. ER zat helaas een ontsmettingsmiddel in het schuim wat we gebruikten en dat prikte als de hel op mijn geteisterde kop. Na een kwartier begon ik echt genoeg te krijgen van het stilzitten en de voortdurende pijn, maar we waren niet eens klaar met de linkerkant van mijn hoofd. Ik had het gevoel dat mijn kop onder de diepe krassen van het mes zat. Vooral de tekens die uitgespaard moesten worden waren lastig. Het leek wel of Vincent de haartjes daar één voor één aan het wegscheren was. En hoe vaker hij hetzelfde stuk huid met het mes behandelde hoe meer het schuim ging prikken. Ik begon steeds meer met mijn kont te draaien op de stoel tot ongenoegen van Vincent die af en toe een pets op de al kale gedeeltes van mijn hoofd gaf om me tot kalmte te manen. Ik besloot dat als ik die kale kop zou houden ik voortaan een elektrisch scheerapparaat zou gaan gebruiken; dat leek me makkelijker en die behandeling kon ik ten minste bij mezelf doen. Maar of ik überhaupt lang met die kam zou gaan lopen was nog te bezien. Het moest allemaal niet te bewerkelijk worden en ik zat mezelf natuurlijk ook nog steeds af te vragen of ik de reacties op dit kapsel wel zou trekken.

Na ruim twee uur op de stoel was Vincent eindelijk tevreden en opgelucht stak ik mijn hoofd onder de kraan om de resten scheerschuim en haar weg te spoelen. Het resultaat zag er opmerkelijk goed uit; er was geen spoortje van enige verwondingen te zien. Mijn hoofdhuid was wel een beetje rood aangelopen; waarschijnlijk door dat stomme ouwe lullen scheerschuim dat we gebruikt hadden. Het radioactief teken en de krakersbliksem zagen er ook mooi scherp afgetekend uit; zoiets kon je wel aan Vincent overlaten. Ik kon niet van de kale hoofdhuid afblijven. Het voelde zo vreemd en zo lekker om op plaatsen waar je, zo lang je het kon heugen, haar hebt gevoeld opeens kaal te zijn.

Het was intussen al na twaalven en omdat ik de volgende dag naar school moest sloop ik over het dak terug naar huis en ging ik naar bed. Ik heb die nacht niet veel geslapen. Morgen zou een moeilijke dag worden. De eerste, maar zeker niet de ergste hindernis was mijn vader. Dan de straat. School zou leuk worden vergeleken met de straat. Die avond zou mijn moeder me met de auto komen halen omdat ik die week bij haar en haar vriend zou wonen en ik zo gemakkelijk al mijn schoolboeken in één keer mee kon nemen. Dat zou de moeilijkste worden.

De rellen die vorige week in Londen ontstonden, en nog altijd niet zijn bedwongen, zijn een gebeurtenis die al heel lang in de lucht hing en die eigenlijk nog verbazingwekkend lang uitgebleven is.

Eind jaren zeventig waren het dezelfde ingrediënten die de volkswoede deed ontvlammen. Schaamteloos gewelddadig politieoptreden tegen zwarten zette toen de Londense wijk Brixton in vuur en vlam. Een paar jaar later ging een groot deel van de Engelse jeugd weer de straat op om tegen het Thatcher-regime te protesteren en ditmaal was het niet alleen de zwarte jeugd die de straat op ging. Er werd geprotesteerd tegen de afbraak van de verzorgingsstaat, tegen de oorlog die de regering met de vakbonden uitvocht om de macht van de bonden te breken, en tegen de polltax; een onrechtvaardige belasting die vooral het armere deel van de bevolking trof. Dit keer werd ook de city het toneel van zware rellen.

Daarna bleef het 30 jaar tamelijk rustig. Eind jaren tachtig werd de crisis bezworen, was de koude oorlog over en begonnen de glorious nineties. Een tijdperk dat veel overeenkomsten vertoonde met de happy sixties. Maar net zoals na de happy sixties de depressing seventies volgde, kwam er ook nu een einde aan een periode van zorgeloos consumentisme. De kredietcrisis sloeg in 2008 in en sindsdien hollen we weer achteruit en wordt van weeromstuit de verzorgingsstaat verder uitgekleed.

Straatgeweld is een terugkerende cyclus die met de rellen in Engeland een nieuwe fase in zijn gegaan. De beelden van de plunderingen die vooral de mensen treffen die met veel moeite een eigen winkel of andere nering opgebouwd hadden, en vooral dat filmpje van een gewonde jongen wiens rugzak door een, overigens zeer blanke, hufter wordt leeggeroofd zijn misselijkmakend.

Je vraagt je af hoe mensen zo gemakkelijk in beesten veranderen, maar als je een simpele optelsom maakt van hoe de dominante jeugdcultuur op dit moment werkt, en de idealen die deze uitdraagt, dan wekt het alleen verbazing dat deze rellen nog zo lang op zich hebben laten wachten.

Overeenkomsten met de jaren 80

Er zijn zeker overeenkomsten met de opstanden van de jaren tachtig, maar er zijn ook grote verschillen. De dominante jeugdcultuur in de jaren tachtig was die van disco; leeghoofdig vermaak dat er vooral om draaide om de nacht weg te dansen op een flinke hoeveelheid coke. Het waren vooral de mensen die in de tegencultuur van die tijd actief waren die toen de straat op gingen; de punkers, rasta’s en krakers. Mensen die juist bezig waren zich los te maken van het materialisme. Dus een beetje dezelfde mix als de mensen die met de anti WTO protesten meededen.

Politiek

De meeste relschoppers van nu zijn niet politiek geïnspireerd. Was dat maar waar, want dan zou er een stuk minder geplunderd worden, en zou men veel meer op zoek zijn gegaan naar de ware schuldigen; de mensen die de kredietcrisis veroorzaakt hebben, en nu achter de muren van hun gated-communities roepen om keiharde repressie. En het is maar de vraag of het protest dan in de vorm van grootscheepse rellen gevoerd zou zijn; vreedzaam protest is nog altijd veel effectiever. Als dit protest politiek was geweest hadden jongeren hun tenten op Times Square opgezet en was dat het nieuwe Tahirplein geworden.

Maar ook dan was geweld niet ondenkbaar geweest, want geweld wordt door veel regeringen als tactiek gebruikt. Geweld dat wordt geïnitieerd of uitgelokt door de autoriteiten om vervolgens via de media de protestbeweging te marginaliseren. Deze tactiek werkt echter alleen als de media eraan meewerken, zoals in de Arabische landen gebeurde tijdens hun lente. Hier werkt de media vooral in het voordeel van de machthebbers met hun roep om repressie. De overeenkomsten met de staatsmedia uit de landen waar de Arabische lente toe sloeg zijn trouwens opvallend.

Dominante jeugdcultuur

De jongeren, die nu Engeland in vuur en vlam zetten, zijn onderdeel van de dominante jeugdcultuur van dit moment; de cultuur van R&B en hiphop. Een cultuur die bepaald wordt door schaamteloos materialisme.  Nu kan je niet deze hele cultuur betichten van leeghoofdigheid, want er zijn ook rappers actief die niet met alleen ‘bling bling’ en ‘bitches’ bezig zijn, maar het gedeelte van deze cultuur die mainstream is geworden verheerlijkt de gangstercultuur.  Een cultuur die zegt dat je moet pakken wat je pakken kan. Dat je hoe dan ook respect verdient. Als je dat respect niet krijgt door je dreigende uiterlijk en taal moet je het afdwingen; desnoods met geweld. “Get rich, or die trying”

Jongeren worden tegenwoordig lekker gemaakt omdat ze via het kijkvenster van de TV en computer mee kunnen genieten van hoe de rijken leven. Maar ze komen er al heel snel achter het bij kwijlen zal blijven; dat rijk worden door hard te leren en werken een mythe is. Daarnaast zien ze mensen, die niet veel meer talent hebben dan zij, rijk en beroemd worden, maar blijven ze zelf achter.

In de jaren zeventig en tachtig waren er nog veel mensen die trots waren dat ze tot de working-class behoorden, maar tegenwoordig leren ze dat je een sukkel bent als je daarmee genoegen neemt. De jongeren die een vak geleerd hebben zijn goud waard en verdienen heel behoorlijk, maar dat is niet genoeg. Je moet tot de top behoren en een in goud ingelegd plafond en een zwembad gevuld met bitches hebben om een echte bink te zijn. Resultaat is een jeugd die nu dus daadwerkelijk de straat op gaat om de goederen te pakken waarvan ze vinden dat ze er recht op hebben.

De eerste veroordeelde relschoppers laten zien dat het ook niet alleen werkloos tuig was dat de straat op ging, maar  juist ook degenen die wel geleerd hebben, en desondanks in een kutbaan terecht zijn gekomen. Het zijn zeker niet de tot criminaliteit vervallen jongeren. Hardcore criminelen hebben niets te winnen met rellen; hun business gedijt een stuk beter in de rust en luwte.

Voorbeeld

Goed voorbeeld doet goed volgen. Deze jongeren zien dat de rijke toplaag ermee weg komt omdat die “too big to fall”was. Deze jongeren zijn ook too big to fall, in dit geval too big in numbers. De consumptie maatschappij heeft het zoveelste monster geschapen. Dit keer is niet alleen de toplaag aan het graaien, de onderkant doet nu ook mee.

Op de Jaap kan je een ingekorte versie van deze column vinden.

Lees dit artikel op de Quietus voor een andere kijk op dit onderwerp. Bedenk dat ik het hier vooral over de cultuur rondom hiphop heb en niet persé over de muziekstijl

%d bloggers liken dit: